Qì gōng (气功) filosofie in taiji
Dān
tián (pinyin)
of tan tien (Wade/Giles) betekent letterlijk "cinnaberveld".
Cinnaber, kwikzilver of vermiljoen is een roodachtige stof die zich in bepaalde
gesteentes bevindt. In het verleden experimenteerden daoïsten met het gebruik
van allerlei natuurlijke materialen, zoals kruiden, dieren, mineralen ed. Zij
namen deze stoffen in om het elixer te ontdekken dat onsterfelijk maakt. Van
alles wat ze innamen hielden ze bij wat de effecten ervan waren en veel van de
ontdekkingen die toen gedaan werden worden in de TCM nog steeds gebruikt als
geneesmiddelen. Cinnaber was een stof waarvan men vond dat het het leven kon
verlengen. Het probleem was echter dat de dosering nogal nauw lette. Sommigen
namen er te veel van in, waardoor hun leven ernstig verkort werd: ze overleden
door cinnabervergiftiging! Een niet ongevaarlijke methode dus.
Andere daoïsten experimenteeden met lichamelijke en geestelijke oefeningen om
het leven te verlengen. Zij ontdekten dat er 3 duim onder de navel en 3 duim
naar binnen een punt zit wat heel belangrijk is. Het is een punt waar je, door
concentratie-, ademhalings- en bewegingsoefeningen, je energie (qì,
气)
kunt verzamelen en kunt vermeerderen. Als beeldspraak noemden ze dat punt
"cinnaberveld": ze hadden het innerlijke cinnaber (nèi dān,
内丹) ontdekt! In
vergelijking met uitwendig cinnaber (wài dān,
外丹)
was het gebruik van het innerlijke relatief minder gevaarlijk, maar uiteraard
veel arbeidsintensiever. De mensen die zich met geestelijke en lichamelijke
training bezighielden werden wel innerlijke alchemisten genoemd, ook weer als
vergelijking met de Chinese alchemisten, die, in tegenstelling tot de
westerse, die goud probeerden te maken uit goedkopere producten,
medicijnen voor het eeuwige leven probeerden te ontwikkelen.
Het dān
tián is
natuurkundig gezien het zwaartepunt van het lichaam. Het is het centrum van je
lichaam. Als je zwaartepunt laag is sta je het stabielst. Gezien het idee dat
lichaam en geest één zijn, is je geest ook stabieler als die laag zit. Het
logische gevolg voor oefeningen is dan dat je je geest op je dān
tián richt:
geestelijk evenwicht is het gevolg!
Allereerst wordt dus de aandacht, het gevoel, in het dān
tián geconcentreerd.
Daarbij is een stabiele houding het meest passend: stabiliteit geeft rust in
het lichaam. Vandaar dat knie-hielzit en de lotushouding vaak gebruikt worden.
Maar ook staande houdingen of zelfs bewegingen kunnen gebruikt worden.
Belangrijk is dan dat het zwaartepunt laag wordt gehouden: de knieën moeten
gebogen zijn.
Lichaam en geest komen dan in evenwicht. Doorgezette concentratie leidt zo tot
meditatie: een helderder bewustzijn ontstaat; de geest en het lichaam komen tot
rust.
De kleine hemelse kringloop
De innerlijke alchemisten namen waar dat als ze dit deden er een gevoel van
energie (qì)
in het dān
tián optrad.
Die energie zette zich geleidelijk aan vanzelf in beweging en begon meestal een
vaste baan te volgen: eerst naar beneden en dan via het staartbeentje omhoog
langs de rug en via de kruin naar voren, weer terug naar beneden naar het dān
tián.
Het blijkt dat dit proces zeer helend is voor lichaam en geest. De hoeveelheid
energie vermeerdert. Het gevoel wordt meer ontwikkeld. Men voelt eerder dat er
blokkades in lichaam of geest optreden en kan daardoor daar eerder een
oplossing voor zoeken.
Het opwekken van de qì
en het laten stromen door de kanalen vergt echter veel oefening en tijd. De
meeste mensen hebben namelijk blokkades in die kanalen zitten, waardoor de
stroom wordt belemmerd. Door training, oefening, leer je eerst lichaam en geest
te concentreren. Als dat lukt kun je de energie gaan voelen. Als je die niet
voelt is dat niet erg, want dit proces kan soms ook onbewust verlopen: mensen
die geen energie voelen ondervinden vaak toch de resultaten, zoals een betere
lichamelijke en geestelijke gezondheid. Als je de energie wel voelt en je voelt
dat die ergens heen gaat, kun je die volgen met je geest. Vaak stopt de stroom
op een bepaald punt: een blokkade. Door daar met je aandacht te blijven kun je
zo'n blokkade oplossen. Een blokkade is een soort vernauwing in de energiebaan.
Dit kan iets puur lichamelijks zijn, maar meestal is er sprake van
psychosomatische blokkades. Door een geestelijk trauma, meestal in de jeugd of
misschien wel in de baarmoeder of in een vorig leven, houd je een bepaald
gevoel tegen, sluit je je ergens voor af. Als je je op de blokkade richt kunnen
er verschillende dingen gebeuren. Je kunt een lichamelijke pijn ervaren op die
plaats, wat kan wijzen op een puur lichamelijke blokkade, waar je door middel
van beweging of zelfmassage in dat gebied, of door professionele behandeling,
wat aan kunt doen, al naar gelang de ernst van de blokkade. Het kan ook zijn,
dat je je door het opbouwen van lichamelijke spanning probeert te beschermen
tegen bepaalde gevoelens die bij je op beginnen te komen. Als je dan doorzet,
je probeert te ontspannen en eventueel wat beweegt of jezelf masseert om te
ontspannen, kan dat gevoel doorkomen. Het kan zijn dat er een emotie bij je
opkomt: je voelt je ineens kwaad of verdrietig. Er kunnen ook bepaalde beelden
bij je opkomen die een al dan niet verborgen betekenis voor je hebben. Sommigen
krijgen herinneringen aan traumatische gebeurtenissen, anderen beelden die meer
symbolisch zijn. Het is belangrijk die gevoelens en beelden toe te laten, zowel
geestelijk als lichamelijk. Als er emoties opkomen kun je die laten gaan en
uiten, als er beelden komen kijk daar dan naar en laat ze aan je oog voorbij
trekken. Op deze manier kun je je bewust worden van de betekenis van de
blokkade, en je kunt die dan op den duur loslaten. Soms zijn er meer
lichamelijke reacties, zoals een bepaalde sensatie, zoals warmte of koude, of
spontane bewegingen in het lichaam, boeren, misselijkheid etc. Wees je bewust
van deze fenomenen en probeer ze niet tegen te houden. Het zijn ontladingen van
vastzittende energie. Het is een teken dat de energie begint te stromen.
Zo kun je geleidelijk de energiebanen openen. Je kunt nu begrijpen, dat dat
grote geestelijke en lichamelijke veranderingen met zich mee kan brengen. En je
krijgt het niet zomaar, je moet er wel wat aan doen!
De drie schatten
Een ander klassiek beeld in de Chinese alchemie zijn de sān bǎo, 三宝 (3
schatten), sān cǎi, 三彩
(taiwanees: sān ti)
(3 krachten). De 3 krachten zijn de hemelse, de menselijke en de aardse
krachten. De hemel en de aarde zijn de 2 tegenpolen (vergelijk met yin en yang)
waartussen de mens zich bevindt. De mens heeft daarnaast ook een eigen kracht
of wil.
Deze 3 krachten beïnvloeden de mens en in het menselijk lichaam werken ze
verschillend. De aardse kracht is een yinne kracht en beïnvloedt het
onderlichaam sterker dan het bovenlichaam. De hemelse kracht daarentegen heeft
meer invloed op het bovenlichaam. En dan is er tenslotte de menselijke kracht,
die vanuit het midden werkt en dus het middengedeelte van het lichaam het meest
beïnvloedt. Aan het lichaam kun je dus zien welke krachten in een mens het
sterkst zijn. En ook ziekteverschijnselen kun je zo aan de 3 krachten koppelen.
De 3 krachten worden wel eens voorgeteld als een huis. De aardse krachten zijn
het fundament, de menselijke krachten de muren en de hemelse krachten het dak.
Als je een huis gaat bouwen moet je altijd eerst zorgen voor stevige
fundamenten. Vertaald naar het lichaam moet je dus beginnen met het
“versterken” van de benen. Versterken betekent hier “het in een optimale
conditie brengen van”, dus niet alleen meer kracht, maar ook souplesse en
vooral een goede doorstroming. Als de benen sterk zijn kun het accent meer naar
boven verschuiven.
In de innerlijke alchemie wordt begonnen om de aardse krachten in de mens te
versterken. De aarde staat daarbij voor het materiële, het onderste gedeelte
van het lichaam en de voorgeboortelijke energie, de jīng (精). De jīng is de
energie die je van je ouders meekrijgt en die je geleidelijk gedurende je leven
opgebruikt. Jīng wordt
meestal voorgesteld als een bijna materiële vorm van energie. Het beeld dat er
vaak voor gebruikt wordt is water, dat als het verwarmd wordt omgezet wordt in
damp: qì
(of ch'i), bruikbare energie. Qì
is de (levens-)energie die door je lichaam stroomt. Qì
is beweeglijk en moet stromen. Als je voldoende qì
hebt blijf je gezond; overal waar het stroomt houdt het je lichaam in een goede
conditie. Qì
ontstaat niet alleen uit jīng, maar
haal je ook via ademhaling en voeding naar binnen. Als je jezelf wilt
ontwikkelen is het dus belangrijk om aan die drie qì-bronnen
veel aandacht te besteden. Als er voldoende qì
is wordt de overbodige qì
omgezet in shén (神),
spirituele energie. Als dat gebeurt wordt je geest helderder en wordt je
spiritueel gevoeliger. Je kunt daarmee allerlei latent aanwezige gaven
ontwikkelen. Voorbeelden daarvan zijn helderziendheid, helderhorendheid, het
kunnen uitzenden van qì
naar buiten toe e.d. Als dit proces doorgaat bereik je uiteindelijk verlichting
en onsterfelijkheid volgens de overleveringen. Het klinkt vrij eenvoudig, maar
er zijn maar heel weinig (of geen) mensen die dit hoge einddoel bereiken.
Volgens mij is het vooral belangrijk dat je jezelf lekker voelt als je deze weg
bewandelt. Het belangrijk het doel na te streven, maar nog meer om van de weg
erheen te genieten. Een onderzoekende tocht door je eigen lichaam en geest,
waar je allerlei onverwachte dingen kunt tegenkomen.
Volgens deze leer is het belangrijk bij de basis te beginnen. Als je een huis
bouwt moeten je fundamenten sterk zijn, anders kan het huis gemakkelijk
instorten. Je moet dus bij de jīng beginnen.
Daarbij moet een gezond lichaam de basis zijn van een heldere geest en
ontwikkelende spirituele vermogens. Als je alleen met de laatsten bezig bent
kun je de qì
uitputten en roofbouw op je lichaam plegen. Van dit standpunt uit gezien hoeft
bv. helderziendheid geen teken te zijn van een ver ontwikkeld iemand. Het kan
ook voorkomen bij mensen die zich zeer eenzijdig hebben ontwikkeld en kan zelfs
een vorm van pathologie zijn, een ziekte.