HEILIGHEID, WAT HOUDT DAT IN?
De eerste ballast die overboord moet om meer helderheid te krijgen
over het begrip waarheid, is dat andere begrip: heiligheid.
Heiligheid wordt gemakkelijk geassocieerd met het goede, het goddelijke
of hogere. Maar ook met de volkomenheid die het eindpunt zou moeten zijn
van de dwalende mens. Let eens op de overtuiging die impliciet in dat
uitgangspunt voorborgen zit. Alsof 'heiligheid' het slotakkoord kan zijn
van een geslaagd en afgerond traject. Een kroon op het werk en het loon
van realisatie. Het begrip heiligheid omvat een eigenaardigheid. Een lastigheid
die het toepassen van de term nogal bemoeilijkt. Want hoe kan een begrip
zijn betekenis weergeven namens iets dat onmogelijk volkomen kan zijn?
Dat euvel geldt bijvoorbeeld voor de heilig verklaarde mens. In welke
hoedanigheid kan een mens heilig zijn?
Een begrip dankt zijn betekenis aan een begrensd kader van toegewezen
eigenschappen. Heiligheid bevat intrinsiek de betekenis van heel of
volledig en kan daarom geen eigenschap of een combinatie van eigenschappen
omvatten, want eigenschappen zijn per definitie begrensd. Reden waarom
het begrip op een verschijnsel, bijvoorbeeld de mens, niet van toepassing
kan zijn. Want welk menselijk aspect kan die heiligheid gestalte geven?
Zijn het z'n voeten, is het zijn hoofd, zijn hart of zijn verbrandde
resten?
Is het de psyche van deze voortreffelijke mens die heilig is? Of zijn
geest, wat dat ook moge zijn? Dan kom ik bij de ziel. Wat is zijn ziel?
Wat wordt bedoeld met zijn ziel
(let op het woordje zijn)? Is de ziel een omlijnd fenomeen? Is
er een eigenaar? Zo ja: wie? De ziel van de ziel? Zo nee: waaraan kan
de heiligheid dan worden toegeschreven?
Hooguit komt een staat van (ongedeeld) bewustzijn
voor het begrip heiligheid in aanmerking. Bewustzijn dat, om te zijn
begrepen, eerst los gemaakt moest worden van elke neiging tot objectivering
van zichzelf. Want de werkelijkheid van die staat kan alleen gevonden
worden in de waarnemer, het subject. Namelijk in wat jij bent.
Dat ben Jij. Punt.
MYSTERIE
Voetstoots worden dit soort begrippen vaak aanvaard omdat de achterliggende
betekenis nu eenmaal het verstand te boven gaat. Er is hoegenaamd geen
verklaring meer nodig. Het begrip (waarheid, liefde, ziel, graal, enz.)
werd symbool van iets dat te groot is voor het verstand. Een mysterie.
Dat is mooi want zo ontstaat verwondering en blijft de geest ontvankelijk
voor nieuwe invloeden. Niettemin resteert na verloop van tijd meestal
het kale begrip, het dogma. Slechts weinigen blijven zoeken naar iets
dat per definitie niet gevonden kan worden.
LANDMARK FORUM
Ik wordt net gebeld door LANDMARK FORUM met de vraag wat ik vond van de bijeenkomst die ik onlangs bezocht. Ik zou het er eigenlijk niet meer over hebben maar maak voor dit telefoontje een uitzondering. De aardige dame in kwestie (niet cynisch) wilde weten of ik interesse had in een intensieve training van drie dagen, waarin er van alles voor me zou gaan veranderen.
Ik vraag:
wat verandert er dan?
De Aardige Dame:
"Je leert wie jezelf bent en vooral om op basis hiervan direct actie te ondernemen.
Ik:
U bedoelt dat ik niet langer vast zit in een bepaald stramien, zodat doelen gemakkelijker verwezenlijkt kunnen worden?
De Aardige Dame:
Ja, andere organisaties houden zich vaak bezig met het onderzoeken van jezelf, maar blijven daarin hangen. Wij niet. Wij leren naar inzicht direct te handelen.
Ik:
Dat is zo'n beetje hetzelfde waarmee ik me al jaren bezighoudt. Niet zozeer vanwege de directe actie, maar omdat ik me realiseerde dat je jezelf kunt maken en breken door de ideeën die je koestert. Een beetje zelfkennis kan daarom nooit kwaad. Daarom was ik benieuwd wat LANDMARK te melden had. Maar ik voel geen behoefte om samen met LANDMARK aan de slag te gaan.
De Aardige Dame:
Denk je dan niet dat veel dingen in je leven nog beter zouden kunnen?
Ik:
Alles kan altijd beter. Ik ben bijvoorbeeld al jaren ziek, maar binnen de gegeven omstandigheden heb ik een evenwichtig gevoel over mijn huidige situatie. Daar wil ik LANDMARK niet tussen laten komen. Bovendien ben ik altijd alleen met dit soort zaken bezig geweest. Zonder groepsgevoel vind ik dat prettiger en de stimulatie heb ik niet nodig.
De Aardige Dame:
De groep draagt juist enorm bij aan het vergroten van het inzicht.
Ik:
De groep veroorzaakt ook een gevoel van dwang, alsof er iets bereikt moet worden.
De Aardige Dame (bijna geneerd):
"Maar wil je dan niet dat het nóg beter met je gaat?"
Ik denk: Mijn God! Wat een pretenties, en gooi het over een andere boeg.
Ik zeg:
Ik hou niet zo van winkelen. Soms ben ik met m'n vriendin in de stad en dan ziet ze iets liggen wat ze graag hebben wil. Vervolgens gaat ze twijfelen, want, denkt ze, in een andere winkel ligt hetzelfde misschien nog mooier. Ik zeg dan altijd, 'koop het nou want je vindt het toch mooi? Waarom nu ontevreden worden door de gedachte dat het elders nog beter kan en ontevreden rond blijven struinen?'
Mooi is mooi en blij is blij. Ik voel me prima. Waarom zou ik mezelf ongelukkiger maken door de gedachte dat ik bij LANDMARK nog gelukkiger kan worden dan ik ben?
Dat vraag ik dus aan De Aardige Dame.
Het wordt helemaal stil aan de andere kant van de lijn en ik neem vriendelijk het initiatief tot afscheid nemen, vertel haar dat ik de gegevens van LANDMARK in mijn bezit heb en dat wij wellicht elkaar ooit nog zullen spreken.
De Aardige Dame lijkt flink van slag. Ik neem nog even de tijd, zeg rustig gedag, maar haar timing is volledig weg. Langzaam laat ik de hoorn zakken, vanwege de mogelijkheid dat ik plots toch nog iets hoor.
'Dag', hoor ik nog net. De verbinding is verbroken. |
Anderen institutionaliseerden het begrip en verkregen zo religieuze macht.
Ook deze vorm van macht kan mensen zowel onderdrukken als ondersteunen,
vaak in een combinatie van beiden. Macht hoeft niet verkeerd te zijn.
Macht is amoreel, een gegeven, maar de morele toepassing ligt bij de machthebber.
Toch heeft het hele mechanisme rond religieuze macht geen enkel raakvlak
met de belofte die er erachter schuilt, namelijk het mysterie (Gods).
Want de zoeker en het gezochte houden elkaar genadeloos op afstand. De
belofte (achter het mysterie, het religieuze beeld of icoon) schept een
doel. Het doel voedt de noodzaak van de psyche om te blijven zoeken. Hoeders
van het spirituele dogma leven bij de gratie van deze zoektocht. Hoe groter
de vraag, hoe sterker de uitstraling van het mysterie. Maar eigenlijk
voert het zoeken alleen maar weg van het doel. Het zoeken leidt overal
naar toe, behalve naar het Zelf, dat het feitelijke doel is.
Hoewel machthebbers (en boodschappers) aan hun dogmatiek weinig
inzicht ontlenen, hebben ze het verslavende aspect van het zoeken meestal
goed begrepen. Het naar onvergankelijkheid hunkerende ego hongert naar
mysterie, omdat hierin de onmacht kan verdwijnen van het onbegrepen
Zelf. Mysterie is een vluchtpunt dat de eigen werkelijkheid aan het
oog ontrekt. Mensen zoeken het mysterie omdat het lijkt alsof het antwoord
een einde kan maken aan de kwellende vraag van het grote waarom.
Wie ben ik? Waartoe zijn wij op aarde?
TOVERSPREUK
Het begrip God is als een toverspreuk die zijn eigen inhoud maskeert. Zolang het begrip heiligheid - en alle
bijbehorende synoniemen - wordt nagejaagd, en de illusie bestaat dat er iets bereikt of begrepen kan worden waarmee de oorsprong of het Zijn
zich openbaart, zolang is de kans op inzicht minimaal.
Misschien is het mogelijk om te bevatten wat wel vergankelijk is. Alleen dat - mits de rijkwijdte wordt begrepen - is al een hele prestatie.
De onmiddelijke consequentie is enorm. Het zou zelfs een begin kunnen zijn waarmee het tijdelijke, het tot dusver als werkelijk beschouwde,
zijn universele gedaante laat zien van eeuwig durend spel. Hierdoor ontdoet het mysterie, die immer nagejaagde sleutel van Volkomenheid (het
Goddelijke), zich van zijn verhullende sluier. Niet als gevolg van enig persoonlijk ingrijpen, maar omdat de illusionaire mist, van de Kenner
Die zich met zijn lichaam en handelen geïdentificeerd heeft, door inzicht is opgetrokken. Het bewustzijn van de mens is nu als "een open
huis". Het functioneert en behoudt zijn karakteristieke eigenschappen zolang het lichaam functioneert. De gebondenheid
door een persoonlijke zelfbeleving is voorbij.
Let op: het is de gebondenheid die voorbij is! Een persoonlijke zelfbeleving
zal niet uitblijven en ervaringen zullen blijven komen, maar de kenner is niet langer tot een identificatie hiermee in staat.
VERLEDEN EN TOEKOMST
De begrippen waarheid en heiligheid
zijn sterk aan elkaar gelieerd, al heeft heiligheid vooral in het
oosten een andere connotatie dan in het westen. Ik kies liever voor het
begrip waarheid vanwege de meer neutrale bijklank. Lastig genoeg
zijn, door het algemene gebruik, aan dit begrip ook nadelen verbonden.
Ik versta hier onder waarheid: de waarnemendheid
die resteert wanneer de macht van elk concept door inzicht is gebroken.
Waarneming wordt dus niet langer beïnvloed door identificatieprocessen.
Deze toestand van de waarnemer zou ik de enige echte zekerheid willen
noemen: de wezenlijke kwaliteit van bewustzijn.
Door vereenzelviging met de verschijnselen is
het bewustzijn gekleurd door verleden (herinnering) of toekomst (afgeleide
herinnering). De wijze waarop dit strak gepersonifieerde bewustzijn
ordening aanbrengt in alle binnengekomen informatie is grofweg te onderscheiden
in drie vormen van geloof: naïef, intuïtief of rationeel geloof.
Respectievelijk: dogmatisch geloof; opvattingen waarmee men zich gevoelsmatig
verbindt en wetenschappelijk geloof.
Het verleden
is een herinnering: onwezenlijk. De toekomst
is een geprojecteerde herinnering, ook onwezenlijk. Niettemin staan beide
werelden van beeldvorming garant voor de beleving van de alledaagse
werkelijkheid. Ze zijn als zodanig niet van elkaar te scheiden. De onlosmakelijkheid ontspringt in het moment van heden.
Dit moment is vol en
leeg tegelijk, al naar gelang het standpunt dat wordt ingenomen. Eén met dat moment kan er geen beeldvorming zijn. Hier verblijft bewustheid in de eigen aandacht.
Hier ontmoet elke gedachte zichzelf daar waar het in het bewustzijn ontspringt.
Hier wordt de ervaring ervaren.
Resumerend valt dus slechts te bevatten wat een
begin en een eind heeft en daarmee tot de wereld der verschijnselen
behoort. Dit is het domein van de gestadig wervende zintuigen en een
denkend brein. Voorafgaande aan het denken en het projecteren van de
(inhoud van de) geest heerst een besef van
tegenwoordigheid; het weten IK BEN. Het is een orde die aan
het denken vooraf gaat. Een 'orde' die altijd IS. Een orde van Zijn.
HOE TE BESCHRIJVEN WAT GEEN
VERSCHIJNSEL IS?
Je kunt met de verschijnselen als instrument hooguit aantonen dat instrumenten
verschijnselen zijn. Met andere woorden. Het denken kan het denken analyseren
maar meer ook niet. Het denken vormt zijn eigen kader en daarmee zijn
eigen beperking. Al het gekende vindt plaats binnen het denken, maar waarin
vindt het denken plaats? En wie is de denker? Het oog ziet van alles,
maar kan het oog zichzelf zien?
Hierom ben ik aan dit schrijven begonnen. Het is spannend en verleidelijk.
Hier ligt een oneindig potentieel, zonder dat iemand dit potentieel het
zijne kan noemen. Niemand kan het begrijpen, er is alleen het begrijpen
zelf. De denker zal onmiddellijk vragen gaan stellen, maar tevergeefs
want al het gekende, iedere conclusie blijft noodzakelijkerwijs binnen
het domein van het denken.
KAN WAARHEID
MEER DAN EEN BEGRIP ZIJN?
Zoals ik juist trachtte weer te geven maakt de werkelijkheid achter
begrippen als waarheid en heiligheid deel uit van een andere orde. De
vraag of waarheid bestaat is niet te beantwoorden op een wijze die waarheid
invoelbaar maakt, of werkelijker dan zij al is. Een kikker kan haar jong
ook de frisse lucht boven het slootwater niet beschrijven, want het beest
is nog een (kikker)visje en mist de referentie met lucht. Maar in de ontwikkeling
van het kikkervisje ontstaat altijd een moment van kennisneming. Op dat moment
is lucht plotseling een feit.
Vanuit het denken geredeneerd kan waarheid of heiligheid niet als werkelijkheid
bestaan. Een geobjectiveerde Waarheid is geen Waarheid. Waarheid is niet
te verwerven.
Waarheid of werkelijkheid als wezenlijke toestand bestaat echter wel degelijk. De betekenis van de begrippen is daar zelfs op gebaseerd. Waar de meest wezenlijke betekenis van waarheid op uitloopt is iets wat hier inzichtelijk gemaakt hoopt te worden. Wanneer de betekenis van waarheid tot in de uiterste consequentie wordt doorgevoerd en besproken, dus vanuit een absolute
optiek (een
contradictio in terminis ), dan doe ik dat met een
beginkapitaal. Waarheid, niet langer als een betrekkelijke juistheid, zoals bij een eerlijke mening, maar waarheid als absolute Waarheid. Het beginkapitaal dient dus niet om het bestaan van iets hogers te suggereren,
want in absolute zin bestaat geen hiërarchie.
Absolute optiek bevat een tegenstelling in zichzelf
omdat "optiek" een betrekking verraad van het één tot het ander,
terwijl ik refereer aan iets dat inhoudelijk in geen enkele relatie staat tot
iets anders, namelijk het absolute. De taal maakt een dergelijke inconsequentie
soms noodzakelijk en ik zal ongetwijfeld soms in zo'n valkuil terechtkomen. Taal is nu eenmaal onderworpen aan regels van dualiteit.
Waarheid is een hoedanigheid zonder meer. Een steeds aanwezige werkelijkheid
die door niets en niemand, door geen enkele ramp kan worden aangeraakt.
Dat iemand zich ooit op de borst zou kunnen slaan omdat hij de Waarheid
heeft doorgrond is een gotspe. Want wie heeft wat doorgrond? Zo kom
ik tot de volgende belangrijke vraag:
WAT HEEFT WAARHEID TE MAKEN MET ONSZELF?
Alles. Waarheid is een voortdurend mengpunt waarin verleden en toekomst
samenkomen. Verleden en toekomst bestaan slechts in de psyche. Het zijn
beelden, het mengpunt is dat niet. Alsof hier een nieuwe dimensie binnenstroomt. Het is noch dit, noch dat. Zonder dat
mengpunt is er geen kennendheid en dus geen waarneming. Waarheid
is een kern in onszelf. Waarheid is Dat wat Is:
het Zijn in een onverdeelde staat. Dat ben Jij. Dat is Waarheid, dat is kennis.
De Zintuigen
Eerst na de conceptie is deze kennis alleen latent aanwezig. Het
lichaampje groeit uit het voedsellichaam van beide ouders en neemt van
beiden fysieke en psychische eigenschappen over. Met de schreeuw van de
zintuigen komt een proces op gang van jarenlange vereenzelviging. Dit
wordt versterkt door onvermijdelijke momenten van afstoting. In het prilste
stadium is het gevoel van vereenzelviging met de zintuigen nog totaal.
Dit impliceert dat er ook geen zichzelf ervarend
subject aanwezig is. Alle emoties zijn volkomen. Honger betekent
niet: ik heb honger. Honger betekent: totale honger. Vervolgens, als aan
de roep van de zintuigen voldaan is, lijkt het alsof er nooit honger geweest
is. De hersenen hebben ongetwijfeld die honger geregistreerd, maar niet
in de vorm van een bewust besef.
Als totaliteit is er geen ervaring mogelijk van een Zelf. De pasgeborene
vraagt nog om voedsel in een vormloos, waarschijnlijk zeer difuus besef
van aanwezigheid. De volkomenheid van het niet-Zijn van voor de conceptie
is overgeschakeld op een totaal-beleving van de zintuigen. Enig kritisch
vermogen is er uiteraard nog niet en dat verklaart hoe onweerstaanbaar
het proces van conditionering tot stand komt. Het Zelf wordt geheel door
de zintuigen begrensd. Het ondergaat gevoelens die zo basaal zijn als
honger, verzadiging, pijn, enzovoort.
Wanneer de baby groeit, groeit ook het besef van bewuste aanwezigheid.
Dit bewustzijn ontwikkelt zich naarmate het kind door aantrekking en afstoting
leert dat er verschil bestaat tussen hem en de omgeving. In die interactie
leert de omgeving het kind - en het kind zichzelf - om zich met een buiten-
en binnenwereld te identificeren. De zintuigen worden steeds verfijnder,
evenals het (begripsmatig) onderscheidingsvermogen. Wanneer dit vermogen
zover ontwikkeld is dat het Zelfbesef enigszins geabstraheerd kan worden
van de animale zintuigelijke driften, onstaat de mogelijkheid dat het
denken de eigen inhoud onderzoekt. Men noemt dit weliswaar Zelfonderzoek,
maar het Zelf kan nooit centraal staan omdat hij het waarnemend subject
is waarbinnen het denken zich voltrekt. In dit "Zelfonderzoek" bestaat
echter wel de mogelijkheid dat systemen en beperkingen van het denken
door het denken worden doorzien.
ASSOCIATIES
Door spraak is het toch enigszins mogelijk om het feitelijk ondeelbare
moment van kennendheid te omschrijven. Ik bedoel dat letterlijk.
Er kan eigenlijk alleen omheen geschreven worden. Kennendheid is het vermogen tot kennen.
Een besef van tegenwoordigheid vóórdat
enige associatie met het denken heeft plaatsgevonden.
Kennendheid verschilt wezenlijk van de inhoud die door de zintuigen wordt
aangereikt. De zintuigen en het denken zetten louter de toon waarin het
Zijn - door identificatie - zichzelf beleeft. Door de vereenzelviging lijkt
het Zijn slechts kenbaar via de objecten waarop het zich richt. Er ontstaat
een voortdurend wisselende invalshoek die het gevoel van Zijn definieert,
en beschikbaar lijkt te maken, in de vorm van een persoonlijkheid.
De persoonlijkheid, die zelf een verschijnsel is binnen de zuivere
essentie van het Zijn (kennendheid), tracht zich voortdurend te herscheppen
via andere verschijnselen. Deze illusie blijft intact zolang de misvatting
blijft bestaan dat het Zelf buiten het waarnemende subject gezocht moet
worden.
Ik wil de zaak niet te ingewikkeld maken en ga nu terug naar de kern
waar het om draait. Nogmaals, het uiteindelijke inzicht is heel simpel, eenvoudiger dan alles wat we ons hebben aangeleerd. Maar om vanuit de complexe
structuur van onze culturele verworvenheden te kunnen teruggaan naar
iets van een heel andere orde, is een tegendraadse redeneertrend niet
te vermijden.
HET ZIJN EN DE KENNER
Eerst is er het weten IK BEN. De eerste splitsing heeft dan al plaats
gevonden. Er is niet alleen sprake van Zijn, maar men is het zich ook
bewust. Ik weet dat ik ben. IK ben bewustzijn, of bewustzijn is IK. Voor
bewustzijn zijn ogenschijnlijk twee nodig. Het Zijn en degene die zich
bewust is van het Zijn (Ik ben mij bewust van mijzelf). Met andere woorden:
Er bestaat geen verschil tussen het Zijn en de Kenner. Het spiegelen aan
omringende vormen maakt het de kenner mogelijk om van zichzelf
bewust te zijn. De schijnbare verschillen tussen Zijn en kenner ontstaan louter
vanuit een vals perspectief. Deze verschillen zijn dus niet wezenlijk
van aard. De interpretatie 'Ik en de rest van de
wereld' is door identificatie met vorm ontstaan. Conditionering
begint bij lichaamsobservatie, spiegeling en identificatie ermee.
ZONLICHT
Vergelijk het Zijn eens met zonlicht. Zonlicht reist door de ruimte zonder dat het zichtbaar is. Pas waneer het ongemanifesteerde licht stuit op dampkring en (aard)oppervlak ontstaan lichtverschijnselen. De golflengte die door het oppervlak aan het licht ontrokken wordt bepaalt de specifieke kleur die in het teruggekaatste licht manifest wordt. Het potentieel van het licht was echter veel groter en bevatte alle kleuren van de regenboog.
Het moment waarop het licht zich manifesteert is oneindig nietig in vergelijking met de tijd die werd afgelegd om vanaf de zon het oppervlak van de aarde te bereiken. Van nietigheid lijkt - vanuit aards perspectief - echter totaal geen sprake, omdat het bombardement van lichtgolven constant doorgaat. Het ondeelbare moment tussen niet-manifest en manifest zou men de kennendheid of tegenwoordigheid van het licht kunnen noemen. Ik beschreef dit principe al omtrent het Zijn. Over de complicaties valt uiteraard meer te zeggen.
Kennendheid, dat vermogen tot kennen, leidt tot de enige wetenschap die werkelijk is en toch niet objectiveerbaar. Je weet zeker: JE BENT. Je wéét dat je bent. Vervolgens begint de grote invulling: de vraag wát je vervolgens bent is er één die het weten verplaatst naar de dimensie van het denken (niet-weten). Paradoxaal genoeg bestaat hier wel de mogelijkheid tot objectivering en ontlenen geloof en wetenschap juist hieraan het bestaansrecht. |
Even resumerend ...
Ik weet dat IK BEN. Het feit dat ik dit zeg is het bewijs van de
uitspraak. Nu gebeurt het wonder. Ik ga één stap verder
en zeg Ik ben dit, of ik ben dat. Vervolgens ontstaat
een kettingreactie van differentiaties die mijn hele wereld doet ontstaan.
Oorzaak hiervan is de identificatie met het lichaam en andere vormlichamen
die het gemanifesteerde Zelf uitmaken.
Kortom:
Bewustwording kan alleen plaatsvinden in de wereld van verschijnselen.
Een wereld waarin relatieve verschillen vanuit een wisselend perspectief
schijnbaar zelfstandige levens doen ontstaan.
HETZELFDE WEER ANDERS
Als bovengenoemde niet geheel is begrepen lees dan gerust door. Waarheid ligt als een hologram verborgen in alle aspecten
van het leven. De betekenis drukt zich telkens uit vanuit een ander gezichtspunt. Waar ook ter wereld zullen dezelfde wijsheden in
nieuwe vormen blijven verschijnen.
Bij het besef IK BEN is weliswaar sprake van een dualistisch beginsel, namelijk dat iets zich bewust van iets - het
Zelf bewust van het Zelf - maar daarom kan hier ook sprake zijn van Eenheid. De Waarnemendheid neemt zichzelf waar. Niet als een kwantiteit, maar het proeft de eigen wezenlijke en levende kracht. Hierdoor manifesteert
zich het bewuste Zijn in de meest ongedifferentieerde vorm die denkbaar is: namelijk in het weten IK BEN. Dit is een weten zonder meer.
Deze kennis brengt geen schijnbare beperkingen
aan in het ZIJN. Ik zeg "schijnbaar" omdat het Zijn nooit wezenlijk aan
beperking onderhevig kan zijn. Op het moment dat het IK zich identificeert
met vorm (ik ben een man) ontstaat de persoonsgerichte beleving van het
Zelf. Een naar waarheid zoekende persoonlijkheid is niets meer dan het
Zijn dat op zoek gaat naar zichzelf, maar dit vanwege zijn lastige conditionering
niet kan vinden. Lastig, omdat het misverstand zich in het Zijn bevindt,
terwijl de oplossing voortdurend elders wordt geprojecteerd; wordt gezocht
in een niet bestaande werkelijkheid. De hoedanigheid waarmee het zoekt,
namelijk via denkprojecties, sluit de mogelijkheid van Zelfherkenning
uit.
IK EN MIJ
Handig als ezelsbruggetje kan zijn de vergelijking tussen 'IK' en 'MIJ'. IK verhoudt zich tot IK BEN zoals MIJ zich verhoudt tot IK BEN DIT (of dat). IK staat voor het continue besef van aanwezig zijn (er Zijn) en vormt de kern van de beleving die uitmondt in tal van identificatieprocessen, de toe-eigening die staat voor MIJ. IK en MIJ staan voor totaal verschillende uitgangsposities. IK is bezitloos en grenzeloos, probeer maar uit. De grens komt direct in zicht zodra IK een MIJ wordt, zodra IK BEN overgaat in bijvoorbeeld IK BEN uitverkoren of gelukkig, geweldig, belazerd, vul maar in.
WAAROM ZOEKEN?
Zoeken is een instinctitieve beweging van
het niet herkende Zijn naar het ogenschijnlijke Zijn toe. Men voelt
zich niet langer één met het leven, maar gecorrumpeerd
door valse hoop en onzekere of schijnbare horizonten. Misschien is men gespannen
en ontevreden. Hierdoor ontstaat direct een heimwee naar de wezenlijke
kwaliteit die inherent is aan de oorspronkelijke staat. Nu is heimwee alleen mogelijk met iets dat diep van binnen al een
plek heeft. Die zoektocht is uiteraard voor iedereen anders, al naar
gelang de ontwikkeling die men doormaakt. Aan het eind van de
rit, als alles ondersteboven staat, alles tevergeefs is uitgeprobeerd, blijkt plotseling dat men het gezochte
zelf is.
LIEFDE EN HAAT
Het misverstand (zie ook hierboven) van het pogen tot Zelf-her-kenning vindt plaats doordat
kennendheid verstrikt raakt in de
diversiteit aan vormen en reacties die het Zijn in tijd en ruimte voortbrengt.
Metaforisch te vergelijken met een golf die zich losslaat van de zee en zich met lucht identificeert in plaats van met water, zijn essentie.
Doordat het Zelf een universeel beginsel is, is vereenzelviging binnen
de wereld van verschijnselen (het manifeste Zelf) een volstrekt natuurlijk gebeuren. De liefde
voor het Zelf veroorzaakt een voortdurende reproductie van geïdentificeerde vormen. Alle levensvormen
stevenen in hun illusionaire tweespalt instinctief
af op hun spiegel, de ander onder zijn gelijke. Hier houden het Zijn en de vormen die er in ontstaan elkaar in stand door spiegeling aan elkaar. De kenner spiegelt zich aan de vorm waarmee het zich geïdentificeerd heeft. Seksuele
gemeenschap vormt hiervan de uiterste consequentie. In dit licht bezien
bevat de persoonlijke of objectgerichte liefde de elementaire kracht
van het Zelf en tegelijkertijd de illusie van de vorm. Deze vorm van
Zelfliefde is verantwoordelijk voor alle scheppingdaden.
HAAT
Haat is niet strikt het tegenovergestelde van liefde. Beiden putten
uit dezelfde bron. Haat is een verwrongen manier om contact te maken
met een volkomen misbegrepen Zelf, al dan niet door bepaalde omstandigheden
voorbereid. In haat wordt hetzelfde ondeelbare moment van kennendheid
geraakt als in de liefde. Waar in de liefde de ander gevoeld wordt als
'zichzelf', wordt bij haat het intense moment van schijnbaar
Zelfverlies gevoeld. Ook bij een verzwakte identiteitbeleving kan haat een
alternatief zijn voor Zelfbeleving.
Populair gezegd: men kan voelen. Erger dan haat is immers een bewustzijn
dat, met een denkend en onderscheidend vermogen en op grond van een pakket identificerende overtuigingen, een gebrek heeft aan (Zelf)beleving.
Waar het gevoel van de persoonlijke liefde na verloop van tijd meestal
wat lijkt af te zwakken, manifesteert de haat zich steeds schrijnender.
Dat komt omdat haat geprikkeld wordt door de verbondenheid (met het
Zelf) die ook liefde veroorzaakt, maar in een vorm die ondraaglijk is.
In haat wordt, net als in liefde, het Zelf heel sterk beleeft, zij het
als vernietiger. Haat ontstaat dan ook alleen nadat men zich in de kern
van zijn wezen voelt aangesproken en gekwetst. Persoonlijke liefde daarentegen
duidt op een mechanisme dat werkt aan eenheid in plaats van vernietiging.
Hoewel eveneens een illusie en daarom soms zo gemakkelijk omslaand naar
haat, is (persoonlijke) liefde meer een afspiegeling van de kwaliteit
van het Zijn, die volkomenheid is. Niettemin hebben velen in
hun leven ongetwijfeld een keer de volkomenheid meegemaakt van het gevoel
van haat. Volkomen en verscheurend tegelijk.
© Frank Ho 1998.
Niets uit deze uitgave mag worden gereproduceerd zonder schriftelijke
toestemming van de schrijver. |
|