| 1
| Wij trekken nu het diensthuis uit, |
| Egypte's rijkdom onze buit. |
| De dood ging onze deur voorbij, |
| want bloed was daar en bloed maakt vrij. |
| En voor ons ligt nu de woestijn, |
| waar God de Heer de gids zal zijn. |
| En God heeft ons een land beloofd: |
| de naam des Heren zij geloofd! |
| 2
| Wij trekken door woestijn en zand, |
| verlosten uit Egypteland. |
| Geen vijand, die ons tegenstreeft, |
| waar ons de Heer zijn zegen geeft. |
| Wij trekken op de einder aan, |
| waar al Gods poorten openstaan. |
| Want God heeft ons een land beloofd: |
| de naam des Heren zij geloofd! |
| 3
| Wij trekken voort: des Heren volk. |
| De Heer is bij ons in de wolk, |
| een wolk des daags, een rookkolom, |
| een schaduw tussen zand en zon, |
| een wolk des nachts, een vuurkolom, |
| een licht, als 't duister is rondom, |
| want God heeft ons een land beloofd: |
| de naam des Heren zij geloofd! |
| |
| |
| |