| 1
| Laat als ik roep mij op U hopen, |
| o God van mijn gerechtigheid. |
| Geef mij uw antwoord, doe mij open, |
| die mij, als ik ben ingesloten, |
| ruim baan maakt en mij weer bevrijdt. |
| Hoe lang zult gij mij blijven smaden, |
| gij groten, door de schijn bekoord? |
| Weet toch: de Here slaat mij gade. |
| Weet dat ik leef van zijn genade. |
| Hij is het die mijn roepen hoort. |
| 2
| Laat niet tot zonde uw geschil zijn, |
| maar zoekt uw vrede voor de nacht. |
| Spreekt tot uw hart en laat het stil zijn, |
| laat wat de Here wil uw wil zijn, |
| schenkt Hem wat Hij van u verwacht. |
| "Wie", zeggen velen, "toont ons 't goede?" |
| Verhef dan uw gelaat, o Heer. |
| Gij maakt het mij zo wel te moede; |
| hebben zij 's werelds overvloeden, |
| uw vrede in mijn hart is meer. |