| 1
| Hoe komt het, Heer, dat Gij zo verre zijt? |
| Hoe kan het zijn verborgen voor uw blik |
| dat uw vernederd volk verdrukking lijdt? |
| Verwar de trotse in zijn eigen strik, |
| ontstel hem met de dreiging van uw schrik! |
| Hij gaat met zijn hebzuchtig hart te rade, |
| zichzelve roemend, Heer, om U te smaden. |
| 2
| Het gaat hem al te goed. Hij pocht in trots, |
| zijn neus hoog opgestoken in de wind: |
| "Daar is geen God, daar is geen oordeel Gods, |
| niemand vraagt rekenschap van mijn bewind". |
| Het blind geluk heeft ook zijn hart verblind. |
| Gij blijft hem ver, te hoog om te aanschouwen |
| is uw gericht. Niets dat hem kan benauwen. |
| 3
| "Ik sta met mijn geslacht onwankelbaar |
| in eeuwigheid", is wat zijn hart bepeinst, |
| "ik heb me wel beveiligd voor gevaar". |
| Zijn mond is vol bedrog, zijn tong geveinsd. |
| Nooit is hij voor geweld teruggedeinst. |
| Bij de gehuchten, in geheime oorden, |
| schuilt hij om schuldelozen te vermoorden. |
| 4
| Ineengedoken als een leeuw op jacht, |
| zit hij verborgen in het struikgewas, |
| bespiedt zijn prooi met loerend oog en wacht |
| tot hij de arme met zijn sprong verrast. |
| Hij houdt hem in zijn sterke klauwen vast |
| en denkt daarbij: "Geen rechter zal het weten, |
| God ziet mij niet, God zal het wel vergeten". |