Terug naar index

CAMP UIT WASSENAAR

"Zo liet ik mijn camp-Elvis de pathos van de échte ironiseren"

crown.gif (272 bytes)EEN MODDERSPUWEND RELAAScrown.gif (272 bytes)

Door Frank Ho

Thom Hoffman verwoordde op wel zeer pregnante wijze een discussie zoals die in de achterhoede al sinds jaar en dag over Elvis gevoerd wordt. Natuurlijk behoeft de persoon Elvis geen postume verdediging. Maar hij is tevens een begrip waarover veel te zeggen valt. Dus werd het een tango tussen irritatie en opperste verbazing.

foto49.jpg (41497 bytes)Minachting, dure woorden en de Van Dale binnen handbereik. Het interview van journalist Rob van Scheers met Thom Hoffman, in het boek Elvis in Nederland, bleef aanvankelijk hangen als een hinderlijk rondzingen in mijn hoofd. Het relaas van Hoffman zegt namelijk meer over de behoefte voor vol aangezien te worden dan over de muziek, en uiteindelijk minder over Elvis dan over zichzelf en geestverwanten. Hoffman, die zich ogenschijnlijk beschouwd als exponent van een vrijgevochten intellectuele klasse, roept sferen op van onversnedenheid en recht voor z’n raap; althans, dat poogt hij. De houding die hij blootlegt is die van het benadrukken van vijandige taboes, om aan de onderlinge status-quo woordloos trouw te zweren. Hier spreekt een stroming van creatieve geesten, die zich onder meer als criticaster van Elvis sterk heeft geprofileerd in de richting van de vrije jazz. Een schijnbaar eeuwigdurende bloedgroepenstrijd waarmee een kleine, maar betrekkelijk invloedrijke maatschappelijke klasse, zich meent te verheffen boven het modegevoelige voetvolk.

‘Pardon,’ vraagt de Elvisfan zich af, ‘waar hebben we het in godsnaam over?’

Welnu, Thom Hoffman opent zijn modderspuwend relaas met de tegenstelling tussen hem – zoon van een tandarts uit Wassenaar – en zijn vroegere werkster uit Katwijk. Twistpunt: Elvis Presley. Zij, een overtuigd Elvisfan die haar idool reeds begin jaren zestig ‘The King’ noemde, en hij die daar helemaal niets van begrijpt, integendeel geen goed woord overheeft voor die hamsterkop. ‘De Beatles waren nieuw,’ aldus Hoffman, ‘en Elvis zo pijnlijk ingehaald door de tijd.’

HET CULTUREEL GEWETEN

Het aplomb waarmee Hoffman zich uitspreekt tegen het Elvisgevoel is fascinerend. Het is vergelijkbaar met de fascinatie zoals die soms kan ontstaan voor boodschappers van de Evangelische Omroep; verbijstering over de stelligheid van een overtuiging, gebracht als een baar van kennis waardoor de toehoorder zich ineens volkomen aan de verkeerde kant van de waarheid lijkt te bevinden. Maar Hoffman prikkelt oneindig meer, juist omdat hij een stroming vertegenwoordigt van mensen die zich beschouwen als vrijdenkers met het patent op elke vorm van originaliteit. Hier, zo schijnt het, spreekt het culturele geweten van de samenleving.

Met die bagage trok Hoffman twee jaar na Elvis’ dood, met vriendenclub naar de Engelenbak in Amsterdam. Daar deed hij zijn voorstudie voor DJ Cowboy uit Naar de klote!. Hier imiteerde hij Elvis. Het thema was: verval. Als imitator ironiseerde hij de pathos van de echte Elvis, want, ‘de hele Amerikaanse samenleving vroeg erom geparodieerd te worden’. Dat gegeven voorzag zijn minachting voor Elvis van de nodige legitimiteit, en - terwijl de punk eindelijk kon doorbreken - werd gemakshalve vergeten dat geen volk zichzelf zo goed weet te parodieren als juist de Amerikanen. Elvis was hierin een kind van zijn volk, als geen ander in staat om zichzelf te spelen en zijn populariteit, door een mengeling van zelfspot en ironie, tot de legende te maken die hem uiteindelijk vermorzeld heeft. Door journalist Van Scheers handig uitgebuit of niet, maar al snel lijkt het alsof de smaak van bloed, Hoffman doet spinnen van genot. Met stijgende genoegzaamheid declameert hij zijn weerzin.

Naar begin pagina

Connie Palmen, elders in het boek geïnterviewd, toont in haar uiteenzetting meer werkelijkheidszin door te stellen ‘dat het een vergissing is dat vertegenwoordigers van de zogenaamde high culture niet de heiligheid hebben ingezien van de banale dingen, van de trivialiteit. De trivia zijn een gegeneerd gebied, behalve dan in Amerika(…)’. Zij legt ook accent op het meesterschap van Elvis, waardoor hij zijn low culture aspect met zijn artistieke gave kon laten samensmelten.
Ondertussen domineert bij Hoffman vooral het gegeneerde klimaat, en beklemtoont hij zijn aversie door Elvis te kenschetsen als: de ultieme belichaming van de leegheid van roem. Wat Hoffman echter het sterkst benadrukt is zijn eigen culturele blauwdruk, zonder in te zien dat juist Elvis met zijn overrompelende schaamteloosheid, de grenzen tussen high en low culture definitief naar de schroothoop heeft gezongen: You ain’t nothin’ but a Hound Dog, cryin’ all the time. (Well, you ain’t never caught a rabbit and you aint’t no friend of mine). Weergaloos, vanuit het ghetto opgestoomd dwars door alle lagen van de bevolking. Waarmee, zeker achteraf gezien, high culture als pose net zo achterhaald is als John en Yoko in Amsterdam Hilton.

Voor Hoffman blijkt ook de house-scene een interessant gebied, omdat door de totale depersonalisatie van deze muziek de vervlakking door het ego onmogelijk is geworden, en Elvis als koning van de kitsch nu eenmaal een voorbeeld is van het verlies aan authenticiteit. ‘Zo bezien is house misschien wel de jazz van de jaren negentig: eerst de muziek’. Alsof jazz zonder de veelal excentrieke kopstukken, zowel nu als in het verleden, ook maar een moment de moeite waard zou zijn geweest! Wat bezielt toch die zogenaamde kenners van het culturele ruggenmerg, om zich zo ongenuanceerd en platvloers op hun objecten van kritiek te storten? Waarom drammen deze dragers van het culturele geweten zolang door dat men wel moet gaan twijfelen aan de vanzelfsprekendheid van hun gelijk? Waar zit toch de angel die deze klasse heeft geknecht, met een gif dat hen juist de illusie van vrijheid bracht? En waarom is juist voor hen de jazz zo heilig?

tcbtrans.gif (1190 bytes)

ADELDOM EN JAZZ       

De Hoffman-klasse is een klasse die geleerd heeft dat ‘hetgeen wij niet verklaren kunnen, het overwegen niet waard is’. Een kwestie van cognitieve arrogantie, gesterkt door de overtuiging dat zij veel, zo niet alles weten. Het begrip authenticiteit wordt hier gelanceerd wanneer de legitimiteit van een dergelijk predikaat in eigen kring voldoende is afgetast. Hier heerst de terreur van het begrip dat artistieke vrijheid heet. Binnen deze contreien is Elvis icoon van de archetypische platheid, zoals Hoffman het zo plastisch uitdrukt. Een compliment bijna. Elvis als bedreigend icoon, in die zin dat ‘houden van Elvis’ voorgoed de deur dicht slaat naar het soort adeldom waarmee men zich hoopt te onderscheiden. Die verhevenheid trachtte men in het grijze verleden vooral te vinden in de jazz-scene, hét voertuig voor de intelligentsia om op verantwoorde wijze uit het spreekwoordelijke dak te gaan. Een inmiddels toch vrij fossiele queeste die, Thom Hoffman indachtig, kennelijk nog steeds actueel is.

Mede door de scherpslijpers van het cultureel ideaal werd jazz dan ook één van de meest misbruikte stromingen die in de muziek denkbaar is. Hele volkstammen zijn in de jaren zeventig meegelift op het aureool van ruimdenkendheid en authenticiteit. Terwijl jazz, voor de bewierookten zelf, in wezen niets meer was dan een ultieme vorm van muzikale zelfexpressie. Expressie overigens die qua intensiteit ook aan blanke artiesten, die zoals Elvis aan de zelfkant van de samenleving zijn opgegroeid, een onverwoestbare artistieke bodem heeft verleend. Niettemin werd de destructieve cultuur van het zwarte muzikantenleven, het misbruik door blanke platenbonzen, de drank en de pillen, door menig zoeker geromantiseerd tot een heilig stigma van bevrijd muzikantendom, waarbij hun ellende werd vertaald als een vorm van onthechting die griezelig calvinistisch aandoet. Als de integriteit van artiesten ergens door ego’s van buitenaf werden uitgehold en verkracht, dan was het wel in de jazzwereld. De grondleggers zijn dan ook grotendeels gesmoord in hun eigen ellende. Voor de purist waren zij als Jezus aan het kruis, en dat in het zwart, dus dubbel raak – bullseye – om zo te zeggen. En aan het kruis moesten ze vooral blijven want daar kreeg de muziek diepgang van. Nee, zo gemakkelijk gaat de vaderlandse cultuur niet overboord, zelfs niet bij verwoede pogingen om het oude te overstijgen. Al met al lijkt deze irreële benadering van de zelfkant in het muzikale spectrum toch vooral te komen van hen aan wie het goede nooit ontbroken heeft.

Ironisch eigenlijk, want wie ironiseert nu eigenlijk wie? En was het dan toch de werkster uit Katwijk, met haar ongecompliceerde liefde voor de muziek van Elvis, die wezenlijk iets gevoeld heeft? Terwijl Hoffman zijn Beatles slechts leende voor het volproppen van een alter ego waarmee hij het Echte tevergeefs najoeg -alle verhitte discussies met zijn schoonmaakster ten spijt?

INTELLIGENTIE

sittingelv.jpg (29068 bytes)Nergens zozeer als in de oer-Hollandse high culture, het Staphorst van de hogere moraal, is de intelligentie van Elvis een item geweest. Het is wederom een staaltje van totemisme, waarbij een sociale groep zichzelf verheft door de gedragscodes van een groep met minder sociale status te laten corresponderen met de getallen op de intelligentieschaal.

Voor Hoffman gaat Elvis de geschiedenis in als de mannelijke tegenpool van Marilyn Monroe: "Het zijn barbiedolls, je hebt Barbie en je hebt Ken en hij is Ken en zij Barbie. Gecreëerde sekssymbolen, die er zelf in zijn gaan geloven. Al denk ik eerlijk gezegd dat Marilyn nog meer hersens had dan Elvis en zijn doodgeboren tweelingbroer Jesse bij elkaar".

Een citaat dat doet verlangen naar een laatste ronde. Een ronde die besluit met woorden van de wereldvermaarde choreograaf Hans van Manen, uitgesproken in hetzelfde boek: Elvis in Nederland.

"Zelf heb ik in Amerika vaak met open mond van verbazing naar die zwarte rappers staan kijken, die maken met gemak twintig rondjes op hun kop. En Mick (Jagger) vind ik goed, die heeft net als Elvis een totaal eigen idioom – soms op het krankzinnige af. Zelfs als choreograaf vraag ik mij af: waar halen ze het in godsnaam vandaan? Daarmee onderscheiden de echte talenten zich onmiddellijk van alle wannabees. Wat je na het zien van deze beelden realiseert: door al die halfbakken imitators zijn we vergeten hoe goed Elvis zelf was. Elvis heeft zijn tijd doorstaan, dat pleit enorm voor hem."

          Elvis Links
         
HOmepage


anmcolbar.gif (4535 bytes)
© Frank Ho

tcbtrans.gif (1190 bytes)

Dit artikel verscheen eerder in   "Its Elvis Time"
ster.gif (874 bytes)NOVEMBER-DECEMBER-JANUARI 1997/98ster.gif (874 bytes)
Helaas niet meer wat het geweest is...

anmcolbar.gif (4535 bytes)

          Enkele quotes van Thom Hoffman:

kogel.gif (923 bytes) Marilyn heeft nog meer hersens dan Elvis en zijn doodgeboren tweelingbroer bij elkaar.

kogel.gif (923 bytes) Elvis versus Jagger, dat is Amerika tegen Europa en ik vind dat Amerika dat  verliest.

kogel.gif (923 bytes) Zorgvuldig geconcipieerd imago, dat ons repetitief wordt opgedrongen

kogel.gif (923 bytes) Zo liet ik mijn camp-Elvis de pathos van de échte ironiseren

kogel.gif (923 bytes) Dramatische handjes, knikkende knietjes

kogel.gif (923 bytes) Belichaming van leegheid van roem

kogel.gif (923 bytes) Archetypische platheid

kogel.gif (923 bytes) Hamsterkop

kogel.gif (923 bytes) Barbydoll