| 3
| U dank ik, Heer, in opgetogenheid. |
| Mijn hart verheugt zich over uw bevelen, |
| U wil ik, die de allerhoogste zijt, |
| in alles volgen, niets voor U verhelen. |
| Verlaat mij niet, ik ben U toegewijd, |
| verlaat mij niet, laat in uw gunst mij delen. |
| 6
| O God, ik ben van harte zeer verblijd |
| over de weg van uw getuigenissen. |
| In uw bevelen ligt mijn zaligheid, |
| ik zal mij van uw wegen vergewissen. |
| Ik loof U, die mijn grootste rijkdom zijt, |
| laat mij, o Heer, geen van uw woorden missen. |
| 10
| Ik lig terneer, gekluisterd aan het stof, |
| maak mij dan, Here, naar uw woord weer levend! |
| Mijn wegen heb ik U verhaald, Godlof, |
| Gij hebt geantwoord en mij raad gegeven. |
| Leer mij dan in het licht van het geloof |
| uw wondren zien, naar uw bevelen leven. |
| 11
| Luister hoezeer mijn ziel van kommer schreit |
| en richt mij op en leid mij op uw wegen, |
| doe toch de weg der leugen weg van mij, |
| toon mij uw wet, uw wil, uw zorg, uw zegen, |
| want ik verkies als koers waarachtigheid |
| en overdenk uw woorden wel terdege. |
| 20
| Wanneer ik denk aan uw aloude woord |
| word ik getroost, zo zal ik mij verpozen; |
| maar wie er niet meer naar uw regels hoort, |
| al de verdwaalden, al de goddelozen,- |
| o Heer, ik ben bedroefd, ik ben verstoord |
| over een wereld liggend in het boze. |
| 21
| De wet, o Heer, die Gij aan mij beveelt, |
| is als een lied mij, als een spel van snaren, |
| dat in den vreemde troostend mij omspeelt. |
| Ik loof uw naam in nacht en in gevaren. |
| Uw trouw hebt Gij, o Heer, mij toebedeeld, |
| omdat ik uw geboden blijf bewaren. |
| 26
| Heer, Gij zijt goed, in heel uw wezen goed, |
| en goed voor al uw kind'ren zijn uw daden. |
| Wat mij aangaat, mij heeft de overmoed |
| beticht van leugens en met smaad beladen, |
| maar Gij zijt goed in alles wat Gij doet, |
| van ganser harte ga ik op uw paden. |
| 28
| Uw hand, Heer, heeft mijn leven toebereid, |
| geef mij verstand, dat ik uw wijsheid lere; |
| zij die U vrezen zijn oprecht verblijd |
| dat ik mijn hoop stel op uw woord, o Here; |
| ik weet, uw oordeel is gerechtigheid, |
| trouw is de staf waarmee Gij zult regeren. |
| 33
| Bijna tot niets ben ik teruggebracht, |
| toch heb ik uw bevelen niet vergeten. |
| Richt mij weer op en geef mij nieuwe kracht, |
| uw goedheid, Heer, is immers ongemeten, |
| opdat ik uw geboden trouw betracht, |
| aan allen uw getuigenis doe weten. |
| 35
| Zij blijven naar uw ordinantie staan, |
| hemel en aarde, want zij zijn uw knechten! |
| Ik was allang in al mijn druk vergaan |
| als ik mijn hart niet aan uw wetten hechtte. |
| o Heer, uw woord, uw woord, daar denk ik aan, |
| ik leef slechts door uw wetten en uw rechten. |
| 36
| Ik ben de uwe, Heer, uw bondgenoot, |
| verlos mij toch, ik leef naar uw besluiten. |
| De goddelozen haken naar mijn dood, |
| maar uw verbondstrouw zal hun opzet stuiten. |
| Aan alles komt een eind, hoe schoon, hoe groot, |
| maar, Heer, uw wet gaat elke grens te buiten. |
| 39
| Hoe aangenaam is 't woord van uw verbond, |
| hoe lieflijk klinkt uw wet in onze oren, |
| Ja, zij is mij als honing in de mond, |
| inzicht ontvang ik, door naar haar te horen. |
| Ik zoek uw recht, en haat uit 's harten grond |
| het pad van hen die zich in 't kwaad verloren. |
| 44
| Heer, ondersteun mij, geef mij vaste grond, |
| laat uw beloften heel mijn leven schragen. |
| Beschaam mij niet, ik hoop op uw verbond, |
| bevestig mij, dat mij verlossing dage. |
| Als Gij mij steunt, zal ik te allen stond |
| de vreugde van uw wet in 't harte dragen. |
| 45 |
| Uw banvloek treft wie niet uw woord bewaart, |
| zijn leugentaal keert ledig tot hem weder. |
| Maar ik heb lief al wat Gij openbaart. |
| Gij zuivert d' aard, verdelgt de overtreder. |
| Wanneer uw oordeel door de wereld vaart |
| buig ik, o Heer, mij huiv'rend voor U neder. |
| 47
| Hoe zie ik uit, Heer, naar uw heilig recht, |
| hoe staat uw woord van trouw mij steeds voor ogen. |
| Leer mij doorgronden wat Gij hebt gezegd, |
| wees Gij om mij genadiglijk bewogen. |
| Verleen mij inzicht, dat ik als uw knecht |
| uw wil versta, uw wijsheid kennen moge. |
| 55
| Ik roep van ganser harte, antwoord mij, |
| dat ik mij van uw trouw mag vergewissen. |
| Ik roep met luider stemme, sta mij bij; |
| uw bijstand kan ik, trouwe Heer, niet missen. |
| Verlos mij van de vijand, maak mij vrij, |
| dan onderhoud ik uw getuigenissen. |