
HET ABSOLUTE |
Het wordt tijd voor de salto mortale van het denken. In deel 'de Essentie' ging het vooral over het Zijnsgebied. Het accent lag op de verschuiving van de geïdentificeerde waarnemer naar het vormloze weten IK BEN, het besef van Zijn in een ongedeelde toestand. In dit deel 'het Absolute' wordt de stap gezet van het Zijnsgebied naar de absolute oorspronkelijke staat. Hier blijkt de stelling IK BEN eigenlijk een truc om de denkende en oordelende mens het besef bij te brengen dat hij zich als puur bewustzijn met tal van verschijnselen identificeert. De vanzelfsprekendheid waarmee de wezensstaat aan vorm werd gerelateerd wordt door IK BEN doorbroken. IK BEN toont als ervaring overtuigend aan dat het ZIJN losstaat van de verschijnselen die er in worden waargenomen (losstaand in de zin van voorafgaand). Hieruit blijkt het misverstand van het verschijnsel als het scheppend fenomeen van "dat wat werkelijk is". Beschouw deze voor het verstand niet te plaatsen abstractie uitdrukkelijk niet als iets dat zich buiten onszelf bevindt. Want dat laatste is vanwege het dualistische principe waarop de ratio gebaseerd is, een zeer natuurlijke neiging. Wij zijn zelf deze staat die zich vanuit het perspectief van kennis, bovenop vele identificatieprocessen, lijkt te bevinden op een intens diep, onbereikbaar en niet te kwantificeren niveau. Zodra de mechanistische werking van kennisconditionering met al zijn perspectivische consequenties is doorzien, blijkt het gebrek aan kwantificeerbaarheid niet langer een probleem van bewijsbaarheid, maar is dit het meest logisch volmaakte feit dat overblijft. KENBAAR EN NIET KENBAAR |
ILLUSIE
In diverse voornamelijk oosterse kentheoretische-stelsels wordt de stoffelijke manifestatie een illusie genoemd. Niet zozeer een schim, maar iets dat niet is wat het lijkt. Een dergelijk standpunt is begrijpelijk als men bedenkt dat deze stelsels een heldere opvatting hebben over de wezenlijke aard van elk ding. Ook mentale processen worden hier tot de verschijnselen gerekend. De persoonlijkheid valt er eveneens onder.
|
Piet moet niets. De vraag zou moeten zijn:
wat is Piet werkelijk? Zijn wezen is een kwaliteit die absoluut is, waar
niets bij en niets af kan. Zijn zelfbeeld is een illusie. De vraag, moet Piet af van zijn zelfbeeld slaat de plank mis, want:
wie is Piet zonder zijn zelfbeeld?
Uit identificatie met het zelfbeeld ontstaat het lijden van de persoonlijkheid
en uiteindelijk het lijden van de wereld. Dit doorzien kan alleen door spontaan
inzicht en niet als resultaat van inspanning. Inspanning schept onmiddellijk een doener,
een personage binnen een geobjectiveerde omgeving. Geobjectiveerd, omdat omgeving voor de waarnemer (met het zelfbeeld) niets anders is dan een spiegel waaraan hij zich toetst, zodat overtuigingen worden versterkt of afgezwakt. Overtuigingen vormen grotendeels onbewust de bouwstenen voor het zelfbeeld, waarbij het niet uitmaakt of de omgeving of het zelfbeeld als spiegel worden geduid. Ze spiegelen elkaar, veroorzaken elkaar en houden elkaar wederzijds in stand. Waarnemer en waargenomene zijn één.
Het zich afzetten tegen het
zelfbeeld schept slechts een gewijzigde versie waarin het verzet tot onderdeel wordt van het beeld. Elke poging iets te veranderen plakt er aan vast. Maar zelfs als Piet daarvan extreem veel last ondervindt, dan nog hoeft hij niets te ondernemen. Een structuur kan zichzelf van binnenuit niet transformeren of een andere blauwdruk aannemen, maar ze kan haar taaie dominantie wel verliezen door de eigen aard te doorzien te zien en er niet langer aan te hechten.
Helaas blijkt niets doen om (keuzeloos) gewaar te kunnen zijn meestal een stuk lastiger dan vele vruchteloze pogingen tot verbetering. Door niets te doen zou het voldoende moeten zijn om de aard, het mechanisme van het zelfbeeld te doorzien. Dat is niet gemakkelijk. De bril van het zelfbeeld is zo eigen en voelt zo echt en veilig dat het nauwelijks mogelijk lijkt om hem af te zetten.
Om het persoonlijk lijden te doorbreken is het noodzakelijk dat de
identificatie met het lichaam en de omgeving stopt. De impact die dit
vervolgens heeft op het lijden van de wereld is anders dan de gevolgen
van moreel getint handelen. Moreel handelen leidt slechts tot reacties
met een reikwijdte van goed tot slecht; dit al naar gelang de interpretatie
van het subject, de waarnemer. Handelen vanuit (een besef van) het absolute
verbreidt slechts de stilte van het Volkomen Zijn. Dit handelen is spontaan
en zonder egoïstische motieven. Er is immers niets dat wezenlijk kan worden bereikt.
Alles is goed omdat het is zoals het is. Niet als idee of leidende draad, maar als een geleefde werkelijkheid.
FILTER OF OPTISCHE ILLUSIE
Het zelfbeeld werkt voor de waarnemendheid dus eigenlijk als een filter dat intern door overtuigingen en extern door omgevingsfactoren wordt gevormd en gevoed, waarbij 'overtuiging' en de waargenomen 'omgevingsfactor' één ding zijn. Beide componenten vormen elkaar rond de zich hechtende waarnemer en vormen zo de kleur van 'zijn' bril, oftewel de persoonlijkheid van het in tijd en ruimte zichzelf beschouwende egobewustzijn.
Dat schept weliswaar een bron van mogelijkheden tot zelfreflectie of navelstaren, ware het niet dat identificaties de zaak doen stagneren door een verstikkende en niet aflatende stroom van oordeelsvorming. Einstein zei ruim vijftig jaar geleden: "Een mens is een bestanddeel van het geheel dat wij 'universum' noemen, maar dan een deel dat begrensd wordt door tijd en ruimte. Hij ervaart zijn gedachten en gevoelens als afgezonderd van de rest, als een soort optische illusie van het bewustzijn".
Hierbij opgemerkt dat binnen die optische illusie, door het wetenschappelijke principe om fenomenologische processen in termen van meetbaarheid te verklaren, alle uitwisseling van informatie beperkt blijft tot de grofzintuigelijke mogelijkheden die we kennen als de vijf zintuigen. Die wijze van zien is in de loop van eeuwen in het dominante westen geëvolueerd tot een cultureel kenmerk en exportproduct. Door gebruik van het soort logica dat het meeste vertrouwen wekt, ligt vooral in deze culturen zeer sterk de nadruk op het rationele oordeel. Zelfs de taal kent in de ene cultuur meer woorden met betekenissen die dualistisch en contrastvormend van aard zijn dan in andere culturen. Daar zou niets op tegen zijn als daarmee de kaders voor het oordeel niet zozeer beperkt zouden zijn tot het redenerende verstand.
Het (collectieve) egobewustzijn kiest uit gehechtheid steeds voor de vorm van waarheidsvinding die het meest beantwoord aan de behoefte controle te houden over de manier waarop wij het leven aanvoelen en menen te begrijpen. Versta 'gehechtheid' hierbij vooral als een equivalent voor 'veiligheid'. Hoe onveiliger men zich voelt, hoe meer fixatie op veilige structuren. Dat gevoel van veiligheid is uiteraard niet objectief. Het gevoel hangt volledig samen met de waarneming die past bij het (collectieve) zelfbeeld, maar het bepaalt intussen wel het soort overtuiging dat men vormt om de gewensde controle te behouden, ook als dat een sterk rationele inslag heeft en objectieve betrouwbaarheid suggereert.
Momenteel is er veel wetenschappelijke aandacht voor de aanwezigheid van transpersoonlijke communicatie zoals gebruikelijker in de dierenwereld, maar ook bekend bij de nog intacte inheemse culturen. Dat zijn vormen van communicatie die buiten de bekende zintuigen om gaan.
PROJECTIE VAN HET KLEINE IK
Het Ik is niets anders dan waarnemendheid/bewustheid die als Zelf wordt ervaren.
Het Ik is daarom zowel een continuüm als een tijdelijk verschijnsel en kent zowel een absoluut
als een relatief aspect. Beiden zijn onlosmakelijk verbonden, waarbij het één - het kleine
ik - een projectie is van het tijdloze en onbegrensde IK in een dimensie van tijd en ruimte. Omdat (de) bewustheid wordt omsloten door
identificaties met de verschijnselen die aan de waarneming zijn blijven kleven, bevestigt het zich als doener. De doener ervaart
zichzelf als een persoonlijkheid.
Hoewel het absolute nooit een moment afwezig is, is het buitengewoon
zeldzaam een mens, een levensvorm binnen het Zelf aan te treffen, wiens "persoonlijkheid" vanuit die oorspronkelijke staat functioneert.
Nu spreek ik niet over de wijze waarop zo iemand een kopje thee zet,
maar over de wijze van helder waarnemen, en het handelen dat voortkomt
uit heldere waarneming. Een verschil met het voor ons gebruikelijke scenario, waarbij vanuit een geïdentificeerde staat gehandeld wordt, is echter niet te maken op grond van uiterlijke of kwantificeerbare verschillen.
Het Zelf of Zijn is een equivalent van het totale
potentieel van waaruit de verschijnselen zich openbaren. Dit bewustheidspotentieel overstijgt tijd en ruimte en communiseert op basis van non-lokaliteit. Dit is het fenomeen in de kwantumfysica dat twee elementaire deeltjes elkaar na interactie blijven beïnvloeden en ogenblikkelijk informatie uitwisselen, ongeacht de afstand die hen scheidt. Deze wetenschappelijke ontdekking van non-lokaliteit ontsluiert een werkelijkheid die alle fysieke manifestaties in het universum verbindt. Wanneer deze universele kwaliteit op een menselijk (of ingekapseld) niveau van bewustzijn volledig is verwerkelijkt - dus niet langer toegedekt door vereenzelviging met de verschijnselen - zou je deze gerealiseerde mens inderdaad heilig kunnen noemen.
Maar
dan dringt zich wederom de vraag op: wie is Heilig? In een poging hier
nogmaals antwoord op te geven denk ik aan het volgende: Heilig is een handeling (of een product daarvan) die uiting geeft aan de volkomenheid van het Weten
dat hij of zij IS. Dat is de mens die zijn illusie doorzien heeft.
Het enige reële dat overblijft is totaliteit en de onkenbaarheid die er direct aan ten grondslag ligt. Het potentieel
kan niet misbruikt worden omdat misbruik duidt op een persoonlijk
motief. De Aanwezigheid zou onmiddellijk gefragmenteerd zijn, het directe
schouwen voorbij.
HET ONTBREKEN VAN ENIG MOTIEF
Belangeloosheid wijst dus eigenlijk op het ontbreken
van een persoonlijk motief. Dat duidt weer op de afwezigheid van valse
identificaties. Er kan geen doel zijn. De weg en het doel zijn Eén.
Het Zijn in begoochelde toestand kan slechts Zichzelf verwerkelijken. In de hectische wereld van
vandaag is de weg van belangeloze toewijding moeilijk te begaan. Men dient
er voor geroepen te zijn. Uitgaande van Zelfverwerkelijking mag het zeker geen methode worden. Dat
zou onder de noemer van spiritualiteit slechts leiden tot nieuwe gebondenheid. Het
probleem is dat de groepen waarin iets dergelijks wordt nagestreefd bijna
altijd worden geteisterd door spirituele competitie. Ook de organisaties
die zich hiervoor opwerpen zijn vaak niet oprecht. Daar is God een
marketingproduct. Een doel tot religieuze macht.
IK BEN is de enige
staat waarvan ik weet: dat klopt zonder meer. Zonder te willen vervallen
in een woordspel stel ik dat het onweerlegbaar is dat IK
BEN. Dit vormloze 'weten' behoeft geen onderbouwing. Het vormt zijn eigen draagvlak.
Zou mij gevraagd worden: 'Hoe kun je spreken over het Zelf wanneer je
(de kwaliteit van) het Zelf niet volledig gerealiseerd hebt?' dan zou
ik het antwoord schuldig moeten blijven. Of misschien moet ik mijn inzicht maar verantwoordelijk stellen. Maar inzicht is niet hetzelfde als gerealiseerd zijn. Inzicht is een geslaagde co-productie van het hart en het verstand. Het kenmerk van Realisatie is juist dat het geen eigenaar meer heeft.
Hoe kan ik voor mezelf zo zeker weten dat iets waar is?
Waarschijnlijk omdat alleen al de mogelijkheid van het gewaar-kunnen-zijn het
bewijs vormt voor de aanwezigheid van Zijn. Hieruit vloeit voort de stelling IK BEN, dat in wezen een actieve gebruiksvorm is van het Zijnsbegrip. Objectieve
bewijsvoering levert hier niets op want de mogelijkheid van het gewaarworden
gaat nog aan de gewaarwording vooraf. Deze
mogelijkheid of 'bewustheid' is zelf niet kwantificeerbaar (meetbaar),
terwijl het object van de bewust- of gewaarwording dat wel
is. Het is als met de stellingen 'IK BEN'
en 'IK BEN
dit of dat', waarbij de discussie in het
laatste geval direct verplaatst naar de sfeer van dualiteiten. In deze
sfeer, dit domein van verschijnselen, is wel onderzoek mogelijk.
Ook weet ik dat er in mijn doorleving iets wezenlijks
ontbreekt. Het besef van de alomvattende werkelijkheid van ZIJN is onvolledig.
Binnen het fundament IK BEN zoemen zoals
gebruikelijk de talloze gedachten. Dat zegt niets over de mate
van verwerkelijking, maar mijn aandacht raakt door al deze gedachten
gemakkelijk geïdentificeerd. Niet dat het vastplakt, maar kleverig
is het wel. Alsof het gebouw reëler is dan de ruimte waarin het verschijnt. Overtuigingen en oordelen spelen in mij nog steeds een heersende
rol in plaats van de marginale of functionele rol die onvermijdelijk
is.
KENNIS
Misschien ligt hier wel het belangrijke
verschil tussen ongecompliceerd innerlijk weten en cerebrale kennis.
Bij direct Weten is er geen onderscheid tussen subject en object, terwijl
bij de kennis van het brein elke vraag in balans moet zijn met het antwoord dat tevens
het bewijs zal moeten leveren. Het weten IK BEN
bestaat op zo'n elementair niveau
dat een causale verklaring niet aan de orde is. Niemand kan ontkennen
dat hij of zij IS. Het is een onbewijsbare
stelling die men als grondslag aanvaardt, een axioma in feite. Het is tevens het overgangsgebied tussen het onbekende, de oorspronkelijke natuur, en het bekende. IK BEN is de laatste illusie. Over
wat men dan vervolgens meent te ZIJN, is wel degelijk
discussie mogelijk. Hier wordt ook direct de grens overschreden van
direct weten naar kennis. Zowel wetenschap als geloof bewegen zich op dit vlak
van kennis.
Kennis passeert nooit het niveau van dualiteit.
Kennis associëren met gradaties van geestelijke ontwikkeling, hoe
veelvuldig voorkomend ook, is een essentieel misverstand. De reden dat
het zoveel gebeurt is ongetwijfeld de zekerheid die het voorspiegelt, de controle en de troost die telkens worden verward met authenticiteit
en waarheid. Waarheid staat steeds met lege handen, terwijl men met
kennis de handen meer dan vol heeft. Kennis is aantoonbaar. De waarnemer
vindt bevestiging in de logica, die echter alleen opgaat binnen vastgestelde
kaders. Kennis is conceptueel en kent waarheid alleen als een samenhangende
constructie. Een logisch raamwerk waarbinnen afzonderlijke delen elkaars afhankelijkheid
en juistheid bevestigen. Waarheid daarentegen is
samenhangend, noch chaotisch. Waarheid Is.
Kennis camoufleert waarheid en fungeert in het gunstige geval als een
soort spiegel of blauwdruk van hetgeen men er mee wil aantonen. Waarheid
als gerealiseerd bewustzijn toont de onmetelijkheid van Zijn,
terwijl kennis een territorium is van maatstaven.
Dat de lezer zijn/haar perceptie met zorg en kritische aandacht blijft beschouwen is dan ook belangrijker dan het blind focussen op namen, reputaties en geestelijke rangordes. Woorden bevatten geen absolute waarheden. Het is de instelling van de lezer die de zeggingskracht van het geschreven woord substantie geeft. Betekenis is zoals alles vooral een energetische kwaliteit. Het is de ruimte die het aanbrengt binnen de perceptie. De feitelijkheid op zichzelf heeft geen enkele waarde. Daar wordt niemand warm of koud van. Het is de spanning tussen het ene feit en het andere feit dat iemand opspringt en met kloppend hart door de kamer danst. Dat is de kracht van verschuivende overtuigingen. Plotseling stroomt daar iets dat er eerder nog niet was.
VALKUILEN
Te vaak zie ik in teksten de bekende valkuilen;
misverstanden omtrent zelfverwerkelijking. Mensen die zich ongewild,
onbewust of uit een vorm van begeerte zijn gaan beschouwen als de veroorzaker
van een staat die zij menen te hebben bereikt. Zij slaan de plank mis.
De kans op gemakzucht, vertroebeling en verstarrende beeldvorming daagt
uit tot een open en compromisloos onderzoek. Ik beschouw Zelfonderzoek
als een actieve daad waarmee de oorspronkelijke staat manifest in het
bewustzijn kan worden gebracht. Meditatie beschouw ik als een passieve
vorm die tot hetzelfde kan leiden. Een beloning wordt hiermee niet binnengehaald,
maar de verhullende verpakking wordt van de beloning afgenomen. De beloning
is het begrepene Zelf. Zelfonderzoek en meditatie vinden plaats in het
hier en nu. Zoeken is slechts een product van verwachtingen en projecteert
de beloning naar de toekomst. Door de beweging van het
zoeken blijft de oplossing perfect verborgen.
Waarmee niet is gezegd dat zoeken slecht is, want elke beweging leidt
tot een tegenbeweging en elk verschijnsel is continu aan verandering
onderhevig. Ik probeer slechts te duiden hoezeer het spel van identificaties
zorgt voor een oneindige diversiteit aan verhullende patronen.
MISVERSTANDEN ROND NON-DUALITEIT
Onverbiddelijkheid is één van de
eigenschappen die onvermijdelijk zijn bij het verwerven van Zelfkennis.
Want er is geen lastiger illusie dan die van de verlichting. Wie voor
zoete koek slikt dat de doener niet bestaat en dat zijn zelfbeeld illusie
is, die onderzoekt niet langer zijn overtuigingen, noch de conceptualisatie
die hiervan het gevolg is. Er van uitgaande dat de persoonlijkheid is
uitgewist en dat alleen het heden bestaat, gelooft menigeen dat zijn
verlichting is bereikt. Daar komt geen argument meer doorheen. In een
discussie volgen dan opmerkingen als: "Ik
hoef niets te doen, want dingen gebeuren spontaan." Of:
"Waarom zou ik dat (hele idee) onderzoeken? Voor wie? De leegte die ik ben heeft daar geen boodschap aan."
Het niveau van betrekkelijkheid - vertegenwoordigd door het kleine ik - wordt niet zelden
volledig ondergeschikt gemaakt aan een absoluut standpunt. Het absolute
is wél goed en het betrekkelijke niet. Het eerste is wel echt,
het laatste niet. Het is een dualistisch denken in een ogenschijnlijk
non-dualistisch zelfbeeld. Voor het persoonlijke is hoegenaamd geen
plaats meer, want 'verschijnsel' en 'absolute' zijn zaken geworden die
elkaar in de weg zitten. Alleen het absolute telt.
Dit maakt communicatie bijna onmogelijk.
De doener mag als betrekkelijk
fenomeen niet langer bestaan. Er is geen aanspreekpunt meer dat telt;
geen personage dat op woord of daad kan worden aangesproken. In plaats van geopend is men hermetisch afgesloten. Wat een ironie...
Nog enkele voorbeelden:
"Ik sla alleen nog maar gade. Dingen kunnen mij niet raken, want
ik ben vrij."
Men verbeeldt zich dat men leeg is. Er wordt een alwetend perspectief
over de gebeurtenissen uitgestort, zodat wat er ook gebeurt, alles
met terugwerkende kracht is geworden tot wat het had moeten zijn. "De
dingen gaan nu eenmaal zoals ze gaan." Onweerlegbare algemeenheden
die onderstrepen dat je nergens je best voor hoeft te doen. "Ontspan
en laat het leven maar leven", non-dualistische pretenties in
de hopeloze context van een hyperdualistische onbereikbaarheid. Iemand
met zo'n instelling ergens verantwoordelijk voor houden wordt een
heikele aangelegenheid. Hier wordt veelal gesproken vanuit een toestand
die door concepten is gevormd. Het zijn woorden. Woorden die misschien
onwrikbaar lijken in hun juistheid, maar uitgesproken in een toestand
van mindrealisatie of overtuiging. Dus niet vanuit de staat die men
in wezen IS; niet vanuit de onverwoestbare
onschuld die onder alle cosmetica van het denken verborgen ligt. Niet
vanuit de toestand die geen schijn meer hoeft op te houden.
Met deze conceptuele trucage, dit
'meegaan in de levensstroom', meent men soms de sleutel van het grote
doel te hebben gevonden. Evenals
in het eerste deel van mijn betoog (deel: Geloof) leg ik sterk de nadruk op
deze tendensen. De subtiliteit waarmee het
denkende in de mens zelfs het zogenaamd heilige kan inlijven is van een buitengewoon raffinement. Prachtig om als mechanisme waar te nemen, maar lastig om je ervan te ontdoen wanneer het je langzaam inpakt. Voor de contrôlefreak onder de zoekers is het een nauwelijks zichtbaar proces.
De Autodidact
Helaas komt deze neiging tot het scheppen van een verlicht zelfbeeld niet alleen voor bij
groepen maar ook bij autodidacten. Dat is geen kwestie
van onwil, eerder een gebrek aan onverbiddelijkheid in wat men zichzelf
tot doel heeft gesteld. Gemakzucht door het toelaten van spirituele
ambities is dodelijk voor het verkrijgen van inzicht in wat IS.
Dit doel kan niet bereikt worden! Waarheid kan alleen Zijn.
Waarheid maakt meer kans wanneer de onmogelijkheid van het begrip 'Waarheidsvinding' begrepen is. Je Bent het al! Zodra waarheid een
concept is wordt realisatie een leugen. Bij conceptvorming rond pogingen
tot het verkrijgen van inzicht doemen vaak dezelfde misverstanden op.
Nog een invalshoek:
Het betrekkelijke wordt beschouwd als tegengesteld aan het absolute.
Voor het verstand is dit een verraderlijke manier om in het absolute
houvast te vinden. Het lijkt op loslaten, maar het is een maniertje
waartegen weinig kruid gewassen is. Tegenover het persoonlijke staat
hier het onpersoonlijke; de illusie tegenover de waarheid. Allemaal
termen met een tegengestelde lading waardoor een zeer dualistisch beeld
wordt neergezet. Dat kan niet de bedoeling zijn. Niet voor niets wordt
in de Advaita Vedanta de oorspronkelijke staat 'neti
neti' genoemd: noch dit, noch dat.
In absolute zin zijn dingen noch persoonlijk, noch onpersoonlijk. Geen
enkele kwalificatie kan hier van toepassing zijn, geen enkel houvast
is mogelijk. In de authentieke staat, waar het in de Advaita Vedanta
om te doen is, gaat de vrijheid van het Zelf gepaard met een totaal
verlies aan houvast. De waarnemendheid,
het moment van aandacht, de bewustheid of het bewustzijn: ze geven allemaal
uitdrukking aan de kwaliteit die het mogelijk maakt om überhaupt
te kennen. De oorspronkelijke of eerste kwaliteit.
Elke activiteit waarmee gedachten een ervaring mogelijk maken, ook de
ervaring van de zogenaamde verlichting, maakt deel uit van een dualistisch
handelen. Elk identificerend moment schept een doener. Daar is niets
mis mee! Het telkens terugkerend misverstand is dat men verlichting
in het domein van de doener blijft zoeken, terwijl men alleen maar stil
hoeft te zijn om de oorspronkelijke kwaliteit gewaar te zijn.
GEEN WEZENLIJK VERSCHIL TUSSEN VERSCHIJNSEL EN ABSOLUTE
Wezenlijk bestaat er geen
verschil tussen het verschijnsel en het absolute. Het verschijnsel is
een tijdelijke manifestatie die altijd aan verandering onderhevig is.
Het absolute wordt doorgaans genoemd als de onveranderlijke ongemanifesteerde
staat waarbinnen al het tijdelijke verschijnt. Tussen beide definities
bestaat een spanning omdat het tijdelijke niet als wezenlijk wordt aangemerkt en het absolute wel. Maar juist om de reden dat het één het grondbeginsel is van het ander, is ook in de tijdelijke staat die (absolute) wezenskern onveranderlijk
aanwezig. Iets manifesteert en keert vervolgens weer terug in de ongemanifesteerde staat. Tot stof zult gij wederkeren. De oceaan vormt een druppel en de druppel wordt weer oceaan. Beide toestanden zijn ook niet meer dan benoemingen vanuit
een zekere staat van kennis waarbij noodzakelijkerwijs gebruik wordt gemaakt van een invalshoek.
ILLUSIE
Het begrip Illusie kan
beter wat minder letterlijk genomen worden. Dus liever geen vertaling
naar droombeeld, zinsbegoocheling of niet bestaand. In de oosters georiënteerde
filosofie is illusie iets dat niet blijvend
is. Iets dat niet is wat het op
het eerste gezicht lijkt. Dat geeft aan het verschijnsel tenminste bestaansrecht.
Het verstand zal dan minder snel geneigd zijn om het 'betrekkelijke'
en het 'absolute' te interpreteren als tegengestelde polen waarbij het
'absolute' de voorkeur verdient.
Niettemin... nogmaals...
Het inzicht is voor mij nog steeds niet volledig
toereikend. Alsof niet kan worden ingezien hoe raak en hoe simpel het
werkelijk is. Nog steeds spelen identificaties hierin een rol. In mijn
geval is IK BEN een zekerheid, maar vreemd
genoeg voor een belangrijk deel ook een gedachtestaat. De kennis is
helder, maar niet louter een levende waarheid. Daarvoor spelen gedachten
en overtuigingen te vaak een dominante rol. Zonder de pijnlijke angel
van het zoeken raast dit brein nog even uit. Ik verwijs U door...
De
eerste leraar die mij sterk beïnvloedde was Jiddu
Krishnamurti, die op 17 februari 1986 overleed. Het was een
geweldige ontdekking dat iemand sprak over onderwerpen die mij jarenlang
zo dwangmatig hadden verleid. De grote kracht van Krishnamurti vond ik
zijn boodschap dat Waarheid alleen in jezelf gevonden kon worden, daarmee
elke autoriteit van buitenaf verwerpend. Het bewijs van zijn diepe overtuiging
lag wel in zijn radicale afwijzing van het wereldleraarschap in 1929.
Vertegenwoordigers van de toen nog machtige Theosofische Vereniging, waaruit
later de Antroposofen zich zouden afsplitsen, hadden hem op veertienjarige
leeftijd (1909) van arme Brahmaanse ouders geadopteerd en opgeleid. Ze
zagen in hem het toekomstige voertuig van de goddelijke Maitreya, de Bodhisattva
die volgens de Boeddhisten de volgende Boeddha zou zijn. Krishnamurti
kreeg van de Britse theosofen een keurige westerse opvoeding.
Daarnaast werd hij jarenlang liefdevol gehersenspoeld met spirituele concepten;
ideeën en theorieën
die hem als voertuig van de Maitreya geschikt moesten maken. Hoewel Krishnamurti
ook voor zijn radicale afwijzing regelmatig sprak over de beperkingen
van het mentale bewustzijn, betekende het ontbinden van zijn Orde van
de Ster (van het Oosten) voor de theosofen een klap die de vereniging
nooit echt te boven is gekomen. De Bhagavad Gita is een weergave van de vragen en antwoorden die vervolgens tussen Krishna en Arjuna ontstaan, waarbij vele levensvragen aan de orde komen. Ik beschouw de Bhagavad Gita nog steeds als een subliem werk van de allerhoogste orde. Het boek is buitengewoon inspirerend en rijk, doch ook niet heel gemakkelijk te begrijpen.
Hoewel ik naast filosofisch en sjamanistisch
werk veel boeken las met oosters gedachtegoed, o.a. boeddhisme, hindoeïsme,
en in mindere mate taoïsme, liep ik enige tijd geleden tegen een boek
aan waarvan de omslag mij direct in de ban hield.
Het was de onverbiddelijke en buitengewoon levenslustige blik van Sri
Nisargadatta Maharaj, uit het Indiase Bombay. Hij overleed
in 1981. De foto herinnerde me aan één van de laatste
foto's van mijn grootvader. Op beide foto's waren deze mannen al ziek
en verzwakt. Ik hield veel van mijn grootvader, kocht het boek en de
inhoud bleek even onverbiddelijk. Nog steeds ben ik verbijsterd over
de scherpte, de diepte, de autoriteit en het ongelooflijke gemak waarmee
Nisargadatta sprak, interrumpeerde en ware kenners van de schrift ontmaskerde
als zijnde voornamelijk pakhuizen van onbegrepen kennis. Ik voelde opnieuw
opwinding vanwege de herkenning van dit gemeenschappelijke en zo wezenlijke
thema. Het bezorgde me een gevoel van thuiskomst, waarbij de één
rijkelijk kon aanvullen wat de ander zo node miste.
De voor de leek meest eenvoudige boeken, maar met veel impact, zijn
in het Nederlands uitgegeven door Uitgeverij Ankh-Hermes. Het
zijn de titels 'Ik Ben' en 'Zijn'.
Voor een goed begrip zijn deze beslist aan te raden. De titels worden
inmiddels ook uitgegeven door Uitgeverij
Altamira. Nisargadatta verwijst bij vele vragen terug naar deze
exemplaren. Hij was te bevlogen om de beginselen steeds opnieuw te willen
uitleggen. Voor mij persoonlijk verschenen de meest boeiende titels
van Nisargadatta pas na deze standaardwerken; naar mijn weten in het
Nederlands alleen door Altamira uitgegeven.
Duidelijk is dat Nisargadatta zich bij deze latere gesprekken
niet langer heeft ingehouden voor mensen die hem moeilijk konden volgen.
Hij was al ernstig ziek en vertelde meerdere malen dat hij zin, noch
tijd had om te spreken voor een kleuterklas. Naarmate zijn dood naderde
stelde hij zijn resterende tijd steeds meer beschikbaar om zijn meest
kernachtige inzichten te ontvouwen. Altijd op het scherp van de snede
en altijd onverbiddelijk. Een sensatie om te volgen.
De leer waarin Nisargadatta door zijn leraar werd onderwezen is de zogenaamde Advaita-Vedantaleer of kennis van het absolute, een oosters filosofisch stelsel. Na dit onderricht vielen voor mij de meeste stukjes van de puzzel op de juiste plek. Het weinige en tevens belangrijkste wat ik niettemin nog steeds niet bevatten kan is de eenvoud van het onuitspreekbare. Iets waarnaar zolang is gezocht, en waarvan de essentie me uiteindelijk op een onbewaakt moment is toegevallen, dient gewoon geaccepteerd te worden als een feit. Dat feit kan men vervolgens gerust vergeten omdat het dan geen item meer is. Het Zijn is dan verwerkelijkt. Misschien dat het mij eens zal dagen, of misschien ook wel niet. Niet dat het uitmaakt, want IK ben DAT en DAT ben ik. Waarheid is zonder voorwaarden.
-de Bhagavad Gita Uitgaande van de strekking van mijn betoog natuurlijk
niet. Want wie is de zoeker, en welke waarheid is zo grijpbaar dat zij
gevonden kan worden? Toch denk ik dat zoeken nut heeft. De vraag van wel
of niet zoeken kan eigenlijk ook niet aan de orde zijn. Zoeken is nu eenmaal
een natuurlijke beweging in de richting van het meest wezenlijke. Het
gebeurt vanzelf na identificatie met het onwezelijke. Iedereen wil gelukkig
of vrij zijn. Het is een universele heimwee naar de oorspronkelijke staat
die de kern van je wezen is. DE GEEST
De geest (mind) is als een inktvis. Het water is zijn levensbron en toch spuit
het inkt om aan deze transparantie te ontkomen. De inkt heeft natuurlijk
een reden, want nu kan de inktvis vluchten om zich het vege lijf te
redden. Zolang de mens in zijn eigen onafhankelijke entiteit gelooft
zal hij precies hetzelfde blijven doen en pogen zijn werkelijkheid te
ontvluchten teneinde zich het vege toebedachte lijf te redden.
-de Upanishads
-de Brahmasutras
De Advaita-leer zoals uitgedragen door Nisargadatta
komt op mij over als een volstrekt authentieke kennisoverdracht. Er vallen
slechts woorden die, in tegenstelling tot mijn eigen woorden, door en
door gerealiseerd zijn en daarom vrij van elke gelieerdheid met wat voor "isme" dan ook. Hetzelfde kan ik meedelen over Krishnamurti. Waar echter
Krishnamurti zijn tanden diep in het vlees zet, hij was overigens vegetariër,
bijt Nisargadatta door tot op het merg.
ONVERBIDDELIJKHEID
Ook al is de kennis van Nisargadatta ontleend
aan de Advaita-traditie, dan nog biedt het uitdragen ervan geen enkele
garantie voor een zinnig betoog. Dit geldt natuurlijk ook voor de pogingen
van bewonderaars van Nisargadatta, mezelf inbegrepen. De naam Advaita
opent echt geen deuren. Bovendien krijgen woorden pas betekenis als
degene die luistert kritisch is, en in staat om in volle ernst de vele
vragen die aan de orde komen te onderzoeken en te wegen op de eigen
merites. Klakkeloos overgenomen kennis, omdat het wel betrouwbaar overkomt,
heeft geen enkele betekenis.
Het woord onverbiddelijkheid, hier een aantal malen ter sprake gekomen,
is van groot belang. Elke vorm van luiheid die leidt tot een acceptatie
van gemakkelijke antwoorden is fataal voor het verkrijgen van een helder
begrip.
VERWIJDERING
Bij ieder draaien van een as ontstaan naar buiten gerichte krachten,
die sterker worden naarmate zij zich verder van de as verwijderen. Zo
is het ook met antwoorden en quasi-inzichten naarmate men zich verder
van zijn bron, zijn authenticiteit, verwijderd heeft. Eenmaal ontketend
zijn het deze krachten die de mens tussen hoop en vrees heen en weer
smijten. De as beweegt en staat toch stil, terwijl het wiel slingert.
Authenticiteit is datgene waarin de bron voelbaar is. De bron die het
begin van iedere beweging is. De bron die het subject (IK BEN) zelf
is.
HEEFT ZOEKEN ZIN?
Wanneer je al zoekende heel sterk gefocust bent op een bepaalde uitkomst,
wordt de geest steeds ontvankelijker voor informatie die het beoogde inzicht
dichterbij kan brengen. In relatie tot het zoeken zal Waarheid steeds
gemakkelijker herkend worden, louter omdat Waarheid als meest wezenlijke
oorsprong in alles inherent aanwezig is (satguru). Hoe deze herkenning
uiteindelijk plaatsvindt is bij niemand te voorspellen. Het komt er op
neer dat het Zijn zich plotseling herkent in wat het zoekt. Het Zijn ontdekt
het Zijn; ontdekt zichzelf als enig doel. Daarmee blijkt het doel geen
doel te zijn, net zomin als men naar zichzelf kan toewandelen. Je blijkt
zelf die ruimte waarin alles verschijnt. Tegenstellingen vallen weg en
men realiseert zich dat er eigenlijk nooit tegenstellingen waren. Soms
komt zo'n antwoord nabij als gevolg van een jarenlange verwijdering. Na
eindeloos je kop te hebben gestoten en murw te zijn geslagen zie je dan
opeens de vitale belemmeringen die je misschien anders nooit zouden zijn
opgevallen.
PROJECTIE
Toch is het frappant hoe zelfs dit inzicht
door het denken in het bewustzijn kan worden geprojecteerd, waarbij de
geïndentificeerde waarnemer zou zweren dat hij het licht heeft gezien.
Zo verbijsterend subtiel blijkt het borduursel van de menselijke geest
dat het eigenlijk ook een wonder is. Maar hoe subtiel ook, bij het werkelijk
herkennen van de oorspronkelijke natuur blijken al die voorstellingen
slechts fata morgana's en is ook twijfel of ingebeelde zekerheid niet
meer aan de orde.
Dat de persoonlijkheid als een perfecte wagenmenner de gewenste levensroute
kan uitstippelen is een gedachte waarin menigeen graag gelooft.
| ©
Frank Ho 1998. Niets uit deze uitgave mag worden gereproduceerd zonder schriftelijke toestemming van de schrijver. |