| 1
| Gij hemel en aarde, doet open uw oor |
| en geeft mij gehoor. |
| Ik spreek dat mijn woord op u regenen zou, |
| mijn taal op u druppelt als dauw. |
| Ontvangt in uw oor wat mijn mond u ontsluit |
| als stromen van regen op 't kiemende kruid. |
| Ontvangt in uw hart wat mijn tong u vertelt |
| als groeizame regen op 't groenende veld. |
| Bereidt nu uw harten, bereidt nu uw oren |
| om naar mij te horen. |
| 2
| De Heer roep ik uit, want de Heer is zijn naam! |
| Roemt allen tesaam |
| het werk van de Heer, de volkomenheid Gods, |
| want Hij is uw heil en uw rots! |
| Roemt allen zijn waarheid! Hij doet wat Hij zegt: |
| zijn wegen zijn trouw en zijn paden zijn recht. |
| Roemt allen zijn grootheid! Hij heeft het volbracht |
| en zal het volbrengen voor ieder geslacht. |
| Bereid nu uw harten, bereid nu uw oren |
| om naar Hem te horen! |
| |
| |
| |