|
EEN
MODDERSPUWEND RELAAS
Door
Frank Ho
Thom Hoffman
verwoordde op wel zeer pregnante wijze een discussie zoals die in de achterhoede
al sinds jaar en dag over Elvis gevoerd wordt. Natuurlijk behoeft de persoon
Elvis geen postume verdediging. Maar hij is tevens een begrip waarover
veel te zeggen valt. Dus werd het een tango tussen irritatie en opperste
verbazing.
Minachting, dure woorden en de Van Dale binnen handbereik. Het
interview van journalist Rob van Scheers met Thom Hoffman, in het boek
Elvis in Nederland, bleef aanvankelijk hangen als een hinderlijk
rondzingen in mijn hoofd. Het relaas van Hoffman zegt namelijk meer over
de behoefte voor vol aangezien te worden dan over de muziek, en uiteindelijk
minder over Elvis dan over zichzelf en geestverwanten. Hoffman, die zich
ogenschijnlijk beschouwd als exponent van een vrijgevochten intellectuele
klasse, roept sferen op van onversnedenheid en recht voor zn raap;
althans, dat poogt hij. De houding die hij blootlegt is die van het benadrukken
van vijandige taboes, om aan de onderlinge status-quo woordloos trouw
te zweren. Hier spreekt een stroming van creatieve geesten, die zich onder
meer als criticaster van Elvis sterk heeft geprofileerd in de richting
van de vrije jazz. Een schijnbaar eeuwigdurende bloedgroepenstrijd waarmee
een kleine, maar betrekkelijk invloedrijke maatschappelijke klasse, zich
meent te verheffen boven het modegevoelige voetvolk.
Pardon,
vraagt de Elvisfan zich af, waar hebben we het in godsnaam over?
Welnu, Thom Hoffman opent
zijn modderspuwend relaas met de tegenstelling tussen hem zoon
van een tandarts uit Wassenaar en zijn vroegere werkster uit Katwijk.
Twistpunt: Elvis Presley. Zij, een overtuigd Elvisfan die haar idool reeds
begin jaren zestig The King noemde, en hij die daar helemaal
niets van begrijpt, integendeel geen goed woord overheeft voor die hamsterkop.
De Beatles waren nieuw, aldus Hoffman,
en Elvis zo pijnlijk ingehaald door de tijd.
HET CULTUREEL
GEWETEN
Het aplomb waarmee Hoffman
zich uitspreekt tegen het Elvisgevoel is fascinerend. Het is vergelijkbaar
met de fascinatie zoals die soms kan ontstaan voor boodschappers van de
Evangelische Omroep; verbijstering over de stelligheid van een overtuiging,
gebracht als een baar van kennis waardoor de toehoorder zich ineens volkomen
aan de verkeerde kant van de waarheid lijkt te bevinden. Maar Hoffman
prikkelt oneindig meer, juist omdat hij een stroming vertegenwoordigt
van mensen die zich beschouwen als vrijdenkers met het patent op elke
vorm van originaliteit. Hier, zo schijnt het, spreekt het culturele geweten
van de samenleving.
Met die bagage trok Hoffman
twee jaar na Elvis dood, met vriendenclub naar de Engelenbak in
Amsterdam. Daar deed hij zijn voorstudie voor DJ Cowboy uit Naar
de klote!. Hier imiteerde hij Elvis. Het thema was: verval. Als imitator
ironiseerde hij de pathos van de echte Elvis, want, de hele Amerikaanse samenleving vroeg erom geparodieerd
te worden. Dat gegeven voorzag zijn minachting voor
Elvis van de nodige legitimiteit, en - terwijl de punk eindelijk kon doorbreken
- werd gemakshalve vergeten dat geen volk zichzelf zo goed weet te parodieren
als juist de Amerikanen. Elvis was hierin een kind van zijn volk, als
geen ander in staat om zichzelf te spelen en zijn populariteit, door een
mengeling van zelfspot en ironie, tot de legende te maken die hem uiteindelijk
vermorzeld heeft. Door journalist Van Scheers handig uitgebuit of niet,
maar al snel lijkt het alsof de smaak van bloed, Hoffman doet spinnen
van genot. Met stijgende genoegzaamheid declameert hij zijn weerzin.

Connie Palmen, elders in het
boek geïnterviewd, toont in haar uiteenzetting meer werkelijkheidszin
door te stellen dat het een vergissing
is dat vertegenwoordigers van de zogenaamde high culture niet de heiligheid
hebben ingezien van de banale dingen, van de trivialiteit. De trivia zijn
een gegeneerd gebied, behalve dan in Amerika(
).
Zij legt ook accent op het meesterschap van Elvis, waardoor hij zijn low
culture aspect met zijn artistieke gave kon laten samensmelten.
Ondertussen domineert bij Hoffman vooral het gegeneerde klimaat, en beklemtoont
hij zijn aversie door Elvis te kenschetsen als: de ultieme belichaming
van de leegheid van roem. Wat Hoffman echter het sterkst benadrukt is
zijn eigen culturele blauwdruk, zonder in te zien dat juist Elvis met
zijn overrompelende schaamteloosheid, de grenzen tussen high en low culture
definitief naar de schroothoop heeft gezongen: You aint nothin
but a Hound Dog, cryin all the time. (Well, you aint never
caught a rabbit and you aintt no friend of mine). Weergaloos,
vanuit het ghetto opgestoomd dwars door alle lagen van de bevolking. Waarmee,
zeker achteraf gezien, high culture als pose net zo achterhaald is als
John en Yoko in Amsterdam Hilton.
Voor Hoffman blijkt ook de
house-scene een interessant gebied, omdat door de totale depersonalisatie
van deze muziek de vervlakking door het ego onmogelijk is geworden, en
Elvis als koning van de kitsch nu eenmaal een voorbeeld is van het verlies
aan authenticiteit. Zo bezien is house misschien
wel de jazz van de jaren negentig: eerst de muziek. Alsof
jazz zonder de veelal excentrieke kopstukken, zowel nu als in het verleden,
ook maar een moment de moeite waard zou zijn geweest! Wat bezielt toch
die zogenaamde kenners van het culturele ruggenmerg, om zich zo ongenuanceerd
en platvloers op hun objecten van kritiek te storten? Waarom drammen deze
dragers van het culturele geweten zolang door dat men wel moet gaan twijfelen
aan de vanzelfsprekendheid van hun gelijk? Waar zit toch de angel die
deze klasse heeft geknecht, met een gif dat hen juist de illusie van vrijheid
bracht? En waarom is juist voor hen de jazz zo heilig?

ADELDOM
EN JAZZ
De Hoffman-klasse is een klasse
die geleerd heeft dat hetgeen wij niet verklaren kunnen, het overwegen
niet waard is. Een kwestie van cognitieve arrogantie, gesterkt door
de overtuiging dat zij veel, zo niet alles weten. Het begrip authenticiteit
wordt hier gelanceerd wanneer de legitimiteit van een dergelijk predikaat
in eigen kring voldoende is afgetast. Hier heerst de terreur van het begrip
dat artistieke vrijheid heet. Binnen deze contreien is Elvis icoon van
de archetypische platheid, zoals Hoffman het zo plastisch uitdrukt. Een
compliment bijna. Elvis als bedreigend icoon, in die zin dat houden
van Elvis voorgoed de deur dicht slaat naar het soort adeldom waarmee
men zich hoopt te onderscheiden. Die verhevenheid trachtte men in het
grijze verleden vooral te vinden in de jazz-scene, hét voertuig voor de
intelligentsia om op verantwoorde wijze uit het spreekwoordelijke dak
te gaan. Een inmiddels toch vrij fossiele queeste die, Thom Hoffman indachtig,
kennelijk nog steeds actueel is.
Mede door de scherpslijpers
van het cultureel ideaal werd jazz dan ook één van de meest misbruikte
stromingen die in de muziek denkbaar is. Hele volkstammen zijn in de jaren
zeventig meegelift op het aureool van ruimdenkendheid en authenticiteit.
Terwijl jazz, voor de bewierookten zelf, in wezen niets meer was dan een
ultieme vorm van muzikale zelfexpressie. Expressie overigens die qua intensiteit
ook aan blanke artiesten, die zoals Elvis aan de zelfkant van de samenleving
zijn opgegroeid, een onverwoestbare artistieke bodem heeft verleend. Niettemin
werd de destructieve cultuur van het zwarte muzikantenleven, het misbruik
door blanke platenbonzen, de drank en de pillen, door menig zoeker geromantiseerd
tot een heilig stigma van bevrijd muzikantendom, waarbij hun ellende werd
vertaald als een vorm van onthechting die griezelig calvinistisch aandoet.
Als de integriteit van artiesten ergens door egos van buitenaf werden
uitgehold en verkracht, dan was het wel in de jazzwereld. De grondleggers
zijn dan ook grotendeels gesmoord in hun eigen ellende. Voor de purist
waren zij als Jezus aan het kruis, en dat in het zwart, dus dubbel raak
bullseye om zo te zeggen. En aan het kruis moesten ze vooral
blijven want daar kreeg de muziek diepgang van. Nee, zo gemakkelijk gaat
de vaderlandse cultuur niet overboord, zelfs niet bij verwoede pogingen
om het oude te overstijgen. Al met al lijkt deze irreële benadering van
de zelfkant in het muzikale spectrum toch vooral te komen van hen aan
wie het goede nooit ontbroken heeft.
Ironisch eigenlijk, want wie
ironiseert nu eigenlijk wie? En was het dan toch de werkster uit Katwijk,
met haar ongecompliceerde liefde voor de muziek van Elvis, die wezenlijk
iets gevoeld heeft? Terwijl Hoffman zijn Beatles slechts leende voor het
volproppen van een alter ego waarmee hij het Echte tevergeefs najoeg -alle
verhitte discussies met zijn schoonmaakster ten spijt?
INTELLIGENTIE
Nergens zozeer als in de oer-Hollandse high culture, het Staphorst
van de hogere moraal, is de intelligentie van Elvis een item geweest.
Het is wederom een staaltje van totemisme, waarbij een sociale groep zichzelf
verheft door de gedragscodes van een groep met minder sociale status te
laten corresponderen met de getallen op de intelligentieschaal.
Voor Hoffman gaat Elvis de
geschiedenis in als de mannelijke tegenpool van Marilyn Monroe: "Het
zijn barbiedolls, je hebt Barbie en je hebt Ken en hij is Ken en zij Barbie.
Gecreëerde sekssymbolen, die er zelf in zijn gaan geloven. Al denk ik
eerlijk gezegd dat Marilyn nog meer hersens had dan Elvis en zijn doodgeboren
tweelingbroer Jesse bij elkaar".
Een citaat dat doet verlangen
naar een laatste ronde. Een ronde die besluit met woorden van de wereldvermaarde
choreograaf Hans van Manen, uitgesproken in hetzelfde boek: Elvis in Nederland.
"Zelf
heb ik in Amerika vaak met open mond van verbazing naar die zwarte rappers
staan kijken, die maken met gemak twintig rondjes op hun kop. En Mick
(Jagger) vind ik goed, die heeft net als Elvis een totaal eigen idioom
soms op het krankzinnige af. Zelfs als choreograaf vraag ik mij
af: waar halen ze het in godsnaam vandaan? Daarmee onderscheiden de echte
talenten zich onmiddellijk van alle wannabees. Wat je na het zien van
deze beelden realiseert: door al die halfbakken imitators zijn we vergeten
hoe goed Elvis zelf was. Elvis heeft zijn tijd doorstaan, dat pleit enorm
voor hem."
Elvis Links
HOmepage

© Frank Ho

Dit artikel
verscheen eerder in "Its Elvis Time"
NOVEMBER-DECEMBER-JANUARI
1997/98


Enkele quotes van Thom Hoffman:
Marilyn heeft nog meer hersens dan Elvis en zijn doodgeboren
tweelingbroer bij elkaar.
Elvis versus Jagger, dat is Amerika tegen Europa en ik vind
dat Amerika dat verliest.
Zorgvuldig geconcipieerd imago, dat ons repetitief wordt opgedrongen
Zo liet ik mijn camp-Elvis de pathos van de échte ironiseren
Dramatische handjes, knikkende knietjes
Belichaming van leegheid van roem
Archetypische platheid
Hamsterkop
Barbydoll
|