HET ABSOLUTE


Email naar Frank Ho
Voor Commentaar en Suggesties

 

Terug naar "Geloof"
TERUG NAAR GELOOF


TERUG NAAR ESSENTIE

HET ABSOLUTE

HET ABSOLUTE
DE PERSOONLIJKHEID
RUIMTE
MOET MEN AF VAN ZIJN ZELFBEELD?
MOET MEN DAN MAAR NIETS ZIJN?
IDENTIFICATIE & ONTHECHTING
WAT BLIJFT OVER NA HET WARE INZICHT?
VERLICHTING
IS ONGEDEELD BEWUSTZIJN DE OORSPRONKELIJKE STAAT?
HET ONTBREKEN VAN ENIG MOTIEF
BEKNOPT
VERANTWOORDING:

-Heb ik het ware gerealiseerd?
-Misverstanden rond non-dualiteit
-Hoe kom ik aan mijn informatie?
-Denkverslaving
-Einde aan het zoeken
-Sri Nisargadatta Maharaj
-Advaita en kritisch vermogen
-Heeft zoeken zin?
-Het Zijn als Leraar
-Vragen

 

 

HET ABSOLUTE

NIET-TWEEHEID

Woorden hebben elk hun eigen betekenis en daarmee hun eigen kracht. Woorden zijn daarom als mantra's. Het is om die reden dat zorgvuldigheid bij de duiding van het Absolute van zulk groot belang is, want eigenlijk bestaat er geen enkel woord waarmee deze 'toestand' kan worden beschreven. Woorden zullen eerder tot nieuwe concepten en misverstanden leiden dan tot inzicht. Het verstand richt zich immers op betekenissen. Het begrip 'Eenheid' is een goed voorbeeld hoe de intrensieke betekenis van een woord kan leiden tot zulk wijdverbreid misverstand. In de New Age is 'Eenheid' wellicht één van de meest gebruikte begrippen. Maar 'Eenheid' kan in filosofisch opzicht, om daarmee de onverdeelde samenhang der verschijnselen weer te geven, op geen enkele wijze bijdragen aan een juist inzicht.

'Eenheid' komt neer op een aaneengesloten of samenhangend geheel. Eenheid is in contrast met de gefragmenteerde gebieden of andere eenheden die zich erbuiten bevinden. Eenheid impliceert in die zin direct een tweeheid en meervouden daarvan. In zoverre dekt de betekenis de lading en is 'eenheid' altijd begrensd en aldus gebonden aan een relatieve context.
Om dezelfde reden is "Eenheid" als begrip om het Absolute weer te geven daarom volstrekt ongeschikt. Het Absolute ontrekt zich aan begrippen als samenhang of aaneengeslotenheid. Niet-tweeheid daarentegen is een indirecte duiding voor wat het Absolute niet kan zijn. Het beschrijft dus in twee woorden wat het niet is. Want wat het wel is valt niet te beschrijven.


In dit kader is het nuttig om de stelling IK BEN tegenover het Absolute te stellen.

IK BEN vormt als truc voor het egobewustzijn een brug van tweeheid naar niet-tweeheid. Dit gebeurt door het bewustzijn een besef van eenheid voor te spiegelen. IK BEN roept een besef op van vormloos ZIJN, maar omdat hier nog steeds sprake is van reflectie, namelijk een (bewuste) spiegeling van Zijn in de waarnemendheid, kan dit slechts door tweeheid (spiegeling) tot stand komen.
T
och is dit besef van eenheid - dat zich kenmerkt door vormloosheid - uitermate geschikt om de overtuiging van een afgescheiden Zelf krachtig te doorbreken.
Anderzijds is een besef van vormloosheid te beschouwen als de laatste illusie voor het breken van de zelfreflectie, namelijk de behoefte om zichzelf via het egobewustzijn bevestigd te zien. Hierbij is de analogie op zijn plaats waarbij God wordt gezien als het laatste obstakel om God te ontmoeten.

Het wordt tijd voor de salto mortale van het denken. In deel 'de Essentie' ging het vooral over het Zijnsgebied. Het accent lag op de verschuiving van de geïdentificeerde waarnemer naar het vormloze weten IK BEN, het besef van Zijn in een ongedeelde toestand. In dit deel 'het Absolute' wordt de stap gezet van het Zijnsgebied naar de absolute oorspronkelijke staat. Hier blijkt de stelling IK BEN eigenlijk een truc om de denkende en oordelende mens het besef bij te brengen dat hij zich als puur bewustzijn met tal van verschijnselen identificeert. De vanzelfsprekendheid waarmee de wezensstaat aan vorm werd gerelateerd wordt door IK BEN doorbroken. IK BEN toont als ervaring overtuigend aan dat het ZIJN losstaat van de verschijnselen die er in worden waargenomen (losstaand in de zin van voorafgaand). Hieruit blijkt het misverstand van het verschijnsel als het scheppend fenomeen van "dat wat werkelijk is".

Maar zodra aandacht zich heeft verplaatst van het vormlichaam (verschijnsel) naar IK BEN (de aanwezigheid of aandacht zelf), verdwijnt als uiterste consequentie ook de waarneming IK BEN. Zonder op z'n minst twee zich tot elkaar verhoudende krachten, ook al zijn ze wezenlijk één omdat ze elkaar spiegelen in de waarnemendheid, vervalt de mogelijkheid tot (zelf)reflectie, wat wil zeggen dat de gedachte over een Zelf evenmin in waarnemendheid zal hoeven verschijnen.
IK BEN
is een weten en een toe-eigening ineen. Het is een tweeheid die zich als eenheid laat ervaren. Het ene is het Zijn, maar de tweeheid is het Zijn dat zichzelf ervaart of toe-eigent, de zelfreflectie.
Tweeheid is latent al in de eenheid aanwezig. Dat maakt Eenheid tot een theoretische overgangsfase die het denken nodig heeft om zichzelf als instrument over de rand te duwen. In die ervaring van Eenheid doorziet de personage zichzelf als de spiegel van waarnemendheid.
Dit inzicht, waarmee egobewustzijn zichzelf ontmaskerd, vormt de bevestiging dat het niets toevoegt aan wat er al is. Daarmee is de psyche de noodzaak ontnomen tot de instandhouding van een Zelf. IK BEN was de laatste illusie.

Dat zal de doelgroep van denkers en contrôlefreaks zich niet zomaar laten overkomen, maar zodra het gebeurt is het Absolute manifest geworden in de persoon. Tweeheid (dualiteit) bestaat niet meer, de persoon bestaat ook niet meer. Want waar één is, moet een tweede zijn, enzovoort. Daarom betekent Advaita ook letterlijk 'niet-tweeheid'. Aan de andere kant van de scheiding die eenheid definieert bevindt zich noodzakelijkerwijs iets dat anders of elders
is. Differentiatie is onvermijdelijk. Maar bij het Absolute gaat dat niet op. Zonder een tweede verdwijnt het ene alsof het er nooit geweest is. En dat is niet alleen alsof, het was er ook niet. Niet vanuit het absolute bezien. Deze dimensie laat zich niet onderscheiden, zelfs niet als eenheid. Het is noch dit, noch dat. Dit is de oorpronkelijke staat, de kwaliteit waarin waarnemendheid of kennendheid verschijnt.

Zonder vaag te willen doen moet gezegd dat het Absolute, deze aan 'eenheid' voorafgaande staat, niet kenbaar kán zijn. Een omstandigheid die - eenmaal begrepen - tot gevolg heeft dat zoeken niet langer mogelijk is. Al het kenbare verschijnt weliswaar binnen (of in) de oorspronkelijke niet-kenbare staat, maar kenner en gekende zijn hier afwezig. In deze dimensie is geen sprake van manifestatie, geen differentiatie, geen subject (want geen object) en zelfs geen eenheid. Tijd en ruimte zijn afwezig. Deze staat is niet anders te omschrijven dan met de term: het Absolute.

Beschouw deze voor het verstand niet te plaatsen abstractie uitdrukkelijk niet als iets dat zich buiten onszelf bevindt. Want dat laatste is vanwege het dualistische principe waarop de ratio gebaseerd is, een zeer natuurlijke neiging. Wij zijn zelf deze staat die zich vanuit het perspectief van kennis, bovenop vele identificatieprocessen, lijkt te bevinden op een intens diep, onbereikbaar en niet te kwantificeren niveau. Zodra de mechanistische werking van kennisconditionering met al zijn perspectivische consequenties is doorzien, blijkt het gebrek aan kwantificeerbaarheid niet langer een probleem van bewijsbaarheid, maar is dit het meest logisch volmaakte feit dat overblijft.

KENBAAR EN NIET KENBAAR

Het Absolute doordringt zonder dat het (Absolute) zelf kan worden beïnvloed of geraakt. Het is leeg omdat het niets is, en daarom zo vol. Het is niet iets en ook niet niets. Net als het ongedifferentieerde Zijn is het Absolute niet door het denken te bevatten. In het onkenbare verschijnt het kenbare, de Bewustheid of Kennendheid. Er is bewustheid. Men is bewust. Niet persé van het één of ander, maar bewust zonder meer. Zijn is een feit, maar geen concreet feit. Zijn vormt de mogelijkheid voor een wereld die definieerbaar is in tegengestelde paren. Zijn is het kennend vermogen. Het doordringt en omvat volledig alle verschijnselen die het doet ontstaan. Toch is het Zijn niet hetzelfde als het Absolute.
'Zijn' verschijnt in het Absolute. Het valt in termen van wetenschappelijkheid nog iets van een eigenschap af te troggelen, namelijk dat het een potentieel is. Een vermogen tot iets. Wellicht is dit het potentieel dat in de 'new frontier' van de kwantumwetenschappen wordt omschreven als het Zero Point Field. Maar het Absolute gaat aan dat potentieel vooraf, niet in termen van tijd, want het overstijgt ruimte en tijd. Dus te meten is er niets, zodat er ook niets te melden valt in termen van kwantificeerbaarheid. Een deel kan nooit het geheel omvatten, noch datgene waardoor het geheel gekend wordt. Elke voorstelling over het Absolute gaat mank. Deze staat van noch dit, noch dat, is de oorspronkelijke staat waar het Zijn in rust.

ARMZALIGE WOORDEN

Deze woorden zijn niet meer dan armzalige pogingen om het onkenbare als bron van het kenbare te positioneren. In het algemeen wordt bij de uitwisseling van informatie iets als "waar" bestempeld, wanneer intentie en inhoud niet met elkaar in conflict zijn en de inhoud niet botst met de waarneming. Maar dit onderwerp is welhaast een ultiem voorbeeld van de beperktheid van het woord. Het is niettemin een noodzakelijke beperktheid. Bij het verklaren van iets is een dualistische benadering, waarbij het één tegen het ander wordt afgewogen, onvermijdelijk. Elke poging tot het verklaren van het non-dualistisch principe is daarom als het vangen van een haas met lucht. Het zijn onvergelijkbare grootheden. Ten aanzien van non-dualiteit kan men slechts met lege handen staan. Het is jammer dat het onvermogen om dit simpele feit te doorzien meestal wordt bedekt met nonsens en andere sprookjes. Het gaat hier dan ook niet om het begrijpen van het onmogelijke, maar om het begrijpen van de aard van het kenbare.

Het doorzien van de aard van het kenbare (het verschijnsel, het tijdelijke) heeft grote consequenties voor de beleving van wat wij als vertrouwd veronderstellen. Het is dat tijdelijke waarmee wij ons het zicht op het werkelijke, de oorspronkelijke natuur die wij zijn, ontnemen. Zoals achter het topje van een duim de maan kan worden verborgen, kan alles wat groots is worden verhuld door in de focus van de waarnemer iets kleins te plaatsen. Die focus vormt dan ook exact de modus operandi waarbinnen de menselijke geest, het egobewustzijn, functioneert.



DE PERSOONLIJKHEID

Zowel de persoon als de persoonlijkheid zijn een verschijnsel, iets van tijdelijke aard. Het Zijn is door de persoonlijkheid ingekapseld. Gevoed door de gedachte 'IK BEN Piet' waant de persoonlijkheid zich zelfstandig, terwijl de werkelijkheid door voortdurende interactie en samenhang op elk denkbaar niveau bepaald wordt. Deze werkelijkheid is zo rijk en complex, opgebouwd uit een constant bombardement van gebeurtenissen die verklaarbaar zijn vanuit een oneindige hoeveelheid invalshoeken, dat de werkelijkheid van het verschijnsel niet anders dan multidimensionaal van aard kan zijn. Maar zonder een verkaringsmodel dat in staat is om een willekeurig verschijnsel vanuit meerdere standpunten 'waar' te laten zijn, valt het begrip 'werkelijkheid' als duiding van een (voor de zintuigen) manifeste wereld eigenlijk niet serieus te nemen.

ILLUSIE
In diverse voornamelijk oosterse kentheoretische-stelsels wordt de stoffelijke manifestatie een illusie genoemd. Niet zozeer een schim, maar iets dat niet is wat het lijkt. Een dergelijk standpunt is begrijpelijk als men bedenkt dat deze stelsels een heldere opvatting hebben over de wezenlijke aard van elk ding. Ook mentale processen worden hier tot de verschijnselen gerekend. De persoonlijkheid valt er eveneens onder.
Het is vrij onbegrijpelijk dat deze uiterst verfijnde en ontwikkelde visies zolang buiten het wetenschappelijke spectrum zijn gehouden. Hierin wordt niettemin, mede door snelle ontwikkelingen binnen de kwantumwetenschap, een snelle omslag zichtbaar. Het mes snijdt aan twee kanten, want door de paradigmaverschuivingen die een gevolg zijn van voortschrijdend wetenschappelijk inzicht, komt ook de presentatie van de oeroude kennis over non-dualiteit enigszins los van het aloude exotische imago. Deze kennis wordt als het ware gerevitaliseerd. Dat wat zolang op een onbereikbaar voetstuk werd geplaatst krijgt in de beleving steeds meer werkelijkheidswaarde. De universele kennis begint heel langzaam deel uit te maken van de westerse denkmatrix.

OVERTUIGINGEN

Piet beschouwt zich als de doener en de schepper van zijn werkelijkheid. Deze kleine werkelijkheid vormt slechts een fractie van het geheel aan werkelijkheden. Piet is slechts één van de vele grillige vormen waarin het Zijn zich manifesteert, maar Piet heeft zijn verbinding met de totaliteit (van zijn wezen) geblokkeerd door de gedachte dat hij een zelfstandig functionerende persoon is waar helaas nog een einde aan komt ook. Zijn angst enerzijds en zijn heimwee naar oorspronkelijkheid (vrijheid) anderzijds, maken hem tot zoeker van zijn eigen werkelijkheid.
Zijn unieke gedachtestructuur genereert een persoonlijkheid met alle emotionele en cognitieve implicaties die erbij horen. De persoonlijkheid is daarmee een bouwwerk. Bewustheid of kennendheid is de ruimte in het gebouw.

Bewustheid vormt een kern (een vermogen tot kennen) die ervaringen reëel maakt tegen een achtergrond van aanwezige overtuigingen. Overtuigingen vormen zo de bouwstenen voor de werkelijkheid van Piet. Die bewustheid, zonder welke geen kennen mogelijk is, is het Zijn, het leven zelf. Hoewel er geen verschil bestaat tussen het ene Zijn en het Andere, houdt Piet met zijn gedachten een denkbeeldige perceptie in stand waarin een ogenschijnlijk dualistische wereld zichzelf niet alleen bevestigt, maar ook bestendigt.

RUIMTE

Zijn is als ruimte. Net als een leeg wit blad heeft ruimte het potentieel om elke mogelijkheid er op (c.q. er in) te laten verschijnen. De ruimte in een gebouw is geen andere ruimte dan de ruimte op een plein. De essentie van ruimte wordt niet aangetast door de stijl van het bouwwerk waarin de ruimte zich bevindt, noch wordt de essentie aangetast van de ruimte waarin het gebouw zich bevind. Ruimte is onveranderlijk en tijdloos, maar het verschijnsel dat zich erbinnen manifesteert is tijdelijk en veranderlijk. Het is ruimte waarin manifestatie mogelijk is. Het is door ruimte dat vorm zichtbaar wordt. Zo zijn er sjamanen die leren naar vorm te kijken door te focussen op de ruimte eromheen, om zich zo bewust te kunnen zijn van het wezenlijke en het onwezenlijke.
Bij de westerse mens is het precies andersom, daar behoort het (tijdelijk) verschijnsel tot het object van wetenschap. Hiermee hoopt hij het wezen van zijn bestaan te doorgronden. Maar het Zijn heeft dezelfde onveranderlijke kwaliteit als ruimte en valt niet te kwantificeren in een klier ergens in de hersenen. Het Zijn wordt ook wel het Zelf genoemd. Het is leeg en vol tegelijk, als een alomvattend beschikbaar vermogen.

MOET MEN AF VAN ZIJN ZELFBEELD?

Piet moet niets. De vraag zou moeten zijn: wat is Piet werkelijk? Zijn wezen is een kwaliteit die absoluut is, waar niets bij en niets af kan. Zijn zelfbeeld is een illusie. De vraag, moet Piet af van zijn zelfbeeld slaat de plank mis, want: wie is Piet zonder zijn zelfbeeld?
Uit identificatie met het zelfbeeld ontstaat het lijden van de persoonlijkheid en uiteindelijk het lijden van de wereld. Dit doorzien kan alleen door spontaan inzicht en niet als resultaat van inspanning. Inspanning schept onmiddellijk een doener, een personage binnen een geobjectiveerde omgeving. Geobjectiveerd, omdat omgeving voor de waarnemer (met het zelfbeeld) niets anders is dan een spiegel waaraan hij zich toetst, zodat overtuigingen worden versterkt of afgezwakt. Overtuigingen vormen grotendeels onbewust de bouwstenen voor het zelfbeeld, waarbij het niet uitmaakt of de omgeving of het zelfbeeld als spiegel worden geduid. Ze spiegelen elkaar, veroorzaken elkaar en houden elkaar wederzijds in stand. Waarnemer en waargenomene zijn één.
Het zich afzetten tegen het zelfbeeld schept slechts een gewijzigde versie waarin het verzet tot onderdeel wordt van het beeld. Elke poging iets te veranderen plakt er aan vast. Maar zelfs als Piet daarvan extreem veel last ondervindt, dan nog hoeft hij niets te ondernemen. Een structuur kan zichzelf van binnenuit niet transformeren of een andere blauwdruk aannemen, maar ze kan haar taaie dominantie wel verliezen door de eigen aard te doorzien te zien en er niet langer aan te hechten.
Helaas blijkt niets doen om (keuzeloos) gewaar te kunnen zijn meestal een stuk lastiger dan vele vruchteloze pogingen tot verbetering. Door niets te doen zou het voldoende moeten zijn om de aard, het mechanisme van het zelfbeeld te doorzien. Dat is niet gemakkelijk. De bril van het zelfbeeld is zo eigen en voelt zo echt en veilig dat het nauwelijks mogelijk lijkt om hem af te zetten.

Om het persoonlijk lijden te doorbreken is het noodzakelijk dat de identificatie met het lichaam en de omgeving stopt. De impact die dit vervolgens heeft op het lijden van de wereld is anders dan de gevolgen van moreel getint handelen. Moreel handelen leidt slechts tot reacties met een reikwijdte van goed tot slecht; dit al naar gelang de interpretatie van het subject, de waarnemer. Handelen vanuit (een besef van) het absolute verbreidt slechts de stilte van het Volkomen Zijn. Dit handelen is spontaan en zonder egoïstische motieven. Er is immers niets dat wezenlijk kan worden bereikt. Alles is goed omdat het is zoals het is. Niet als idee of leidende draad, maar als een geleefde werkelijkheid.

FILTER OF OPTISCHE ILLUSIE

Het zelfbeeld werkt voor de waarnemendheid dus eigenlijk als een filter dat intern door overtuigingen en extern door omgevingsfactoren wordt gevormd en gevoed, waarbij 'overtuiging' en de waargenomen 'omgevingsfactor' één ding zijn. Beide componenten vormen elkaar rond de zich hechtende waarnemer en vormen zo de kleur van 'zijn' bril, oftewel de persoonlijkheid van het in tijd en ruimte zichzelf beschouwende egobewustzijn.
Dat schept weliswaar een bron van mogelijkheden tot zelfreflectie of navelstaren, ware het niet dat identificaties de zaak doen stagneren door een verstikkende en niet aflatende stroom van oordeelsvorming. Einstein zei ruim vijftig jaar geleden: "Een mens is een bestanddeel van het geheel dat wij 'universum' noemen, maar dan een deel dat begrensd wordt door tijd en ruimte. Hij ervaart zijn gedachten en gevoelens als afgezonderd van de rest, als een soort optische illusie van het bewustzijn".
Hierbij opgemerkt dat binnen die optische illusie, door het wetenschappelijke principe om fenomenologische processen in termen van meetbaarheid te verklaren, alle uitwisseling van informatie beperkt blijft tot de grofzintuigelijke mogelijkheden die we kennen als de vijf zintuigen. Die wijze van zien is in de loop van eeuwen in het dominante westen geëvolueerd tot een cultureel kenmerk en exportproduct. Door gebruik van het soort logica dat het meeste vertrouwen wekt, ligt vooral in deze culturen zeer sterk de nadruk op het rationele oordeel. Zelfs de taal kent in de ene cultuur meer woorden met betekenissen die dualistisch en contrastvormend van aard zijn dan in andere culturen. Daar zou niets op tegen zijn als daarmee de kaders voor het oordeel niet zozeer beperkt zouden zijn tot het redenerende verstand.
Het (collectieve) egobewustzijn kiest uit gehechtheid steeds voor de vorm van waarheidsvinding die het meest beantwoord aan de behoefte controle te houden over de manier waarop wij het leven aanvoelen en menen te begrijpen. Versta 'gehechtheid' hierbij vooral als een equivalent voor 'veiligheid'. Hoe onveiliger men zich voelt, hoe meer fixatie op veilige structuren. Dat gevoel van veiligheid is uiteraard niet objectief. Het gevoel hangt volledig samen met de waarneming die past bij het (collectieve) zelfbeeld, maar het bepaalt intussen wel het soort overtuiging dat men vormt om de gewensde controle te behouden, ook als dat een sterk rationele inslag heeft en objectieve betrouwbaarheid suggereert.

Momenteel is er veel wetenschappelijke aandacht voor de aanwezigheid van transpersoonlijke communicatie zoals gebruikelijker in de dierenwereld, maar ook bekend bij de nog intacte inheemse culturen. Dat zijn vormen van communicatie die buiten de bekende zintuigen om gaan.

PROJECTIE VAN HET KLEINE IK

Het Ik is niets anders dan waarnemendheid/bewustheid die als Zelf wordt ervaren. Het Ik is daarom zowel een continuüm als een tijdelijk verschijnsel en kent zowel een absoluut als een relatief aspect. Beiden zijn onlosmakelijk verbonden, waarbij het één - het kleine ik - een projectie is van het tijdloze en onbegrensde IK in een dimensie van tijd en ruimte. Omdat (de) bewustheid wordt omsloten door identificaties met de verschijnselen die aan de waarneming zijn blijven kleven, bevestigt het zich als doener. De doener ervaart zichzelf als een persoonlijkheid.

 

Terug naar begin


MOET MEN DAN MAAR NIETS ZIJN?

De oorspronkelijke staat is noch iets, noch niets. Binnen de complicaties van het Zijn wordt de werkelijkheid door een verschuifbaar perspectief bepaald. Vanuit het absolute is dit een onwerkelijk standpunt. Het is echter niet de bedoeling om vanuit het Niets te gaan zitten redeneren, alsof men het niets zou kunnen zijn. Dit is het grote misverstand dat overal in de wereld gemaakt wordt, vooral door de westerse perceptie van oosterse religieuze en wereldbeschouwelijke stromingen. In feite gebeurt hier niets anders dan dat de aloude beeldvorming van het Christelijke godsbeeld: de onafhankelijke God als schepper van het heelal, over een andere cultuur wordt heen geprojecteerd. Onze interpretatie van het Niets komt vaak neer op het omarmen van een geobjectiveerd begrip, in de hoop dat de begripsinhoud ons zal omarmen. Voor veel westerlingen is de Boeddhistische Leegte immers het oosterse equivalent van een allerhoogste goddelijke waarheid die altijd buiten onszelf heeft gestaan.

IDENTIFICATIE & ONTHECHTING

Telkens valt hier het woord 'identificatie' als zijnde de oorzaak van het lijden. De waarnemer identificeert zich met zijn waarneming op een wijze die met zijn overtuigingen overeen komt. In een continu en gelijktijdig proces vormt zich egobewustzijn. Overtuiging en waarneming maken integraal deel uit van egobewustzijn. Dit bewustzijn ervaart zichzelf als 'doener'. Men is kennelijk iets, maar wat? Die universele vraag blijft in eindeloze variaties wereldwijd opkomen, meestal vanuit een gevoeld tekort, wellicht iets van kwelling, maar ook met het verlangen naar een bevrijdend antwoord. Het is een verslavend verlangen, omdat alle archetypen van het grote geluk (als tegenhanger van het lijden) hierin volledig kunnen worden geprojecteerd.
Niettemin vindt het egobewustzijn nooit een antwoord dat verder reikt dan enig mysterie. Dus wordt voornamelijk het gevoel gevolgd waarbij aantrekking en afstoting vooraf gaan aan het uitstippelen van een onbestemde route. Sommigen zoeken gericht en vinden iets van hun waarheid in religie. Anderen zoeken op goed geluk en kijken wat er zich aandient. De ironie is dat men zonder te beseffen louter zichzelf zoekt, zichzelf is en zichzelf om zich heen heeft. De neiging tot identificeren is dan ook een natuurlijke reactie op de illusie van afgescheidenheid. Men identificeert omdat men vergeten is in feite al één te zijn; of liever, "niet twee" te zijn, want de term eenheid is evengoed een illusie (zie voor uitleg het begin van deze pagina). Het misverstand van vereenzelviging schept zichzelf bevestigende reactiepatronen, omdat het oog wordt geconfronteerd met de overtuigingen waarmee het kijkt. Niet alleen 'beauty' is 'in the eye of the beholder'. Het geldt voor alles.

De doener laat zich aanzien als een vaststaand gegeven, iets dat is afgescheiden. De doener is de geïdentificeerde ik. Een voortdurend veranderende illusie die zich als continuüm van een aantal kenmerkende overtuigingen laat ervaren als werkelijk. Helaas, elke verbintenis waarmee de doener het gevoel van afgescheidenheid probeert te verminderen, is na korte tijd alweer uitgewerkt. Alleen omdat zowel identificatie als afscheiding een gevolg zijn van een optische illusie tussen waarnemer en waargenomen object.

HELING IS DELING

Een gammele psychische structuur heeft er alle belang bij om veiligheid te verwerven door het zoeken naar zekerheden. Zelfs de meest briljante inzichten over waarheid zullen niet in vrijheid resulteren wanneer zij bedoeld zijn om in de psyche iets goed te maken. Vele zoekers jagen hun waarheid na vanuit een innerlijke noodzaak tot heling. Een smachten naar vrede die een einde maakt aan de pijn. Helaas beschouwen zij de psyche vaak als de oorzaak die ze aan pijn gebonden houdt, maar dat is niet juist. Niet de psyche is het probleem! Identificatie is het probleem en die wordt sterker naarmate de psyche meer leunt op de misvatting dat hij echt (werkelijk) is en dat alle gemiste kansen, frustraties en trauma's dus ook werkelijk zijn.
Door deze identificatie valt leed niet langer te verwerken. Men wordt het leed. Leed kleurt het oog zodanig dat het voornamelijk nog leed kan zien. Het is een vernauwde beeld- en oordeelsvorming die de waarneming vertroebeld. De waarnemende kwaliteit zelf is niet in het geding. Toch is heling tegenwoordig het toverwoord, maar wat denkt men te kunnen helen? Wie wordt geheeld? Wat valt er eigenlijk te doen?

Als instrument verdient de psyche evenveel vriendelijkheid en aandacht als ons liefste bezit, maar niet de overdreven aandacht die de afhankelijkheid verraad van enig streven. De psyche dient in balans te zijn, zodat het sterk genoeg is om niet steeds te hoeven aanzetten tot een jacht naar roesmiddelen of stimuli die van buitenaf voor een correctie moeten zorgen. Als omstandigheden te heftig blijken voor een psychisch evenwichtige situatie, dan is het van belang de onevenwichtigheid te accepteren. Pas als de afhankelijkheid aan een goed functionerende psyche verdwenen is, verdwijnt de noodzaak om te streven naar iets dat beter dan wat je al hebt.

Door de psyche niet te veroordelen of met labels in een zijstraat te parkeren, is hij in staat zich op eigen kracht op te richten zoals een zeilschip zich opricht bij het vieren van het grootzeil. Daaruit volgt vanzelf de volgende stap: het loslaten van de neiging om het tekort aan eigen welbevinden van elders te halen. Die neiging hoort immers bij een negatief zelfbeeld. Tot zover in simpele bewoordingen het actieve deel. Dan ontstaat in de psyche een zekere ruimte en transparantie, waarbij de nog onvermijdelijke beeldvorming de natuurlijke aard van de waarnemendheid begint te spiegelen. De splijtende behoefte om geluk van elders te halen is weg. Men voelt zich vrijer.

Uiteindelijk volgt als logische consequentie de ultieme loslating, namelijk die van de neiging tot identificeren in het bijzonder. De spiegel van zelfreflectie breekt en plotseling blijkt er nooit een scheiding te zijn geweest. Werkelijke onthechting kan slechts moeiteloos tot stand komen. Toe-eigening is niet langer mogelijk. De truc van het gemankeerde ego, de optische illusie, is doorzien.
Kennis is dus één belangrijke stap, maar een juiste benadering van de psyche door deze niet als boodschapper van het slechte nieuws te willen onthoofden is een tweede stap. Het is een stap die in het verlengde ligt van de juiste kennis en toewijding.


WAT BLIJFT OVER NA HET WARE INZICHT?

Het lichaam, dat verschijnsel waarin het Zijn zich manifesteert blijft natuurlijk dezelfde eenheid. Altijd aan verandering onderhevig, maar met dezelfde kenmerken. Ook de geest (the mind) lost niet op, weer zo'n misverstand. En zelfs zijn eigenaardigheden blijven gewoon voortbestaan. Vergeet niet dat de Volmaaktheid die past bij het idee over verlichting, een projectie is vanuit een geïdentificeerde geest die vaak is gevormd met begrippen als hemel en hel. Ik betoogde al eerder dat verlichting niet ontstaan kan door enige handeling. De Oorspronkelijke staat is reeds een feit. Om dit feit manifest te maken is het noodzakelijk dat de illusie van de persoonlijkheid oplost. De consequentie van dit "oplossen" noemt men verlichting, maar de staat van verlichting is niet maakbaar.

In de gewone beleving blijft ook bij een transparante ("verlichte" niet-identificerende) geest gewoon sprake van een persoonlijkheid, en bovenal van persoonlijke uitstraling. Door het ontbreken van vereenzelviging handelt deze persoon echter vanuit een ongebonden (Verlichte) staat.

Hoewel het absolute nooit een moment afwezig is, is het buitengewoon zeldzaam een mens, een levensvorm binnen het Zelf aan te treffen, wiens "persoonlijkheid" vanuit die oorspronkelijke staat functioneert. Nu spreek ik niet over de wijze waarop zo iemand een kopje thee zet, maar over de wijze van helder waarnemen, en het handelen dat voortkomt uit heldere waarneming. Een verschil met het voor ons gebruikelijke scenario, waarbij vanuit een geïdentificeerde staat gehandeld wordt, is echter niet te maken op grond van uiterlijke of kwantificeerbare verschillen.


Terug naar begin


VERLICHTING

Zolang het lichaam, dit verschijnsel, zijn adem in- en uitblaast blijft het bewustzijn intact. Ook bij wat men verlichting noemt blijft er sprake van gevoelens en zelfs van lijden. Verwar het geluk van de verlichte ook niet met paradijselijke fantasieën zoals stromende bergbeekjes, rinkelende bellen en lentegroene weiden, die overigens snel zouden vervelen. Er is alleen geen sprake meer van strikt persoonsgebonden gevoelens of een afgetekend persoonlijk lijden. De gevoelens zijn groter en zelfs het lijden is groter. Niet langer verscheurend maar versmeltend tot compassie. De pijn van de illusie zonder meer, en de troost van het weten zonder meer smelten samen. Omdat er geen lijdend "personage" is, is er ook geen slachtoffer. Het lijden vervloeit zoals alles vervloeit en beleefd wordt als een eeuwig durend spel van verschijnselen. Het Zijn put voortdurend uit Zichzelf zonder verstrikt te raken in de verwarring van valse identificaties. Er is geen beangstiging want het subject gaat bij gebrek aan vereenzelviging met de verschijnselen geheel op in Zichzelf. Aandacht is zich bewust van de aandacht zelf, in plaats van zich te storten op verschijnselen die overtuiging en persoonsgebonden ervaring onderhouden.

Bij een gedeeltelijk begrip treden angsten slechts op wanneer geforceerde pogingen worden ondernomen om verlichting te bereiken. Als de grenzen van het persoonlijke vervagen door dwang en spirituele inhaligheid dan krijst de (zich zelfstandig wanende) geest in doodsnood. Dat duurt niet lang. Overtuigingen komen snel genoeg te hulp om de zich bedreigd voelende persoonlijkheid in haar bestaan te bevestigen.

Het Zelf of Zijn is een equivalent van het totale potentieel van waaruit de verschijnselen zich openbaren. Dit bewustheidspotentieel overstijgt tijd en ruimte en communiseert op basis van non-lokaliteit. Dit is het fenomeen in de kwantumfysica dat twee elementaire deeltjes elkaar na interactie blijven beïnvloeden en ogenblikkelijk informatie uitwisselen, ongeacht de afstand die hen scheidt. Deze wetenschappelijke ontdekking van non-lokaliteit ontsluiert een werkelijkheid die alle fysieke manifestaties in het universum verbindt. Wanneer deze universele kwaliteit op een menselijk (of ingekapseld) niveau van bewustzijn volledig is verwerkelijkt - dus niet langer toegedekt door vereenzelviging met de verschijnselen - zou je deze gerealiseerde mens inderdaad heilig kunnen noemen.
Maar dan dringt zich wederom de vraag op: wie is Heilig? In een poging hier nogmaals antwoord op te geven denk ik aan het volgende: Heilig is een handeling (of een product daarvan) die uiting geeft aan de volkomenheid van het Weten dat hij of zij IS. Dat is de mens die zijn illusie doorzien heeft. Het enige reële dat overblijft is totaliteit en de onkenbaarheid die er direct aan ten grondslag ligt. Het potentieel kan niet misbruikt worden omdat misbruik duidt op een persoonlijk motief. De Aanwezigheid zou onmiddellijk gefragmenteerd zijn, het directe schouwen voorbij.


IS ONGEDEELD BEWUSTZIJN DE OORSPRONKELIJK STAAT?

Nee. Zoals ik het beschreef duidt bewustzijn op zich al op een verdeling. Wie is (zich) bewust?

Bewustzijn: het Zijn is zich bewust van zichzelf. Dat verraadt een eerste deling binnen het Zelf. Iets is zich bewust van iets. Deze ogenschijnlijke tegenstelling is alleen mogelijk in tijd en ruimte, dus in de wereld van verschijnselen waarin Zijn zich kan identificeren met vorm. Zolang Zijnsbesef niet geïdentificeerd raakt met een verdeling die verder gaat dan de notie IK BEN, is het mogelijk terug te keren in de eigen essentie, de absolute kwaliteit. De vraag 'Wie IS (bewust)?' is overigens een interessante, probeer die maar eens te beantwoorden. Terwijl de waarnemer met 'IK BEN' zijn bewustheid onderstreept, verwijst de vraag 'Wie is (de) bewustheid?' onmiddellijk naar de bron, het Absolute. Het is een antwoord dat eigenlijk geen antwoord is. Het Absolute staat voor noch dit, noch dat.

Is er reeds sprake van verdere differentiatie dan is eenheid alsnog te realiseren door direct inzicht in de aard van het bewustzijn. Voor dit inzicht bestaan passieve en actieve methoden, meestal in combinaties. Het Zijn kan zich openbaren in een flits van inzicht door totale devotie aan God, of door het constant herhalen van dezelfde woorden (mantra's). Dit komt omdat door herhaling de gedachten sterk worden afgeleid en gekalmeerd, terwijl het bewustzijn zich richt naar het object van toewijding. Paradoxaal genoeg kan door deze sterke gerichtheid de liefdevolle verering zo sterk worden dat deze overslaat in een beleving van eenheid, vooral wanneer verering gestalte krijgt door belangeloze toegewijding. Bijvoorbeeld door hulp aan anderen.
Totale verwerkelijking doorbreekt echter ook de devotie aan het godsbeeld. Op het moment dat werkelijke eenheid gerealiseerd wordt valt eenheid terug in het absolute (zie aan het begin van dit hoofdstuk). Een sterk geloof zal dit weerhouden, maar ik denk dat mensen die langdurig in een bijna eenheidsbeleving verkeren door een sterk geloof, zoals in bovengenoemde context, een verzwakte scheiding gaan voelen tussen hun godsbeeld en hun eigen wezenlijke kwaliteit. Maar dat is een gevoelsmatige inschatting.

BELANGELOOSHEID


Belangeloosheid is dodelijk voor de ambitie waarmee het ego zich beschermt. Hieronder valt nadrukkelijk ook spirituele hebzucht, zoals de hang naar verlichting. Belangeloze toewijding aan lijdenden in de wereld is daarom misschien nog wel authentieker en krachtiger dan tal van spirituele vormen waarin de verlichting centraal wordt gesteld. In een oorzakelijke context geplaatst is voor belangeloosheid en toewijding zelfs geen (geprojecteerde) God noodzakelijk. Het Zelfonderzoek dat door louter persoonlijke fascinaties en verlangens in stand wordt gehouden, heeft als complicerende factor dat de taakgerichtheid van het denken en het persoonlijke belang elkaar voortdurend zullen blijven prikkelen. De oorspronkelijke staat is noch dit, noch dat. Persoonlijk, noch onpersoonlijk. Deze primaire staat kan nooit een gevolg zijn van enig persoonlijk verlangen; kan überhaupt nooit een gevolg zijn van iets.

Terug naar begin

HET ONTBREKEN VAN ENIG MOTIEF

Belangeloosheid wijst dus eigenlijk op het ontbreken van een persoonlijk motief. Dat duidt weer op de afwezigheid van valse identificaties. Er kan geen doel zijn. De weg en het doel zijn Eén. Het Zijn in begoochelde toestand kan slechts Zichzelf verwerkelijken. In de hectische wereld van vandaag is de weg van belangeloze toewijding moeilijk te begaan. Men dient er voor geroepen te zijn. Uitgaande van Zelfverwerkelijking mag het zeker geen methode worden. Dat zou onder de noemer van spiritualiteit slechts leiden tot nieuwe gebondenheid. Het probleem is dat de groepen waarin iets dergelijks wordt nagestreefd bijna altijd worden geteisterd door spirituele competitie. Ook de organisaties die zich hiervoor opwerpen zijn vaak niet oprecht. Daar is God een marketingproduct. Een doel tot religieuze macht.

BEKNOPT

Nogmaals, de oorspronkelijke (Absolute) staat is niet te bereiken, want door wie zou hij bereikt moeten worden? Door welke entiteit of instantie? Wat kan men in wezen anders zijn dan de in-grond waarin de waarnemendheid verschijnt? Met de waarnemer verschijnt ook de wereld. Eenmaal gerealiseerd is men hoogstens verlost van de ingebeelde persoonlijkheid die door de vicieuze cirkel van het zoeken in stand werd gehouden. De aldus bevrijde mens is de illusie van dood en geboren worden voorbij. Het lichaam dient zijn tijd uit en de levende kracht die het lichaam intact houdt is niet meer vereenzelvigd met beperkingen van geest of psyche. Deze kracht was altijd al zonder maatstaven en tijdloos. De man of vrouw, met alle eigenaardigheden die de mens eigen is, bestaat echter nog en zal op zijn tijd sterven, maar de ingebeelde persoonlijkheid is voorgoed verdwenen.

Het oorspronkelijke is van de illusie ontdaan, nadat het natuurlijke proces van verwerkelijking tot een einde kwam. Deze staat is inherent aan de absolute staat. Men spreekt van een Verlichte geest. Maar wie is Verlicht? Misschien zou je kunnen zeggen dat bij zo'n menselijke manifestatie, zozeer doordrongen van een verwerkelijkt Zelfbewustzijn, sprake is van een verlichte staat. Een feitelijke situatie en zeker geen verworvenheid die men bezitten kan. De persoon die zich de verlichting zou kunnen toe-eigenen bestaat niet langer.

Terug naar begin



VERANTWOORDING

Dit alles gezegd hebbende, zonder de luxe van iemand die mijn bijdrage heeft ingeleid, voel ik mij enigszins geroepen iets over mijzelf te vertellen. Na het uitvoerige betoog zou ik mij kunnen voorstellen dat rond mijn persoon enkele vragen zijn gerezen. Bijvoorbeeld:

Heb ik het ware gerealiseerd?

Ik beschouw mijzelf niet als gerealiseerd en dat lijkt me een heel juiste inschatting. Hoewel de vraag van belang is mijd ik dit onderwerp het liefst vanwege de vele misverstanden en onterechte claims die er vaak aan kleven. Mijn wijze van positioneren is geen valse bescheidenheid.

IK BEN is de enige staat waarvan ik weet: dat klopt zonder meer. Zonder te willen vervallen in een woordspel stel ik dat het onweerlegbaar is dat IK BEN. Dit vormloze 'weten' behoeft geen onderbouwing. Het vormt zijn eigen draagvlak. Zou mij gevraagd worden: 'Hoe kun je spreken over het Zelf wanneer je (de kwaliteit van) het Zelf niet volledig gerealiseerd hebt?' dan zou ik het antwoord schuldig moeten blijven. Of misschien moet ik mijn inzicht maar verantwoordelijk stellen. Maar inzicht is niet hetzelfde als gerealiseerd zijn. Inzicht is een geslaagde co-productie van het hart en het verstand. Het kenmerk van Realisatie is juist dat het geen eigenaar meer heeft.

Hoe kan ik voor mezelf zo zeker weten dat iets waar is?

Waarschijnlijk omdat alleen al de mogelijkheid van het gewaar-kunnen-zijn het bewijs vormt voor de aanwezigheid van Zijn. Hieruit vloeit voort de stelling IK BEN, dat in wezen een actieve gebruiksvorm is van het Zijnsbegrip. Objectieve bewijsvoering levert hier niets op want de mogelijkheid van het gewaarworden gaat nog aan de gewaarwording vooraf. Deze mogelijkheid of 'bewustheid' is zelf niet kwantificeerbaar (meetbaar), terwijl het object van de bewust- of gewaarwording dat wel is. Het is als met de stellingen 'IK BEN' en 'IK BEN dit of dat', waarbij de discussie in het laatste geval direct verplaatst naar de sfeer van dualiteiten. In deze sfeer, dit domein van verschijnselen, is wel onderzoek mogelijk.

Ook weet ik dat er in mijn doorleving iets wezenlijks ontbreekt. Het besef van de alomvattende werkelijkheid van ZIJN is onvolledig. Binnen het fundament IK BEN zoemen zoals gebruikelijk de talloze gedachten. Dat zegt niets over de mate van verwerkelijking, maar mijn aandacht raakt door al deze gedachten gemakkelijk geïdentificeerd. Niet dat het vastplakt, maar kleverig is het wel. Alsof het gebouw reëler is dan de ruimte waarin het verschijnt. Overtuigingen en oordelen spelen in mij nog steeds een heersende rol in plaats van de marginale of functionele rol die onvermijdelijk is.

KENNIS


Misschien ligt hier wel het belangrijke verschil tussen ongecompliceerd innerlijk weten en cerebrale kennis. Bij direct Weten is er geen onderscheid tussen subject en object, terwijl bij de kennis van het brein elke vraag in balans moet zijn met het antwoord dat tevens het bewijs zal moeten leveren. Het weten IK BEN bestaat op zo'n elementair niveau dat een causale verklaring niet aan de orde is. Niemand kan ontkennen dat hij of zij IS. Het is een onbewijsbare stelling die men als grondslag aanvaardt, een axioma in feite. Het is tevens het overgangsgebied tussen het onbekende, de oorspronkelijke natuur, en het bekende. IK BEN is de laatste illusie. Over wat men dan vervolgens meent te ZIJN, is wel degelijk discussie mogelijk. Hier wordt ook direct de grens overschreden van direct weten naar kennis. Zowel wetenschap als geloof bewegen zich op dit vlak van kennis.

Kennis passeert nooit het niveau van dualiteit. Kennis associëren met gradaties van geestelijke ontwikkeling, hoe veelvuldig voorkomend ook, is een essentieel misverstand. De reden dat het zoveel gebeurt is ongetwijfeld de zekerheid die het voorspiegelt, de controle en de troost die telkens worden verward met authenticiteit en waarheid. Waarheid staat steeds met lege handen, terwijl men met kennis de handen meer dan vol heeft. Kennis is aantoonbaar. De waarnemer vindt bevestiging in de logica, die echter alleen opgaat binnen vastgestelde kaders. Kennis is conceptueel en kent waarheid alleen als een samenhangende constructie. Een logisch raamwerk waarbinnen afzonderlijke delen elkaars afhankelijkheid en juistheid bevestigen. Waarheid daarentegen is samenhangend, noch chaotisch. Waarheid Is.
Kennis camoufleert waarheid en fungeert in het gunstige geval als een soort spiegel of blauwdruk van hetgeen men er mee wil aantonen. Waarheid als gerealiseerd bewustzijn toont de onmetelijkheid van Zijn, terwijl kennis een territorium is van maatstaven.

Dat de lezer zijn/haar perceptie met zorg en kritische aandacht blijft beschouwen is dan ook belangrijker dan het blind focussen op namen, reputaties en geestelijke rangordes. Woorden bevatten geen absolute waarheden. Het is de instelling van de lezer die de zeggingskracht van het geschreven woord substantie geeft. Betekenis is zoals alles vooral een energetische kwaliteit. Het is de ruimte die het aanbrengt binnen de perceptie. De feitelijkheid op zichzelf heeft geen enkele waarde. Daar wordt niemand warm of koud van. Het is de spanning tussen het ene feit en het andere feit dat iemand opspringt en met kloppend hart door de kamer danst. Dat is de kracht van verschuivende overtuigingen. Plotseling stroomt daar iets dat er eerder nog niet was.

VALKUILEN

Te vaak zie ik in teksten de bekende valkuilen; misverstanden omtrent zelfverwerkelijking. Mensen die zich ongewild, onbewust of uit een vorm van begeerte zijn gaan beschouwen als de veroorzaker van een staat die zij menen te hebben bereikt. Zij slaan de plank mis. De kans op gemakzucht, vertroebeling en verstarrende beeldvorming daagt uit tot een open en compromisloos onderzoek. Ik beschouw Zelfonderzoek als een actieve daad waarmee de oorspronkelijke staat manifest in het bewustzijn kan worden gebracht. Meditatie beschouw ik als een passieve vorm die tot hetzelfde kan leiden. Een beloning wordt hiermee niet binnengehaald, maar de verhullende verpakking wordt van de beloning afgenomen. De beloning is het begrepene Zelf. Zelfonderzoek en meditatie vinden plaats in het hier en nu. Zoeken is slechts een product van verwachtingen en projecteert de beloning naar de toekomst. Door de beweging van het zoeken blijft de oplossing perfect verborgen.
Waarmee niet is gezegd dat zoeken slecht is, want elke beweging leidt tot een tegenbeweging en elk verschijnsel is continu aan verandering onderhevig. Ik probeer slechts te duiden hoezeer het spel van identificaties zorgt voor een oneindige diversiteit aan verhullende patronen.

Terug naar begin


MISVERSTANDEN ROND NON-DUALITEIT

Onverbiddelijkheid is één van de eigenschappen die onvermijdelijk zijn bij het verwerven van Zelfkennis. Want er is geen lastiger illusie dan die van de verlichting. Wie voor zoete koek slikt dat de doener niet bestaat en dat zijn zelfbeeld illusie is, die onderzoekt niet langer zijn overtuigingen, noch de conceptualisatie die hiervan het gevolg is. Er van uitgaande dat de persoonlijkheid is uitgewist en dat alleen het heden bestaat, gelooft menigeen dat zijn verlichting is bereikt. Daar komt geen argument meer doorheen. In een discussie volgen dan opmerkingen als: "Ik hoef niets te doen, want dingen gebeuren spontaan." Of: "Waarom zou ik dat (hele idee) onderzoeken? Voor wie? De leegte die ik ben heeft daar geen boodschap aan."
Het niveau van betrekkelijkheid - vertegenwoordigd door het kleine ik - wordt niet zelden volledig ondergeschikt gemaakt aan een absoluut standpunt. Het absolute is wél goed en het betrekkelijke niet. Het eerste is wel echt, het laatste niet. Het is een dualistisch denken in een ogenschijnlijk non-dualistisch zelfbeeld. Voor het persoonlijke is hoegenaamd geen plaats meer, want 'verschijnsel' en 'absolute' zijn zaken geworden die elkaar in de weg zitten. Alleen het absolute telt. Dit maakt communicatie bijna onmogelijk.
De doener mag als betrekkelijk fenomeen niet langer bestaan. Er is geen aanspreekpunt meer dat telt; geen personage dat op woord of daad kan worden aangesproken. In plaats van geopend is men hermetisch afgesloten. Wat een ironie...

Nog enkele voorbeelden:
"Ik sla alleen nog maar gade. Dingen kunnen mij niet raken, want ik ben vrij."

Men verbeeldt zich dat men leeg is. Er wordt een alwetend perspectief over de gebeurtenissen uitgestort, zodat wat er ook gebeurt, alles met terugwerkende kracht is geworden tot wat het had moeten zijn. "De dingen gaan nu eenmaal zoals ze gaan." Onweerlegbare algemeenheden die onderstrepen dat je nergens je best voor hoeft te doen. "Ontspan en laat het leven maar leven", non-dualistische pretenties in de hopeloze context van een hyperdualistische onbereikbaarheid. Iemand met zo'n instelling ergens verantwoordelijk voor houden wordt een heikele aangelegenheid. Hier wordt veelal gesproken vanuit een toestand die door concepten is gevormd. Het zijn woorden. Woorden die misschien onwrikbaar lijken in hun juistheid, maar uitgesproken in een toestand van mindrealisatie of overtuiging. Dus niet vanuit de staat die men in wezen IS; niet vanuit de onverwoestbare onschuld die onder alle cosmetica van het denken verborgen ligt. Niet vanuit de toestand die geen schijn meer hoeft op te houden.

Met deze conceptuele trucage, dit 'meegaan in de levensstroom', meent men soms de sleutel van het grote doel te hebben gevonden.
Evenals in het eerste deel van mijn betoog (deel: Geloof) leg ik sterk de nadruk op deze tendensen. De subtiliteit waarmee het denkende in de mens zelfs het zogenaamd heilige kan inlijven is van een buitengewoon raffinement. Prachtig om als mechanisme waar te nemen, maar lastig om je ervan te ontdoen wanneer het je langzaam inpakt. Voor de contrôlefreak onder de zoekers is het een nauwelijks zichtbaar proces.

De Autodidact

Helaas komt deze neiging tot het scheppen van een verlicht zelfbeeld niet alleen voor bij groepen maar ook bij autodidacten. Dat is geen kwestie van onwil, eerder een gebrek aan onverbiddelijkheid in wat men zichzelf tot doel heeft gesteld. Gemakzucht door het toelaten van spirituele ambities is dodelijk voor het verkrijgen van inzicht in wat IS. Dit doel kan niet bereikt worden! Waarheid kan alleen Zijn. Waarheid maakt meer kans wanneer de onmogelijkheid van het begrip 'Waarheidsvinding' begrepen is. Je Bent het al! Zodra waarheid een concept is wordt realisatie een leugen. Bij conceptvorming rond pogingen tot het verkrijgen van inzicht doemen vaak dezelfde misverstanden op.

Nog een invalshoek:
Het betrekkelijke wordt beschouwd als tegengesteld aan het absolute. Voor het verstand is dit een verraderlijke manier om in het absolute houvast te vinden. Het lijkt op loslaten, maar het is een maniertje waartegen weinig kruid gewassen is. Tegenover het persoonlijke staat hier het onpersoonlijke; de illusie tegenover de waarheid. Allemaal termen met een tegengestelde lading waardoor een zeer dualistisch beeld wordt neergezet. Dat kan niet de bedoeling zijn. Niet voor niets wordt in de Advaita Vedanta de oorspronkelijke staat 'neti neti' genoemd: noch dit, noch dat.
In absolute zin zijn dingen noch persoonlijk, noch onpersoonlijk. Geen enkele kwalificatie kan hier van toepassing zijn, geen enkel houvast is mogelijk. In de authentieke staat, waar het in de Advaita Vedanta om te doen is, gaat de vrijheid van het Zelf gepaard met een totaal verlies aan houvast.
De waarnemendheid, het moment van aandacht, de bewustheid of het bewustzijn: ze geven allemaal uitdrukking aan de kwaliteit die het mogelijk maakt om überhaupt te kennen. De oorspronkelijke of eerste kwaliteit.
Elke activiteit waarmee gedachten een ervaring mogelijk maken, ook de ervaring van de zogenaamde verlichting, maakt deel uit van een dualistisch handelen. Elk identificerend moment schept een doener. Daar is niets mis mee! Het telkens terugkerend misverstand is dat men verlichting in het domein van de doener blijft zoeken, terwijl men alleen maar stil hoeft te zijn om de oorspronkelijke kwaliteit gewaar te zijn.

GEEN WEZENLIJK VERSCHIL TUSSEN VERSCHIJNSEL EN ABSOLUTE

Wezenlijk bestaat er geen verschil tussen het verschijnsel en het absolute. Het verschijnsel is een tijdelijke manifestatie die altijd aan verandering onderhevig is. Het absolute wordt doorgaans genoemd als de onveranderlijke ongemanifesteerde staat waarbinnen al het tijdelijke verschijnt. Tussen beide definities bestaat een spanning omdat het tijdelijke niet als wezenlijk wordt aangemerkt en het absolute wel. Maar juist om de reden dat het één het grondbeginsel is van het ander, is ook in de tijdelijke staat die (absolute) wezenskern onveranderlijk aanwezig. Iets manifesteert en keert vervolgens weer terug in de ongemanifesteerde staat. Tot stof zult gij wederkeren. De oceaan vormt een druppel en de druppel wordt weer oceaan. Beide toestanden zijn ook niet meer dan benoemingen vanuit een zekere staat van kennis waarbij noodzakelijkerwijs gebruik wordt gemaakt van een invalshoek.

ILLUSIE

Het begrip Illusie kan beter wat minder letterlijk genomen worden. Dus liever geen vertaling naar droombeeld, zinsbegoocheling of niet bestaand. In de oosters georiënteerde filosofie is illusie iets dat niet blijvend is. Iets dat niet is wat het op het eerste gezicht lijkt. Dat geeft aan het verschijnsel tenminste bestaansrecht. Het verstand zal dan minder snel geneigd zijn om het 'betrekkelijke' en het 'absolute' te interpreteren als tegengestelde polen waarbij het 'absolute' de voorkeur verdient.

Niettemin... nogmaals...

Het inzicht is voor mij nog steeds niet volledig toereikend. Alsof niet kan worden ingezien hoe raak en hoe simpel het werkelijk is. Nog steeds spelen identificaties hierin een rol. In mijn geval is IK BEN een zekerheid, maar vreemd genoeg voor een belangrijk deel ook een gedachtestaat. De kennis is helder, maar niet louter een levende waarheid. Daarvoor spelen gedachten en overtuigingen te vaak een dominante rol. Zonder de pijnlijke angel van het zoeken raast dit brein nog even uit. Ik verwijs U door...

Terug naar begin

HOE KOM IK AAN MIJN INFORMATIE?

Deels uit de vragen die ik mij persoonlijk stelde en de verdieping die hierop volgde, en deels uit een vroegere angst. Ik herinner mij dat ik als kind van ongeveer drie jaar oud een periode niet durfde te slapen. Ik begreep niet waarom ik na te zijn weggeweest (slapen), weer zou terugkeren in het wakker zijn. Ik ervoer mijn Zijn als een volstrekt willekeurig gebeuren en zag de vanzelfsprekendheid van een voortzetting geenszins in. Er is later natuurlijk wel meer gebeurd en er kwam een tijd dat de slapeloosheid wederom hard toesloeg. Dat begon rond mijn negende jaar. Ditmaal niet vanwege de angst voor de ultieme verdwijning, maar vanwege het eindeloos doordenken over de consequenties van het denken zelf. Ik zocht de oorsprong van de gedachte. Ik veronderstelde dat ik hiermee de oplossing in handen kon krijgen voor elk denkbaar probleem.

Denkverslaving

Vreselijk hoe verslavend dat denken was. Hoe dieper ik nadacht hoe sterker ik het gevoel kreeg als een kat achter zijn staart te tollen. Paradoxaal genoeg school hierin ook een aantrekkelijke belofte, want de essentie die ik zocht leek nooit zo nabij als op deze pijnlijke momenten van tevergeefs graafwerk. De pijn veroorzaakte een vorm van dissociatie waardoor ik op momenten mezelf naar mezelf zag zoeken. Zo ving ik als het ware een glimp op van de schat die ik najoeg. Helaas drong de kernachtige absurditeit van die waarheid (die zichzelf zoekt) nooit echt tot me door. De magische momenten van aanwezigheid, die net niet te traceren authentieke kracht, brachten het nooit verder dan een vaag abstract weten. Niettemin genereerde de intrinsieke kracht van dit gevoel een nerveus verlangen naar meer, zodat de resultaten telkens leidden tot een groter innerlijk conflict.

Met vaagheden kon ik geen genoegen nemen. Zweven is makkelijk zat want zelfs 'vrijheden' zijn te projecteren. Het hele New Age gebeuren drijft op die verraderlijke en suggestieve kracht. Maar dat zwelgen in vaagheid is weinig bevredigend. Ik wilde mijn ervaring toegankelijk maken door een logisch verklaringsmodel. Misschien vreemd op die jonge leeftijd, maar het was kennelijk een psychische noodzaak. Helaas bleek alle gretigheid onvoldoende om die gekooide kracht ook maar iets concreter te maken, laat staan te verwerkelijken.
Het denken werd meegesleurd in een hachelijk avontuur, want gedachten vergaren hun materiaal sneller dan de razende wind. Al denkende zocht ik naar een manier om de oorsprong van het denken te achterhalen. Met het vinden van de oorsprong zou, zo dacht ik, vanzelf de macht van het denken beteugeld kunnen worden. Sterk geassocieerd met het denken hoopte ik dat, na een verkenning van de uiterste mogelijkheden, het denken zijn geheimen van binnenuit prijs zou geven. Maar het naakte IK BEN kon, met mijn fixatie op alle gedachten die er in verschenen, onmogelijk manifest worden. Dit ongedeelde IK is immers het noumenon waaruit iedere gedachte ontspringt. Alleen in die volkomen staat van Zijn kan blijken dat er geen verschil bestaat tussen de zoeker en het gezochte. Altijd was daar de illusie van dat wanhopig zoekende subject naar zijn waarheid, zijn bron. Een IK met diepe heimwee naar zijn eigen ruimte. Een zoekend IK dat in extreme mate van elke gedachte een object wist te maken dat vervolgens overwonnen moest worden.

Krishnamurti

De eerste leraar die mij sterk beïnvloedde was Jiddu Krishnamurti, die op 17 februari 1986 overleed. Het was een geweldige ontdekking dat iemand sprak over onderwerpen die mij jarenlang zo dwangmatig hadden verleid. De grote kracht van Krishnamurti vond ik zijn boodschap dat Waarheid alleen in jezelf gevonden kon worden, daarmee elke autoriteit van buitenaf verwerpend. Het bewijs van zijn diepe overtuiging lag wel in zijn radicale afwijzing van het wereldleraarschap in 1929. Vertegenwoordigers van de toen nog machtige Theosofische Vereniging, waaruit later de Antroposofen zich zouden afsplitsen, hadden hem op veertienjarige leeftijd (1909) van arme Brahmaanse ouders geadopteerd en opgeleid. Ze zagen in hem het toekomstige voertuig van de goddelijke Maitreya, de Bodhisattva die volgens de Boeddhisten de volgende Boeddha zou zijn. Krishnamurti kreeg van de Britse theosofen een keurige westerse opvoeding. Daarnaast werd hij jarenlang liefdevol gehersenspoeld met spirituele concepten; ideeën en theorieën die hem als voertuig van de Maitreya geschikt moesten maken. Hoewel Krishnamurti ook voor zijn radicale afwijzing regelmatig sprak over de beperkingen van het mentale bewustzijn, betekende het ontbinden van zijn Orde van de Ster (van het Oosten) voor de theosofen een klap die de vereniging nooit echt te boven is gekomen.
Voor mij persoonlijk was het nadeel van zijn leringen dat het nog meer stimuleerde om te gaan graven in de diepten van m'n ziel. Nog meer dan vroeger dacht ik na: nu om het denken te begrijpen. Inzichten in de mechanismen van het denken, mij door Krishnamurti aangereikt, namen echter ook iets weg van de zware inspanning die ik tot dusver alleen had moeten dragen. Over Krishnamurti zijn boeiende biografieën geschreven. Veel van zijn gesprekken zijn in boekvorm verschenen, waaronder de meesten ook in het Nederlands. Zie onder andere: Altamira.

Bhagavad Gita

Op een zeker moment was de uitleg van Krishnamurti niet voldoende meer. Weliswaar maakte hij me zeer bewust van de vele beperkingen van de geest, maar het ging me niet ver genoeg. Datgene waar het me werkelijk om ging bleef te ongrijpbaar. Er was iets waarnaar ik wanhopig zocht. Een essentie waarvan ik zelf ook niet wist wat die exact inhield. Gevoelsmatig was ik echter zo zeker van mijn zaak dat ik me erin vastbeet en niet kon loslaten.

Een volgende klapper was mijn ontdekking van de Bhagavad Gita (Lied van God). Een belangrijk oosters werk dat een episode vormt van het omvangrijke Mahabharata, deel uitmakend van de Indiase Veda's. Het boek was mijn moeder door Hare Krishna's op straat in handen gedrukt. In de Bhagavad Gita leidt de god Krishna, tijdens een heroïsche strijd die binnen de dynastie is losgebarsten, de strijdwagen van Arjuna. Arjuna is één van de rechthebbende troonopvolgers die door God (Krishna) onderwezen wordt in de strijd.
Wanneer Arjuna door zijn vriend Krishna tussen de slagordes van beide partijen wordt gereden, en hij tal van legendarische krijgsheren, waaronder vele geliefde familieleden tegenover zich vindt, wordt hij wanhopig. Hij vraagt Krishna waarom hij zou vechten indien hij zijn geliefden daarmee in de strijd zou verliezen.

De Bhagavad Gita is een weergave van de vragen en antwoorden die vervolgens tussen Krishna en Arjuna ontstaan, waarbij vele levensvragen aan de orde komen. Ik beschouw de Bhagavad Gita nog steeds als een subliem werk van de allerhoogste orde. Het boek is buitengewoon inspirerend en rijk, doch ook niet heel gemakkelijk te begrijpen.


Terug naar begin


EINDE AAN HET ZOEKEN

Ik ontkwam niet aan het werk van Socrates, de grondvester van het westerse analytische denken, althans, zoals neergezet door zijn leerling Plato. Het was fascinerend maar niet heel inspirerend. Veel andere filosofen heb ik daarna niet behandeld. Liever dan het consumeren van rationele modellen ben ik zelf deel van het onderzoek. Het wezen van mijn existentie verschilt niet van anderen. Mijn eigen bewustzijn is dus de meest nabije bron. Veel westerse filosofen vond ik bovendien tezeer van alle verwondering ontdaan. Alsof al het leven werd uitgeperst en opgeofferd aan het brein. Dat drooggekookte gevoel ken ik overigens ook van m'n eigen hoofd. Alsof ik in die woestijn m'n Waterloo moest vinden.
Rond mijn dertigste zag ik in dat het geen zin had om met een wanhopig zoekende instelling verder te gaan. Het lukte me ook niet meer. Te vaak en te lang had ik mijn kop gestoten en mijn energie naar binnen gericht, pogende om daar iets te vinden. Nu zat er wel een addertje onder het gras want wederom dacht ik hiermee een antwoord op zak te hebben, maar er gebeurde totaal niets. Het was opnieuw een domper in plaats van een bevrijdend visioen. Voor houdbare illusies ben ik kennelijk niet in de wieg gelegd.

Sri Nisargadatta Maharaj

Sri Nisargadatta Maharaj: een impressie (Altamira-site) Hoewel ik naast filosofisch en sjamanistisch werk veel boeken las met oosters gedachtegoed, o.a. boeddhisme, hindoeïsme, en in mindere mate taoïsme, liep ik enige tijd geleden tegen een boek aan waarvan de omslag mij direct in de ban hield.
Het was de onverbiddelijke en buitengewoon levenslustige blik van Sri Nisargadatta Maharaj, uit het Indiase Bombay. Hij overleed in 1981. De foto herinnerde me aan één van de laatste foto's van mijn grootvader. Op beide foto's waren deze mannen al ziek en verzwakt. Ik hield veel van mijn grootvader, kocht het boek en de inhoud bleek even onverbiddelijk. Nog steeds ben ik verbijsterd over de scherpte, de diepte, de autoriteit en het ongelooflijke gemak waarmee Nisargadatta sprak, interrumpeerde en ware kenners van de schrift ontmaskerde als zijnde voornamelijk pakhuizen van onbegrepen kennis. Ik voelde opnieuw opwinding vanwege de herkenning van dit gemeenschappelijke en zo wezenlijke thema. Het bezorgde me een gevoel van thuiskomst, waarbij de één rijkelijk kon aanvullen wat de ander zo node miste.

De voor de leek meest eenvoudige boeken, maar met veel impact, zijn in het Nederlands uitgegeven door Uitgeverij Ankh-Hermes. Het zijn de titels 'Ik Ben' en 'Zijn'. Voor een goed begrip zijn deze beslist aan te raden. De titels worden inmiddels ook uitgegeven door Uitgeverij Altamira. Nisargadatta verwijst bij vele vragen terug naar deze exemplaren. Hij was te bevlogen om de beginselen steeds opnieuw te willen uitleggen. Voor mij persoonlijk verschenen de meest boeiende titels van Nisargadatta pas na deze standaardwerken; naar mijn weten in het Nederlands alleen door Altamira uitgegeven.
Duidelijk is dat Nisargadatta zich bij deze latere gesprekken niet langer heeft ingehouden voor mensen die hem moeilijk konden volgen. Hij was al ernstig ziek en vertelde meerdere malen dat hij zin, noch tijd had om te spreken voor een kleuterklas. Naarmate zijn dood naderde stelde hij zijn resterende tijd steeds meer beschikbaar om zijn meest kernachtige inzichten te ontvouwen. Altijd op het scherp van de snede en altijd onverbiddelijk. Een sensatie om te volgen.


Terug naar begin


ADVAITA EN KRITISCH VERMOGEN

De leer waarin Nisargadatta door zijn leraar werd onderwezen is de zogenaamde Advaita-Vedantaleer of kennis van het absolute, een oosters filosofisch stelsel. Na dit onderricht vielen voor mij de meeste stukjes van de puzzel op de juiste plek. Het weinige en tevens belangrijkste wat ik niettemin nog steeds niet bevatten kan is de eenvoud van het onuitspreekbare. Iets waarnaar zolang is gezocht, en waarvan de essentie me uiteindelijk op een onbewaakt moment is toegevallen, dient gewoon geaccepteerd te worden als een feit. Dat feit kan men vervolgens gerust vergeten omdat het dan geen item meer is. Het Zijn is dan verwerkelijkt. Misschien dat het mij eens zal dagen, of misschien ook wel niet. Niet dat het uitmaakt, want IK ben DAT en DAT ben ik. Waarheid is zonder voorwaarden.

De leer van het Absolute werd circa 700 na Christus geformuleerd door Gaudapada en verder ontwikkeld door Sankara. Zijn Advaita-leer (de Vedanta) vormt de dominerende filosofie in India. De drie algemeen erkende grondslagen waarop de Vedanta rust, zijn:

-de Bhagavad Gita
-de Upanishads
-de Brahmasutras


De Advaita-leer zoals uitgedragen door Nisargadatta komt op mij over als een volstrekt authentieke kennisoverdracht. Er vallen slechts woorden die, in tegenstelling tot mijn eigen woorden, door en door gerealiseerd zijn en daarom vrij van elke gelieerdheid met wat voor "isme" dan ook. Hetzelfde kan ik meedelen over Krishnamurti. Waar echter Krishnamurti zijn tanden diep in het vlees zet, hij was overigens vegetariër, bijt Nisargadatta door tot op het merg.

ONVERBIDDELIJKHEID
Ook al is de kennis van Nisargadatta ontleend aan de Advaita-traditie, dan nog biedt het uitdragen ervan geen enkele garantie voor een zinnig betoog. Dit geldt natuurlijk ook voor de pogingen van bewonderaars van Nisargadatta, mezelf inbegrepen. De naam Advaita opent echt geen deuren. Bovendien krijgen woorden pas betekenis als degene die luistert kritisch is, en in staat om in volle ernst de vele vragen die aan de orde komen te onderzoeken en te wegen op de eigen merites. Klakkeloos overgenomen kennis, omdat het wel betrouwbaar overkomt, heeft geen enkele betekenis.
Het woord onverbiddelijkheid, hier een aantal malen ter sprake gekomen, is van groot belang. Elke vorm van luiheid die leidt tot een acceptatie van gemakkelijke antwoorden is fataal voor het verkrijgen van een helder begrip.

VERWIJDERING

Bij ieder draaien van een as ontstaan naar buiten gerichte krachten, die sterker worden naarmate zij zich verder van de as verwijderen. Zo is het ook met antwoorden en quasi-inzichten naarmate men zich verder van zijn bron, zijn authenticiteit, verwijderd heeft. Eenmaal ontketend zijn het deze krachten die de mens tussen hoop en vrees heen en weer smijten. De as beweegt en staat toch stil, terwijl het wiel slingert. Authenticiteit is datgene waarin de bron voelbaar is. De bron die het begin van iedere beweging is. De bron die het subject (IK BEN) zelf is.

HEEFT ZOEKEN ZIN?

Uitgaande van de strekking van mijn betoog natuurlijk niet. Want wie is de zoeker, en welke waarheid is zo grijpbaar dat zij gevonden kan worden? Toch denk ik dat zoeken nut heeft. De vraag van wel of niet zoeken kan eigenlijk ook niet aan de orde zijn. Zoeken is nu eenmaal een natuurlijke beweging in de richting van het meest wezenlijke. Het gebeurt vanzelf na identificatie met het onwezelijke. Iedereen wil gelukkig of vrij zijn. Het is een universele heimwee naar de oorspronkelijke staat die de kern van je wezen is.
Wanneer je al zoekende heel sterk gefocust bent op een bepaalde uitkomst, wordt de geest steeds ontvankelijker voor informatie die het beoogde inzicht dichterbij kan brengen. In relatie tot het zoeken zal Waarheid steeds gemakkelijker herkend worden, louter omdat Waarheid als meest wezenlijke oorsprong in alles inherent aanwezig is (satguru). Hoe deze herkenning uiteindelijk plaatsvindt is bij niemand te voorspellen. Het komt er op neer dat het Zijn zich plotseling herkent in wat het zoekt. Het Zijn ontdekt het Zijn; ontdekt zichzelf als enig doel. Daarmee blijkt het doel geen doel te zijn, net zomin als men naar zichzelf kan toewandelen. Je blijkt zelf die ruimte waarin alles verschijnt. Tegenstellingen vallen weg en men realiseert zich dat er eigenlijk nooit tegenstellingen waren. Soms komt zo'n antwoord nabij als gevolg van een jarenlange verwijdering. Na eindeloos je kop te hebben gestoten en murw te zijn geslagen zie je dan opeens de vitale belemmeringen die je misschien anders nooit zouden zijn opgevallen.


PROJECTIE


Toch is het frappant hoe zelfs dit inzicht door het denken in het bewustzijn kan worden geprojecteerd, waarbij de geïndentificeerde waarnemer zou zweren dat hij het licht heeft gezien. Zo verbijsterend subtiel blijkt het borduursel van de menselijke geest dat het eigenlijk ook een wonder is. Maar hoe subtiel ook, bij het werkelijk herkennen van de oorspronkelijke natuur blijken al die voorstellingen slechts fata morgana's en is ook twijfel of ingebeelde zekerheid niet meer aan de orde. Dat de persoonlijkheid als een perfecte wagenmenner de gewenste levensroute kan uitstippelen is een gedachte waarin menigeen graag gelooft.

DE GEEST

De geest (mind) is als een inktvis. Het water is zijn levensbron en toch spuit het inkt om aan deze transparantie te ontkomen. De inkt heeft natuurlijk een reden, want nu kan de inktvis vluchten om zich het vege lijf te redden. Zolang de mens in zijn eigen onafhankelijke entiteit gelooft zal hij precies hetzelfde blijven doen en pogen zijn werkelijkheid te ontvluchten teneinde zich het vege toebedachte lijf te redden.

HET ZIJN ALS LERAAR

Uitgaande van de mogelijkheden van het zoeken, is er tenslotte nog wel iets zinnigs op te merken over het Zelf (hoogste kennisdrager) als Leraar. Het Zelf draagt als oorsprong van ieder verschijnsel de Waarheid in Zichzelf. Waarheid en Zijn zijn identiek. Waarheid zetelt als oorspronkelijke kern daarom ook in de geest en in de vermeende persoonlijkheid. Dit houdt in dat ook de persoonlijkheid, al is zij een illusie, deze Leraar als bron in zichzelf draagt. Deze bewering wordt aannemelijk wanneer je in het Zijn verblijft door louter het besef van IK BEN.
Het is in deze toestand van aanwezigheid zonder meer, waarbinnen geopenbaard wordt dat het ZELF, al zoekende, al die tijd alleen het ZELF heeft trachten te vinden. Dit zoeken leidde per definitie tot het misverstand waarmee het zoeken stand hield. De zoeker vond antwoorden in de vorm van gedachten.

Een gedachte is een concept, een verschijnsel. Een gedachte herkent nooit wat aan de gedachte vooraf ging, herkent nooit zijn bron. De ene gedachte veroorzaakt hoogstens de andere gedachte, zoals het ene verschijnsel het andere oproept. Maar wat er ook gebeurt: het Zijn zoekt in essentie altijd Zichzelf. Het wezen van iedere herkenning is gelegen in het gevoel dat het Zelf iets bekends ontmoet. Wanneer de uiterste consequentie van die waarheid eenmaal is doorzien dan houdt het zoeken op.

VRAGEN

Vragen kunnen uiteraard per email worden gesteld. Een garantie dat ik alle vragen zal beantwoorden kan ik niet geven want hangt mede af van de mate van respons.

Frank Ho



Terug naar Geloof

Terug naar Essentie



Terug naar begin

© Frank Ho 1998.
Niets uit deze uitgave mag worden gereproduceerd zonder schriftelijke toestemming van de schrijver.

 

Naar HOmepage