| 1
| Gij die hoog verheven zijt, |
| geeft den Here heerlijkheid, |
| geeft des Heren naam de eer, |
| buigt u juichend voor Hem neer. |
| Hoort de grote stem des Heren, |
| alles moet zich tot Hem keren. |
| Machten, die het hoofd opsteken, |
| worden stil als God gaat spreken. |
| 4
| Uit het hart der duisternis, |
| uit de nacht van het gemis, |
| houwt des Heren stem het licht |
| als een vlam, een bliksemschicht. |
| Ja, zijn stem is op de steppe |
| als de winden die zich reppen; |
| als de storm zal Hij verschijnen, |
| beven doet Hij de woestijnen. |
| 5
| Tot in 't diepste van het bos |
| maakt zijn stem de stammen los, |
| plant de echo van het woord |
| zich in dood en leven voort. |
| Ja, zijn stem in storm en regen |
| brengt ontzetting allerwegen. |
| Maar die in zijn huis verkeren |
| zingen luid de lof des Heren. |
| 6
| Boven 't bodemloos geweld |
| heeft de Heer zijn troon gesteld. |
| Hij die zetelt op de vloed, |
| Koning zal Hij zijn voorgoed. |
| Levenskracht zal Hij ons geven, |
| ja, zijn volk zal Hij doen leven. |
| Overvloedig deelt Hij mede |
| voorspoed en geluk en vrede. |
| |
| Terug naar boven |
| |
| |