| 1
| Red mij, o God, het water stijgt en stijgt, |
| ik heb geen vaste grond onder de voeten. |
| Zal ik dan in het niet verzinken moeten, |
| in het moeras des doods, waar alles zwijgt? |
| Ik heb geroepen tot mijn stem 't begaf. |
| Voortdurend heb ik naar U uitgekeken. |
| Het diepe water wordt mij tot een graf, |
| mijn keel is hees, mijn ogen zijn bezweken. |
| 2
| Zij zijn ontelbaar, die uit kwade trouw |
| zonder erbarmen totterdood mij jagen |
| en, zonder recht, voldoening van mij vragen. |
| Gij kent mijn dwaasheid en uw oog ziet nauw. |
| Laat niet te schande worden wie U zoekt, |
| laat niet hun moed versagen mijnentwege |
| en laat uw hoge naam niet zijn gevloekt, |
| o Heer des hemels, hoed mij door uw zegen. |
| 3
| Het is om U dat ik word afgeweerd, |
| om U draag ik het brandmerk van de schande, |
| verbroken zijn de broederlijke banden, |
| de ijver voor uw huis heeft mij verteerd. |
| De smaad van wie U smaadt kwam op mij neer |
| en met de vinger word ik nagewezen. |
| Mijn rouw en tranen keren tot mij weer. |
| In aller oog moet ik verachting lezen. |
| 4
| Tot U, o Heer, tot U is mijn gebed, |
| hoor mij en kom mij met uw hulp te stade; |
| ik smeek U om een stonde van genade, |
| ik heb mijn hart, mijn hoop op U gezet. |
| Houd mij dan vast en wees mij toegedaan, |
| antwoord mij, Heer, Gij wilt mij immers helpen. |
| Wend U tot mij, zie mij barmhartig aan, |
| laat mij niet door het water overstelpen. |
| 5
| Verberg uw aangezicht niet voor uw knecht, |
| bang is het mij te moede, houd mij staande. |
| Gij kent mijn smaad, mijn schande en mijn schaamte, |
| spreek over hen die mij benauwen recht! |
| Nergens is troost en nergens medelij! |
| Gal is mijn spijs, azijn krijg ik te drinken. |
| Kom nader, Heer, en maak mijn leven vrij |
| dat mij het hart niet gans en al ontzinke. |
| 6
| Hun eigen tafel worde tot een strik |
| en tot een val voor al hun disgenoten; |
| doe hen verdolen met hun oog gesloten |
| en doe verduist'ring dalen voor hun blik. |
| Stort, Here God, op hen uw gramschap uit |
| en laat de gloed uws toorns hen achterhalen, |
| hun woonplaats zij aan het verderf gewijd, |
| doe over hun bestaan de schaduw dalen. |
| 7
| Want wie door uw gericht ten dode ging, |
| die wordt tot mikpunt van hun spot genomen. |
| Voeg schuld bij schuld en laat het nimmer komen |
| tot uw genade, uw rechtvaardiging! |
| Laten hun namen worden uitgewist, |
| dat zij niet langer in uw boek ten leven, |
| waarin niet een der uwen wordt gemist, |
| met het rechtvaardig volk zijn opgeschreven. |
| 8
| Maar ik, die diep gebukt ga onder leed, |
| ik zal nochtans uw grote goedheid prijzen. |
| Dat is U liever, Heer, dan eerbewijzen, |
| offers waarmee men voor het altaar treedt. |
| Als uit de afgrond zo uw lof opgaat, |
| dan zal dat uw bedroefden blijdschap geven, |
| daar Gij de onderdrukten gadeslaat. |
| Gij allen die God zoekt, uw hart herleve! |
| 9
| Hemel en aarde, prijst om strijd den Heer, |
| gij grote zee en alle watervloeden. |
| Vrijwaren zal hij Sion en behoeden, |
| in Juda 's lot brengt Hij een ommekeer. |
| Men zal weer wonen in 't beloofde land, |
| een nieuw geslacht vindt daar bij u nieuw leven |
| en Gij zult met een koninklijke hand |
| al wie uw bijzijn zoeken woning geven. |
| |
| Terug naar boven |
| |
| |