| 1
| Ik zing voor de Heer en ik prijs zijn gezag; |
| het komt aan de dag. |
| Zijn hand is verheven, zijn hand die bevrijd, |
| zijn hand die zijn volk heeft geleid. |
| De God onzer vaadren wordt heerlijk bekend. |
| Wij prijzen zijn naam in zijn heilige tent. |
| Hij heeft ons verlost en Hij ging met ons mee |
| en wie ons vervolgden wierp Hij in de zee |
| met vliegende vaandels en blinkende zwaarden, |
| met wagens en paarden. |
| 2
| De Heer is een krijgsman, Hij trekt voor ons uit |
| en machtig verluidt |
| de roemrijke klank van zijn naam over ons: |
| de Here, de God des verbonds! |
| Hij heeft ons bevrijd, uit het diensthuis vandaan, |
| Hij heeft ons geleid op een veilige baan. |
| De wateren weken en stonden gedwee, |
| de vijand verzonk als een steen in de zee |
| met vliegende vaandels en blinkende zwaarden, |
| met wagens en paarden. |
| 3
| Wie is er, o Here ter wereld als Gij? |
| Wie komt U nabij |
| in heilige luister, in reddende macht |
| die wonderen tot stand heeft gebracht? |
| Wij moeten U loven met hart en met mond, |
| want Gij zult ons brengen naar heilige grond. |
| Uw liefde bereidt ons een veilig gebied. |
| Uw dreigende vinger verwijst naar het niet |
| de vliegende vaandels en blinkende zwaarden, |
| de wagens en paarden. |
| 4
| De volken der aarde gaan eind'lijk verstaan |
| wat Gij hebt gedaan. |
| Hun leiders die bouwen op list en geweld |
| verstommen en zwijgen ontsteld. |
| Totdat Gij uw volk dat Gij zelve formeert, |
| totdat Gij het volk dat tot U zich bekeert |
| het land van belofte hebt binnengebracht, |
| vergaan door het diepe geheim van de macht |
| de vliegende vaandels en blinkende zwaarden, |
| de wagens en paarden. |
| 5
| Ik zing voor de Heer. Hij is koning voor goed |
| en dwars door de vloed |
| geleidt Hij de zijnen. Zijn goddelijk spoor |
| gaat zelfs in de zee niet teloor: |
| de zee van zijn toorn die de zonden verzwelgt, |
| het water en bloed dat de zonden uitdelgt. |
| Zo gaat het van doodszee naar levensjordaan, |
| en zingende moeten het water in gaan |
| met slaafse ellende en vorst'lijke waarde |
| de mens der aarde. |
| |
| |
| |