terug naar homepage
De stok en andere wapens
In tài jí wordt, zoals in de meeste vormen van wǔ shù (武术, Chinese vechtkunst), ook
gebruik gemaakt van wapens. De bekendste tài jí wapens (bīng
qì, 兵器) zijn, in volgorde van wat het eerst en het meest
beoefend wordt: het zwaard (jiàn, 剑), de sabel (dāo,
刀), de waaier (shān,
扇), de lange stok (dà gān,
大杆), de speer (qiāng,
枪) en de hellebaard (guān dāo, 关刀). Oorspronkelijk werden wapens gebruikt om je te
leren verdedigen met of tegen zo'n wapen. Tegenwoordig is de reden van het
trainen met een wapen veranderd.
Een zwaard of sabel draag je niet meer bij je en je komt weinig anderen tegen
die er een bij zich dragen, laat staan je ermee aanvallen. Kortom: het zelfverdedigingaspect
is min of meer verdwenen.
Wel vereist het hanteren van een wapen een grote mate van alertheid: je moet er
voorzichtig mee omspringen; als je niet precies weet waar de punt zich bevindt
kun je jezelf of een ander onbedoeld schade berokkenen. Een wapen hanteren
leidt als het ware tot een ander bewustzijn; je breidt je bewustzijn uit naar
de ruimte die je inneemt met een wapen. Eigenlijk neem je letterlijk en
figuurlijk meer ruimte in met een wapen.
Ook is het lastig om een wapen te hanteren doordat het gewicht heeft en een
bepaalde grootte. Daardoor pas je je houding aan en gebruik je meer kracht als
je beweegt. Je wordt je in tài jí dan (nog) meer bewust van je lichaamsstructuur. Als je
de krachten niet juist opvangt, raak je uit balans of ervaar je (te) zware
krachten in een bepaald deel van je lichaam.
![]()
In tài jí wordt het zwaard (jiàn) relatief veel beoefend. Het gaat hierbij om een zwaard
dat je met één hand hanteert. Nadeel vind ik dat het een vrij éénzijdig
gebeuren is. Je kunt het zwaard ook in je andere hand houden, maar dat gebeurt
zelden. Ook de sabel is wat dat betreft eenzijdig (hoewel je ook vormen hebt
met twee sabels).
Stokken echter nodigen meer uit tot symmetrisch gebruik. Ook kun je een stok op
verschillende plaatsen vasthouden, wat steeds weer verschillende impulsen op je
lichaam geeft. Ook qua toepasbaarheid in het dagelijkse leven staat een stok
dichterbij. Bezems, harken etc. gebruik je meer dan ´zwaardachtige´ voorwerpen.
Bij het werken met een wapen leer je ook de bewegingen en krachten van dat
wapen te hanteren. Met name draaipunten, massatraagheid en snelheid bepalen hoe
een wapen wil bewegen. Je kunt een stok in pure slow motion hanteren, maar dat
leidt niet automatisch tot een goede vaardigheid met het wapen. Als de stok
sneller beweegt, ben je namelijk gedwongen je aan de bewegingen van de stok aan
te passen. Als je uit de juiste "cadans" bent en je de stok
tegenwerkt kost dat kracht en snelheid. Je moet dus leren "met de kracht
van de stok mee te gaan", vergelijkbaar met kleven en yielden in het tuī
shǒu.
Ook moet je soms de beweging van de stok opvangen of neutraliseren, wat
vergelijkbaar is met wortelen en je structuur gebruiken in het tuī
shǒu.
Ik heb zelf in het verleden met diverse
wapens kennis gemaakt. Bij aikido maakten we gebruik van een bokken (houten
oefenzwaard) en een jo (vrij korte stok, 1.20 m). De reden van wapentraining in
aikido is dat het je leert om je lichaam effectief te bewegen en kracht te
ontwikkelen. Wapentraining is het solo oefenen van dezelfde bewegingen die je
ook met een partner kunt uitvoeren: elke techniek in aikido is gebaseerd op de
beweging met een zwaard. Ook traint het je oplettendheid. Als iemand aanvalt
met een stok en je reageert niet correct, dan heeft dat een sterker effect
(pijn), dan dat je dezelfde fout maakt als iemand je met de hand slaat. Dat
maakt het werken met een wapen ook spannender; je kunt leren om op een
ontspannen manier met deze stress om te gaan.
Ook heb ik een tijd Katori shinto ryu bujutsu beoefend, met name de vormen van
het zwaardtrekken (iai) en zwaard- en bo(lange stok, 1.80 m)vormen met een partner
(kenjitsu en bojitsu).
Later heb ik een paar jaar "nunchaku combat"
("wurgstokjes", veelal met houten nunchaku's) getraind. Bij dit wapen
heb ik, in het begin vooral, de pijnlijke gevolgen van foutjes in de techniek
meegemaakt: blauwe plekken op handen en hoofd vooral. Het vergt veel training
en concentratie om dat wapen "in je vingers" te krijgen. Pas als je
het wapen op een bepaald niveau beheerst kom je erachter dat het bewegen
eigenlijk hetzelfde is als zonder wapen of met andere wapens. Je kunt dan zelfs
op ontspanning en bewegen vanuit je midden gaan letten. In nunchaku combat
wordt de gevaarlijkheidfactor later trouwens nog sterker uitgebouwd, door de
plaatsen op de nunchaku waar je niet hoort te grijpen te vullen met spikes of
zelfs scheermesjes. Dat ging mij net iets te ver; niet alleen omdat ik mijn
handen nodig had in de fysiotherapie, maar ook omdat ik het nut daarvan niet zo
zie. De straf wordt me dan iets te zwaar.
Door
mijn ervaringen en mijn voorkeuren daarin, heb ik gekozen niet de traditionele
wapens van tài jí te gaan beoefenen, maar me bij de stokken te houden.
Momenteel geef ik mijn gevorderde leerlingen les in het gebruik van een lange
stok. Diverse basisbewegingen om controle over de stok te krijgen en om de tài jí -principes in te kunnen ervaren in combinatie met het
aanleren van een stokvorm uit de xíng yì (lange stok, gùn, 棍), waarin vloeiend de diverse bewegingen worden
uitgevoerd. De vorm kan langzaam en explosief worden uitgevoerd.
Ook doen we soms de korte Yáng-vorm met stok. Dit geeft meer richting aan de
bewegingen en blijkt een leuke basis voor het werken met een wapen.
Ook zijn partneroefeningen met stokken mogelijk. Het geeft meer inzicht in de
toepassingen van de verschillende bewegingen, maar het leert ook het afstemmen
op elkaar. In tegenstelling tot tuī
shǒu
(pushing hands) is het door de grotere afstand tot elkaar wat minder bedreigend
voor sommigen, wat het een leuke tussenvorm of alternatief maakt.
naar boven
terug naar homepage
stok links:
Yang
family taichi
Chen stijl wapens
Yang staf en
speer
Speercompetitie