| 2
| Mijn uitverkoren knecht, zo spreekt des Heren mond, |
| is David die Mij dient, hem gaf Ik mijn verbond, |
| aan hem en aan zijn huis heb Ik mijn eed gezworen, |
| voorgoed zal uw geslacht de heerschappij behoren. |
| Uw kinderen zal Ik de eeuwen door geleiden, |
| Ik schraag uw troon en rijk tot aan het eind der tijden. |
| 3
| Uw macht bezingen, Heer, de engelen in koor. |
| Het loflied van uw trouw weerklinkt de hemel door. |
| Geen enkel schepsel, Heer, hoe hoog in 't licht gezeten, |
| hoe bovenaards in glans, kan met uw macht zich meten. |
| Ja Gij zijt zo geducht, dat al de hemelingen |
| in eerbied en ontzag uw grote troon omringen. |
| 5
| Hemel en aarde, Heer, 't is alles uw domein, |
| o grond van al wat is, wat was en ooit zal zijn. |
| Gij die de schepper zijt van 't noorden en het zuiden, |
| de Tabor roemt uw naam, de Hermon jubelt luide. |
| De wereld is van U, de wind en de getijden, |
| al wat Gij hebt gemaakt, zal zich in U verblijden. |
| 6
| Wij loven, Heer, de macht van uw verheven hand, |
| uw uitgestrekte arm houdt al uw werk in stand. |
| Gij hebt uw troon gegrond op recht en waarheid beide |
| als pijlers van uw heil, onwrikbaar door de tijden, |
| en als herauten gaan U voor op al uw schreden |
| uw goedheid en uw trouw, O Vorst van onze vrede. |
| 8
| Gij, Here, die de glans van onze sterkte zijt, |
| geeft luister aan uw volk, en hoge heerlijkheid. |
| Uw welgevallen doet ons grote dingen wagen |
| en met geheven hoofd de kroon der ere dragen. |
| Gij Heil'ge Israëls, Gij zelf hebt ons ten leven |
| een koning naar uw wil, een schild van heil gegeven. |
| 9
| Oudtijds hebt Gij, o Heer, uw hoge plan ontvouwd, |
| aan mensen naar uw hart uw woorden toevertrouwd; |
| Met hulp heb Ik omkleed, met heil heb Ik omgeven |
| de koninklijke held, uit al het volk verheven, |
| David mijn trouwe knecht, dien Ik heb uitverkoren, |
| dien Ik met olie zalf, hem zal het rijk behoren. |
| 10
| Mijn hand is hem tot steun, mijn rechter arm zijn kracht. |
| Geen vijand valt hem aan, Ik weer der bozen macht. |
| Ik breek de tegenstand van allen die hem haten, |
| mijn goedertierenheid zal nimmer hem verlaten. |
| Mijn naam die hij belijdt, doet hem tot aanzien komen, |
| zijn hand rust op de zee, zijn kracht beheerst de stromen. |
| 11
| Hij prijst mijn hoge gunst met namen menigvoud; |
| Mijn Vader en mijn God, o rots van mijn behoud. |
| Ik antwoord hem: Mijn zoon, de vorsten zullen beven, |
| mijn eerstgeboren zoon, voor u, zo hoog verheven. |
| Voor altijd rust op hem mijn trouw, mijn welbehagen, |
| Ik houd het vast verbond, Ik zal zijn zetel schragen. |
| 14
| En toch, en toch hebt Gij verstoten en versmaad |
| den koning die Gij zelf gezalfd hebt naar uw raad, |
| toch toornt Gij op uw knecht, hij is van U verstoken, |
| zijn kroon ligt in het stof, zijn sterkte is gebroken |
| Geen wal, geen toren weert de plunderende bende. |
| Het nabuurvolk bespot zijn bittere ellende. |
| 15
| Gij geeft zijn vijand vreugd, hij neemt de overhand. |
| Gij wendt des konings zwaard, zijn leger houdt geen stand. |
| Gij dooft zijn glans die eens zo stralend had geschenen, |
| zijn troon is neergestort, zijn heerlijkheid verdwenen. |
| Gij hebt zijn jeugd verkort, hem overdekt met schande. |
| Ja wat Gij hebt gebouwd, breekt Gij met eigen handen. |
| 16
| Hoelang, hoelang nog, Heer? Verbergt Gij U altijd? |
| Hoelang nog laait het vuur van uw verbolgenheid? |
| Zie hoe vergankelijk, hoe nietig is het leven |
| dat Gij het mensenkind, uw schepsel, hebt gegeven. |
| Wie op de aarde zal de bitt're dood niet proeven, |
| en welke sterveling ontkomt er aan de groeve? |
| 17
| O laat ons, Here God, niet vallen uit uw hand. |
| Doe ook voor ons geslacht uw oude woord gestand. |
| Waar is uw gunst, o God, het heil van lang geleden, |
| aan Davids huis verpand met goddelijke eden? |
| Erbarm U over ons, wil onze smaad gedenken, |
| de hoon waarmee ons thans de grote volken krenken. |
| 18
| Uw vijanden, o Heer, uw vijanden rondom, |
| hoe honen zij uw knecht, o God van David, kom! |
| Het spoor is uitgewist van uw gezalfde koning. |
| Herstel in heerlijkheid het land van melk en honing. |
| Laat Davids zoon de spot der heidenen beschamen. |
| Geloofd zij God de Heer voor eeuwig. Amen, amen. |
| |
| Terug naar boven |
| |
| |