Anne-Mieke Vermeulen
INLEIDING1
In Mei 1994 promoveerde de ex-priester Jos Lensink aan de Rijksuniversiteit van Groningen tot doctor in de Wijsbegeerte. Zijn dissertatie, op basis waarvan hij deze titel kon verkrijgen , draagt de titel: "Het waagstuk van de omvattende rede; het vraagstuk van de metafysica in een ontheiligde wereld."2 Gezien het belang van een goed begrip van de ideeen van de "Marxist" Jos Lensink voor de Nederlandse communistische beweging, heb ik de taak op mij genomen mij door dit proefschrift heen te worstelen.In het onderstaande zal ik - met behulp van de geschriften van Marx, Engels en Lenin - het werk van Lensink, op basis van het historisch en dialectisch materialisme, analyseren en inzichtelijk proberen te maken.
DE VRAAGSTELLING
Zoals de subtitel al aangeeft heeft de vraag die Lensink zich stelt betrekking op de metafysica. Hij vraagt zich af wat metafysica is, wat metafysica heden ten dage (nog) kan zijn en onder welke voorwaarden. Laten we eerst maar eens zien wat Lensink dan wel onder metafysica verstaat. Hij definieert metafysica als: "een steeds op de hoogte van haar tijd gebracht, omvattend-samenvattend weten , en daarmee integrerend-orienterend systematisch weten van de totaliteit als zodanig" (p. 166). Hij noemt dit ook wel "omvattende rede" (p. 1), of "eerste filosofie" (p.1). De centrale vraag in de dissertatie van Lensink is de vraag naar de mogelijkheid en noodzaak van een dergelijk "het zijn omvattend denken" (p. 13)
In alledaags Nederlands gesteld wil Lensink dus weten of het nodig is dat er een denken is dat de hele werkelijkheid (de dingen om ons heen, de materie, het zijn) kent en of dit mogelijk is.
De ware marxist-leninist heeft direct begrepen dat er geen boek van 455 bladzijden tekst en meer dan 200 bladzijden noten voor nodig is om daarop een antwoord te geven, om althans tot een Marxistische; d.w.z. een historisch en dialectisch materialistische conclusie te komen. Lenin verwoordt het als volgt: "het materialistische standpunt: de erkenning van de objectiviteit van de buitenwereld en van de wetten van de uitwendige natuur, waarbij zowel deze wereld als deze wetten voor de mens zeer wel kenbaar zijn, maar nooit door hem tot het einde toe worden gekend."3 In de Anti-Duhring geeft Engels het waarom van deze onmogelijkheid aan, wanneer hij beweert: "Een alomvattend, een en voorgoed afgerond systeem van de kennis der natuur en geschiedenis is in strijd met de grondwetten van de dialectiek"4
Wat Engels en Lenin willen zeggen en bij herhaling hebben beweerd is dus dat het menselijk denken nooit tot een afgeronde, omvattende kennis van de dingen om zich heen (de materie, de wereld, het zijn) kan komen. De reden daarvoor is eenvoudigweg dat alles voortdurend in beweging is en verandert.
Lensink moet dan ook toegeven dat vanuit een materialistisch standpunt nooit zonder meer verdedigd kan worden dat "het denken het zijn omvat"(p. 182-185). Maar hij denkt er wat op te hebben gevonden:
In zijn inleiding (p. 4, 5.) stelt Lensink dat de omvattende rede alleen mogelijk is: "als denken en zijn elkaar wederzijds omvatten". Slechts onder deze voorwaarde kan metafysica wellicht zowel noodzakelijk als mogelijk zijn., want: "noodzakelijk in zoverre begrijpend denken een denken van "zijn" (en niet van niet-zijn) impliceert (zijn omvat denken). Mogelijk inzoverre "zijn" een "gedacht (kunnen) worden impliceert (denken omvat "zijn")" (p. 179). Heeft u het? Lensink zegt dus: Als het waar is dat : alle dingen bestaan onafhankelijk van het denken, terwijl het denken het allemaal omvattend kan kennen, dan is een omvattend weten: a) mogelijk, als "zijn" inhoudt dat het gedacht kan worden en b) nodig als begrijpend denken een denken van het zijn is. Lensink wil onderzoeken of deze veronderstelling houdbaar is. Nou, dat is hij natuurlijk niet. DE STELLING IS ANTI-DIALECTISCH. Het is waar dat als we de wereld, de dingen willen begrijpen, we van de dingen, de materie, het zijn dat om ons heen is uit moeten gaan. Jawel: het zijn omvat het denken. Als "zijn" wil zeggen gedacht kunnen worden is dat op zich waar. Tenminste als Lensink er mee bedoeld dat we door de ervaring van de praktijk alle dingen om ons heen kunnen leren kennen. Wat echter niet waar is is dat dit kennen omvattend zou kunnen zijn. DE DIALECTIEK wordt dan voor het gemak maar even BUITEN BESCHOUWING GELATEN.
In zijn definitie maakt Lensink bovendien het voorbehoud van een omvattend-integrerend weten "op de hoogte van haar tijd" maar wat moeten we ons dan toch voorstellen bij dit weten op de hoogte van haar tijd? Lensink legt het ons uit: "..wijs ik hiermee op haar (de metafysica) ontvankelijkheid voor de in de tijd veranderende wereld, in het bijzonder de ontwikkeling van (wetenschappelijke) kennis. (Het program van de metafysica dient steeds het omvattend-samenvattend weten van haar tijd te zijn)" (p. 166). Lensink bedoelt met dit "op de hoogte van haar tijd" dus: binnen de grenzen van het kennisniveau van de tijd. Zo dacht men vroeger dat de aarde plat was. De "kennis" van die platte aarde was dan zeker het omvattend weten op de hoogte van die tijd. Zo lusten we er nog wel een, mijnheer Lensink. Een dergelijk weten is immers niet omvattend, maar juist beperkt door de ontoereikende kennis van die tijd. Lensink suggereert met dit deel van zijn definitie dat hij de dialectiek in zijn metafysica heeft opgenomen. Onze ex-priester heeft blijkbaar niets begrepen van de marxistische dialectiek en is daarmee feitelijk juist anti-dialectisch. Immers: doordat alles voortdurend in verandering is, is een omvattend weten niet mogelijk. Of laten we liever Lenin aan het woord: "In de materialistische dialectiek van Marx en Engels ligt onvoorwaardelijk het relativisme besloten, maar zij is daar niet toe gereduceerd, d.w.z zij erkent de betrekkelijkheid van onze hele kennis, niet in de zin van de ontkenning van de objectieve waarheid. 5 maar in die zin dat de grenzen van de benadering van onze kennis van die waarheid historisch bepaald is"6 En verder met betrekking tot wat die objectieve waarheid is: "De enige conclusie die men uit de door de marxisten verkondigde opvatting, dat de theorie van Marx objectieve waarheid is kan trekken is het volgende: gaande langs de weg van de theorie van Marx komen wij steeds nader en nader tot de objectieve waarheid (zonder haar ooit uit te putten); langs iedere andere weg kunnen wij echter tot niet anders komen dan tot verwaaring en onwaarheid"7
Misschien dat de huidige student (die gedwongen is zijn studie in vier jaar af te ronden en die vaak naast zijn studie moet werken om deze te financieren, waardoor hij nog minder tijd heeft zich door uw troebele Nederlands te worstelen) uw onzin slikt om zijn studiepunten tijdig binnen te halen. Marxisten-Leninisten laten zich door uw drogredeneringen niet om de tuin leiden. We kunnen dus al direkt vaststellen dat ofwel Lensink het niet heeft over een omvattend weten en dus niet over metafysica (immers uit bovenstaande blijkt dat een omvattend weten nooit bereikt kan worden, waardoor Lensink met zichzelf in tegenspraak raakt) ofwel dat ook DE METAFYSICA ZOALS HIJ DIE DEFINIEERT ANTI-DIALECTISCH IS.
LENSINK CONCLUDEERT
Nu heeft Lensink nog niet beweerd dat hij dit metafysische standpunt ook inneemt. We zullen onze doctor dan ook nog wat langer serieus nemen. Zijn proefschrift was immers slechts een (zij het voor een marxist zeer merkwaardige) zoektocht naar de mogelijkheid en noodzaak van een dergelijke metafysica. Op deze plaats kan al vast verklapt worden dat ook Lensink er na jaren studie en schrijven niet is uitgekomen. In zijn conclusie: "..blijkt overigens opnieuw hoezeer het vraagstuk van de eerste filosofie (= de metafysica volgens Lensink; p 1.) een onafsluitbare, niet af te ronden opgave is en in zoverre een open kwestie blijft." (p. 453) Ondanks dat blijft hij toch een mogelijkheid zien voor de metafysica als wetenschap. Lensink redeneert dus zoals de man die blijft zaaien op de rotsen ook nadat hij heeft geconstateerd dat dit geen oogst opleverde. Voorwaarde voor metafysica als wetenschap is dat de hypothese wordt uitgewerkt dat "theoretische compatibiliteit (verenigbaarheid, overeenstemming AV) van het materialistische en het speculatieve principe (het onderscheid dat de mens als denkend wezen maakt tussen denken en zijn, waarbij de mens zichzelf als denkend wezen onderscheid van de hem omringende wereld AV) in beginsel mogelijk lijkt", want: "De mogelijkheid van filosofie als eerste filosofie, dat betekent van metafysica als wetenschap, staat of valt....met de legitimiteit van het speculatieve principe). Alleen krachtens dit principe immers is filosofie als (omvattend) systeem mogelijk. En de systeemgedachte, i.c. veronderstelling van een zich sluitend geheel is in ieder geval noodzakelijke voorwaarde voor (eerste) filosofie als wetenschap". (p. 453)
Laten we dr. Lensink zijn filosofisch jargon vergeven, de man is immers "wetenschapper"! Laat ons ook heenstappen over zijn ingewikkelde zinsconstructies, hij heeft immers niet voor "de gewone man" geschreven en in sommige academische milieus wordt mystificerend taalgebruik wellicht beoordeeld als uiting van intelligentie! Nee laten we gewoon in normaal Nederlands omschrijven wat de goede man nu eigenlijk zegt: Als de filosofie een wetenschap wil zijn, zegt Lensink, dan moet het een afgerond denksysteem zijn8 . Het kan, zo beweert hij, alleen een afgerond denksysteem zijn, als het onderscheid dat de mens maakt tussen denken en zijn (het speculatieve principe), ook een werkelijk onderscheid is. Als dit speculatieve principe met het materialistische principe, (waarbij de materie, het zijnde, de wereld het primaat is), in overeenstemming kan worden gebracht, dan is er volgens Lensink een mogelijkheid dat de metafysica wetenschap kan zijn. (Overigens is Lensink hierin niet uniek. Voor hem probeerden de Machisten reeds het idealisme en het materialisme te vermengen. In zijn werk "Materialisme en empiriocriticisme" bestreed Lenin hen fel.) Wederom toont Lensink hier zijn ANTI-DIALECTISCHE OPVATTING. Hieronder zullen we zien dat juist dit speculatieve principe, (voor Lensink de voorwaarde om te kunnen komen tot een omvattend systeem) de achilleshiel van Lensink zijn redenering is en geenszins houdbaar.
DE REDENERING
Laten we eens nader uitpluizen hoe Lensink tot zijn conclusie is gekomen. Hij stelt dus dat de filosofie, als het een wetenschap wil zijn, een denksysteem moet zijn met een begin en een eind. Dit kan alleen maar, zo argumenteert hij, als het idee (van het omvattend denken) uitgangspunt van de filosofie kan zijn. Het idee kan alleen maar uitgangspunt zijn als het in overeenstemming gebracht kan worden met het materialisme.
Nadrukkelijk maakt Lensink onderscheid tussen het uitgangspunt (begin) van de filosofie en het principe (beginsel, grondslag).(p.386) Als we tot een omvattend weten willen komen, zo zegt hij, dan moeten we dat omvattende weten als idee stellen, maar we moeten ons er van bewust zijn dat het idee slechts een idee, dus schijn is, dat de materie, de wereld, de werkelijkheid de waarheid is. Als we nu maar stellen dat het idee van een omvattend kennen van de wereld eigenlijk schijn is, dan is het dus veroorloofd de omvattende rede te denken en kan deze wellicht in overeenstemming worden gebracht met de werkelijkheid. In feite is het onderscheid tussen uitgangspunt en principe natuurlijk slechts een taalkundige truc om ons zand in de ogen te strooien en het idealisme te verhullen. Immers of je nu uitgaat van een idee en daar je systeem op bouwt of dat het systeem gebaseerd is op een principe is slechts een gradueel verschil. Bij het eerste kun je weliswaar je idee aanpassen, maar het komt bij een spekulatieve benadering nooit boven de abstractie uit.
Volgens Lensink zou nota bene Marx dit speculatieve principe gered hebben uit Hegels filosofie en het op materialistische grondslag hebben overgenomen en nog wel met het doel: "vast te houden aan het metafysisch program van de discursieve (logische, beredeneerde A.V.) verklaring van de totaalsamenhang" p. 394. (overigens beperkt zijn bronverwijzing in deze tot een noot die verwijst naar zijn promotor Hans Heinz Holz.) Laten we dus zelf maar eens kijken wat Marx hierover heeft gezegd.9 (Onderstrepingen en hoofdlettergebruik in de teksten van Marx zijn van mij, AV)
"Het positieve dat Hegel hier heeft volbracht - met zijn spekulatieve logica - is dat de bepaalde begrippen; de algemene vaste denkvormen in haar zelfstandigheid tegenover natuur en geest; een noodzakelijk resultaat zijn van algemene vervreemding van het menselijk wezen, dus ook van het menselijk denken en dat Hegel ze daarom als momenten van het abstraktieproces heeft voorgesteld en samengevat".
Dus: Bepaalde denkvormen zijn het noodzakelijke resultaat van vervreemding. Hegel vat ze samen en stelt ze voor als momenten van het abstraktieproces.
"Bijvoorbeeld het opgeheven zijn is het wezen, het opgeheven wezen is begrip, het opgeheven begrip ...het absolute idee. Maar wat nu is dit absolute idee? Zij heft zichzelf weer op wanneer zij niet opnieuw, van voren af aan de hele abstrahering wil doormaken en zich er mee tevreden wil stellen dat zij een totaliteit van abstracties of de zichzelf omvattende abstractie is."
Dus: de absolute idee is de ultieme abstractie.
"Maar de abstractie die zichzelf als abstractie begrijpt weet dat zij niets is; zij moet zich zelf prijsgeven en komt zo uit bij een wezen dat reeds haar tegendeel is, bij de natuur. De gehele logika is derhalve het bewijs dat het abstracte idee op zich niets is, dat pas de natuur iets is.
Dus: De abstractie op zich is niets, de natuur is iets
"Weinig woorden zijn voldoende om de spekulatieve constructie in haar algemeenheid te karakteriseren. ( ) Als ik me, uitgaande van werkelijke appels, peren, aardbeien, amandelen, de algemene voorstelling "vrucht" maak; als ik verder ga en me inbeeldt dat mijn - vanuit werkelijke vruchten verkregen - abstrakte voorstelling van "de vrucht" een buiten mij bestaand wezen, zelfs het ware wezen van de peer, de appel enz. zou zijn, dan zou ik - spekulatief uitgedrukt - verklaren dat "de vrucht " "de essentie" van de peer, de appel, de amandel enz. zou zijn...........Mijn uiteindelijke, door de zintuigen gesteunde verstand onderscheidt weliswaar een appel van een peer en een peer van een amandel, maar mijn spekulatieve rede verklaart deze zintuigelijk waarneembare verschillen als onbelangrijk en niet ter zake.........De bijzondere werkelijke vruchten worden noch slechts beschouwd als schijnvruchten, waarvan het ware wezen "de essentie", "de vrucht" is.......
De spekulatie, die uit de verschillende werkelijke vruchten ‚‚n "vrucht" van de abstractie heeft gemaakt - dit "vrucht" genoemd heeft, moet dus om van de schijn tot een werkelijke inhoud te geraken, op de een of andere manier proberen van de "vrucht", van de essentie weer te komen tot de werkelijke verschillende profane (wereldse) vruchten, om terug te komen bij de appel, de peer en de amandel enz. Zo eenvoudig als het is om van de werkelijke vruchten te komen tot de abstrakte voorstelling van "de vrucht", zo moeilijk is het om van de abstrakte voorstelling van "de vrucht" te komen tot de werkelijke vruchten. Het is zelfs onmogelijk om van een abstraktie tot het tegendeel van de abstraktie te komen, indien ik de abstraktie niet loslaat.
De spekulatieve filosofie laat daarom de abstraktie van de "vrucht" weer los, maar op een spekulatieve mystieke manier, namelijk met de schijn alsof hij haar niet opgeeft. HIJ GAAT DAAROM OOK DAADWERKELIJK SLECHTS SCHIJNBAAR BOVEN DE ABSTRAKTIE UIT....... Het voornaamste belang voor de spekulatieve filosoof is er dus in gelegen het bestaan van de werkelijke, profane vruchten voort te brengen en op geheimzinnige wijze te zeggen dat er appels, peren, amandelen en rozijnen zijn. Maar de appels, peren, amandelen en rozijnen die wij in de spekulatieve wereld terugvinden zijn nog slechts schijnappels, schijnperen, schijnamandelen en schijnrozijnen, want zij zijn momenten in het leven van "de vrucht".....Het is duidelijk dat de spekulatieve filosoof deze voortdurende schepping slechts tot stand brengt doordat hij algemeen bekende eigenschappen van de appel en de peer, zoals die in de werkelijkheid aangetroffen worden, naar voren schuift als door hem uitgevonden bepaaldheden, waarbij hij aan datgene wat alleen het abstrakte verstand kan scheppen de namen van de werkelijke dingen geeft; doordat hij uiteindelijk zijn eigen werkzaamheid waardoor hij van de voorstelling van de appel overgaat naar de voorstelling van de peer, verklaart als de zelfwerkzaamheid van het absolute subjekt, "de vrucht"10
In de gedachtengang van Marx vallen een aantal zaken op:
WAAR LENSINK AFWIJKT.......
Volgens Marx zijn abstracties (het idee van Lensink) inderdaad een noodzakelijkheid in het menselijk denken. Zij zijn echter het gevolg van vervreemding van de mens en zijn denken van de werkelijkheid, de wereld om hem heen. Marx ziet dus blijkbaar het spekulatieve principe, (de in zijn denken zich van zijn omgeving onderscheidende mens en het in diens denken gemaakte onderscheid tussen denken en zijn) als vervreemding. Natuurlijk, immers het menselijk denken staat niet los van de mens als wezen, de mens als deel van de wereld om hem heen. Deze wereld, het zijn, de maatschappij beĐnvloed de mens en het menselijk denken dan ook en viceversa. De ideeen die de mens zich vormt worden dus mede bepaald door de plaats die hij inneemt in het geheel. Ofwel in de woorden van Engels: "Vraagt men echter verder wat dus denken en bewustzijn zijn, dan vindt men dat het produkten van het menselijk brein zijn en dat de mens zelf een natuurprodukt is dat zich in en met zijn omgeving ontwikkeld heeft"11 en Lenin: "De materialistische opheffing van het "dualisme tussen geest en lichaam" (d.w.z. het materialistische monisme) bestaat hierin, dat de geest niet onafhankelijk van het lichaam bestaat, dat de geest het secundaire, een funktie van de hersenen en een weerspiegeling van de buitenwereld is"12
Lensink wil echter kost wat kost de idee handhaven, weliswaar niet als principe van de filosofie, maar dan toch als uitgangspunt. Voor iemand die wil komen tot een omvattend weten terecht, want zonder abstract idee van het totaal, de wereld, kan dit alles natuurlijk niet omvattend gedacht worden. Lensink laat de mogelijkheid open dat als we het abstracte idee als schijn ontmaskeren en een juiste manier vinden om dit theoretisch terug te koppelen naar de werkelijkheid, dat dan een omvattend weten mogelijk moet zijn.
.......EN IN DE FOUT GAAT
De filosofische inspanning die Lensink heeft trachten te ondernemen lijkt misschien een wetenschappelijke uitdaging en zal dat voor burgerlijke filosofen en als krachtmeting met het eigen denken waarschijnlijk ook zijn. Zoiets als: Is mijn verstand in staat een constructie uit te denken waarbij ik aannemelijk kan maken dat het voor de mens mogelijk is de materie, de wereld, het zijn, omvattend te kennen. Kan ik aannemelijk maken dat het denken het zijn kan omvatten.
Lensink negeert echter stelselmatig het meest fundamentele van het marxistische materialisme; namelijk DE DIALECTIEK. Hij is als iemand die stelt dat de aarde stilstaat, terwijl hij weet dat hij rondraait en meent zo toch tot een correct inzicht in het zonnestelsel te kunnen komen. Hij begint al met de foute vooronderstelling dat een omvattend denken mogelijk zou kunnen zijn. Hij tracht hieraan te ontkomen door te spreken van 1) een wederzijds omvatten van denken en zijn en 2) een omvattend-integrerend weten op de hoogte van haar tijd, dat we eenvoudig als anti-dialectisch konden ontmaskeren. Engels zegt: Feitelijk is en blijft ieder gedachtenbeeld van het wereldsysteem objectief door de historische toestand.... beperkt" De mogelijkheid van een wederzijds omvatten van denken en zijn staat of valt met de mogelijkheid van het onderscheid tussen denken en zijn (het discursieve principe), dat we met behulp van Marx, Engels en Lenin eenvoudig hebben weten te ontmaskeren. En Engels vervolgt: "en (feitelijk blijft ieder gedachtenbeeld van het wereldsysteem)subjectief door de lichaams- en geestesgesteldheid van degene die zich het beeld vormt, beperkt."13 en Marx zegt: "Het is.......hun maatschappelijke zijn dat hun bewustzijn bepaald"14
En van dit laatste is Lensink een levend voorbeeld. Als ex-priester, als filosoof gepromoveerd aan een burgerlijk, kapitalistisch instituut, is hij niet in staat gebleken te ontkomen aan een hang naar de omvattende rede. Kost wat kost probeert hij dit verlangen in overeenstemming te brengen met wat van de marxist die hij beweert te zijn wordt verlangd, maar hij slaagt daarin niet en ontpopt zich zelfs als idealist. Omdat hij de dialectiek negeert is hij niet in staat tot het enige juiste marxistische antwoord te komen, namelijk dat de omvattende rede, de metafysica, de eerste filosofie onmogelijk is! Hij neme de woorden van Engels ter harte die zegt: "De langs deze weg en voor de enkeling onbereikbare "absolute waarheid" laat men varen en tracht in plaats daarvan de bereikbare, relatieve waarheden te vinden door middel van de positieve wetenschappen en de samenvatting van hun resultaten met behulp van het dialektische denken. Met Hegel wordt de filosofie tenslotte afgesloten; enerzijds omdat hij haar gehele ontwikkeling in zijn systeem op schitterende wijze samenvat, anderzijds omdat hij ons, zij het ook onbewust, uit deze doolhof van systemen de weg wijst naar de werkelijk positieve kennis van de wereld"15
Als een redenering uitgaat van een fout, vooropgezet idee, dan is alles wat daaruit volgt ook fout. Wie wil streven naar een alles-omvattend weten, terwijl hij van tevoren kan weten dat dat geen ree‰le optie is; als hij in plaats van zich bewust te zijn van de permanente dialectiek: tussen maatschappij en bewustzijn, tussen produktiekrachten en produktie-verhoudingen, tussen kapitaal en arbeid, dan zal hij nooit de dialectiek van de klassestrijd kunnen begrijpen. Als hij in plaats van dit alles maar blijft zoeken naar het omvattend weten, dan zal hij nooit de arbeidersklasse ten dienste kunnen zijn, maar gebiologeerd door metafysisch navelstaren zijn tijd verdoen. Intussen zijn onder de SW-bedrijven de Groningse Synergon-bedrijven er bijzonder slecht aan toe. De SW-ers hebben de hulp en solidariteit van echte marxisten hoognodig.
1) naar citaten uit de dissertatie van Jos Lensink wordt in de tekst steeds verwezen. De paginanummers tussen haakjes verwijzen naar de pagina's in het proefschrift.
2) Jos Lensink; Het waagstuk van de omvattende rede, het vraagstuk van de metafysica in een ontheiligde wereld; Kok Agora; Kampen; 1994; ISBN 90 391 0582 0, te raadplegen in Universitaire Bibliotheken, die overigens voor iedereen toegankelijk zijn.
3) W. I. Lenin; Materialisme en empiriocritisisme; kritische opmerkingen bij een reactionaire filosofie p. 214; Progress; Moskou z.j.
4) F. Engels; Anti-Duhring, de heer Eugen Duhrings omwenteling van de wetenschap p. 37; Progress; Moskou 1978
5) N.B. objectieve waarheid is iets anders dan absolute waarheid; de eerste is aan verandering onderhevig, de tweede niet.
6) W. I. Lenin; Materialisme en empiriocritisisme; kritische opmerkingen bij een reactionaire filosofie p. 152/153; Progress; Moskou z.j.
7) W. I. Lenin; Materialisme en empiriocritisisme; kritische opmerkingen bij een reactionaire filosofie p. 160; Progress; Moskou z.j.
8) Het marxistische historisch en dialectisch materialisme is geen afgerond systeem (wat dogmatisme in de hand zou werken), maar een methode. In Lensink zijn ogen dan ook geen wetenschap?*
9) Kritik der Hegelschen Dialektik und Philosophie uberhaupt; Okonomisch-philosophiosche Manuskripte (1844); MEW; Erganzungsband: Schriften bis 1844; Dietz Verlag Berlijn; 1974; p.585
10) 2. Das Geheimnis der Spekulativen Konstruktion; Die Heilige Familie V. Kapitel; MEW deel 2; Dietz Verlag; Berlijn 1974; pp. 59 t/m 62.
11) F. Engels; Anti-Duhring, de heer Eugen Duhrings omwenteling van de wetenschap p. 39; Progress; Moskou 1978
12) W. I. Lenin; Materialisme en empiriocritisisme; kritische opmerkingen bij een reactionaire filosofie p. 99; Progress; Moskou z.j.
13) F. Engels; Anti-Duhring, de heer Eugen Duhrings omwenteling van de wetenschap p. 40/41; Progress; Moskou 1978
14) K. Marx; voorwoord bij Bijdrage tot de Kritiek op de Politieke Economie; Pegasus; Amstewrdam 1979; p. 7
15) F. Engels; Anti-Duhring, de heer Eugen Duhrings omwenteling van de wetenschap p.19;Progress; Moskou 1978