Cap. <2> II

Lookup: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

1/2,1 Nadat wij nu als boven bewezen hebben dat God is, zo zal het nu tijd zijn te tonen wat hij is, namelijk hij is zeggen wij, een *[8]wezen van de welke alles ofte oneijndelijke eijgenschappen gezeijd worden, van welke eijgenschappen een ijder deszelfs in zijn geslagte oneijndelijk volmaakt is. 1/2,2 Om dan onze meeninge in dezen klaar uijt te drukken zullen wij deze vier navolgende dingen vooraf zeggen.

1. *[9]Datter geene bepaalde selfstandigheid en is, maar dat alle selfstandigheid in sijn geslagte oneijndelijk volmaakt moet zijn, te wete, dat in het oneijndelijke verstand Gods geen selfstandigheid volmaakter kan sijn als die alreeds inde Natuur is.

2. Dat"er ook geen twe gelijke selfstandigheeden zijn.

3. Dat d'eene selfstandigheid d'ander niet kan voortbrengen.

4. Datter in het oneijndelijke verstand Gods geen selfstandigheid is als die formelijk inde Natuur is.

1/2,3 Wat dan aangaat het 1. namelijk dat'er geen bepaalde selfstandigheid en is enz. Zo iemand het tegendeel |f.5 des zelfs zoude willen staande houden, die vraagen wij aldus, te weete:

Of deze zelfstandigheid dan bepaald is door zig zelfs, namentlijk dat ze zig zelfs zo bepaald en niet onbepaalder heeft willen maaken: dan of zij sodanig is door haar oorzaak, welke oorzaak haar of niet meer heeft konnen of niet meer heeft willen geven: 1/2,4 Niet het eerste is waar omdat het niet mogelijk is dat een zelfstandigheid zig zelfs zoude hebbe willen bepaalen; en dat zo een zelfstandigheid die door zig zelfs geweest is, ERGO dan zeg ik isse door haar oorzaak bepaald, de welke noodzaakelijk God is. 1/2,5 Voorder indien zij dan door haar oorzaak bepaald is, zo moet dat zijn of omdat <zy> die oorzaak niet meer heeft konnen geven of omdat die niet meer heeft willen geeven; Dat hij niet meer zoude hebben konnen, zoude strijden tegen sijn almagtigheijd, *[10]dat hij niet meer zoude hebben willen, aangezien hij wel konde, smaakt na wangunst, dewelke in God die alle goet en volheid is, geen zins en is.

1/2,6 Het tweede belangende, Datter geen twe gelijke selfstandigheden zijn, bewijzen wij, omdat ieder zelfstandigheid in sijn geslagte volmaakt is, want zo'er twee gelijke |f.6 waren, zo most noodzaakelijk de een de andere bepaalen en dienvolgende niet oneijndelijk zijn, gelijk [wij] al voor dezen bewezen hebben.

1/2,7 Nopende dan het derde, te wete, dat de eene selfstandigheid d'ander niet en kan voortbrengen: zo weederom iemant het tegendeel mogt staande houden, da<t>[n] vragen wij of de oorzaak die deze zelfstandigheid zoude moeten voortbrengen, dezelfde eijgenschappen van het voortgebragte heeft of niet en heeft? 1/2,8 Niet het laatste is, want van de Niet kan geen Iet voortkomen: Ergo dan het eerste. En dan vraagen wij voorder of in die eijgenschap die oorzaak zoude zijn van dit voortgebragte, even zo veel volmaaktheijd is, of datter minder of datter meerder in is<?> als in dit voort gebrachte? Minder kander niet in zijn om reeden vooren, meerder ook niet zeggen wij, omdat als dan deze tweede bepaald zoude zijn, hetwelk strijd tegen 't geen nu al van ons bewezen is. Ergo dan even zo veel, ergo dan gelijk en twee gelijke zelfstandigheeden klaarlijk |f.7 strijdende met ons voorige bewijs. 1/2,9 Verder, 't geene geschapen is en is geenzins voortgekoomen vande Niet, maar moet noodzaakelijk van hem die wezentlijk is, geschapen zijn. Maar dat van hem iets zoude voortgekomen zijn, 't welke iets hij niet als dan en zoude minder hebben nadat het van hem is voortgekomen, dat en konnen wij met ons verstand niet begrijpen. 1/2,10 Eijndelijk, zo wij de oorzaak van die zelfstandigheid die het beginzel is van de dingen dewelke uijt haar eijgenschap voorkomen, willen zoeken, zo staat ons dan al wederom te zoeken de oorzaak van die oorzaak en dan weder de oorzaak van die oorzaak et sic in infinitum, zodat, Indien wij noodzaaklijk ergens moeten stuijten en rusten gelijk wij moeten, zo is 't noodzaakelijk te rusten op deze allene zelfstandigheid.

1/2,11 Ten vierden, dat er geen selfstandigheid of eijgenschappen in het oneijndelijk verstand Gods zijn als die formelijk in de Natuur zijn, dat kan en word van ons bewezen 1. Uijt de oneijndelijke magt Gods, omdat in hem |f.8 geen oorzaake en kan zijn door welke hij zoude hebben konnen beweegt worden het eene <mee> eerder of meerder als 't ander te scheppen. 2. uijt de eenvoudigheijd van zijne wille. 3. omdat hij 't geen goet is, niet kan nalaten te doen, gelijk wij hier na zullen bewijzen. 4. om dat geene nu niet is het onmogelijk zoude zijn dat het soude konnen komen, dewijl de eene zelfstandigheijd de ander niet en kan voortbrengen. En dat meer is, zo doende zouden er oneijndelijke zelfstandigheeden meer niet zijn als er zijn. Het welke ongerijmt is. 1/2,12 Uijt alle deze dan volgt: dat van de Natuur alles in allen gezeijt word en dat alzo de Natuur bestaat van oneijndelijke eijgenschappen, van de welke een ieder des zelfs in sijn geslagt volmaakt is. Hetwelk ten eenemaal overeenkomt met de beschrijvinge, die men aan God geeft. 1/2,13 Tegen 't geene [dat] wij nu gezeijt hebben, namentlijk dat geen ding in het oneijndelijk verstand Gods is, als 't geen formelijk inde Natuur is, willen eenige op deze wijzen |f.9 argumenteren: Indien God alles geschapen heeft, zo en kan hij niet meer scheppen. Maar dat hij niet meer zoude konnen scheppen streijd tegen sijn almogentheijd. Ergo. 1/2,14 Het eerste belangende, wij staan toe dat God niet meer kan scheppen. En wat het twede aangaat zeggen wij, dat wij be<k>kennen, Indien God niet alles zoude konnen scheppen wat scheppelijk is, zulks zoude strijden tegen sijn almogentheid, maar geenzins indien hij niet zoude konnen scheppen 't geene in zig zelven strijdig is, gelijk het is te zeggen dat hij alles geschapen heeft en evenwel nog meer zoude konnen scheppen. En zeker het is een veel grooter volmaaktheid in God, dat hij alles wat in sijn oneijndelijk verstand was, geschapen heeft als dat hij het niet en zoude geschapen hebben, noch nooijt zo zij spreeken, zouden hebben konnen scheppen. 1/2,15 En waarom dog hier van zo veel gezeijd? *[11]En argumenteren zij zelve niet aldus off en moeten zij niet aldus argumenteren: Indien God alwetende is, zo |f.10 en kan hij dan niet meer weten: maar dat God niet meer weten kan, strijd tegen sijne volmaaktheid: Ergo. Dog indien God alles in zijn verstand heeft en door sijn oneijndelijke volmaaktheijd niet meer kan weten, wel waarom dan en konnen wij niet zeggen, dat hij ook alles wat hij in zijn verstand hadde heeft voortgebragt, en gemaakt, dat het formelijk in de Natuur is of zoude zijn.

1/2,16 Dewijl wij dan nu weten dat alles gelijkelijk in het oneijndelijk verstand Gods is en dat'er geen oorzaak is, waarom dat hij dit eerder en meerder als dat zoude geschapen hebben, en alles konde in een ogenblik voortgebracht hebben, zo laat ons dan een[s] zien of wij niet tegen haar even de zelve wapenen konnen gebruijken, die zij tegen ons aanneemen. Aldus namelijk: Indien God nooijt zo veel kan scheppen of hij zoude nog konnen meerder scheppen, zo kan hij nooijt scheppen 't geen hij kan scheppen, maar dat hij niet kan scheppen 't geen hij kan scheppen, is strijdig in zig zelve. Ergo. |f.11

1/2,17 De reeden dan om dewelke wij gezeijd hebben, dat alle deze eijgenschappen die inde Natuur zijn, maar een eenig wezen is en geenzins verscheijde, want wij die de eene zonder de ander en d'ander zonder de ander klaar en onderscheijden konnen verstaan, die zijn deze: 1. omdat wij nu al vooren gevonden hebben, dat'er een oneijndelijk en volmaakt wezen moet zijn, door het welke niet anders kan verstaan worden als zodaanig een wezen van 't welke alles in allen moet gezeijt worden. Want hoe aan een wezen 't welk eenige wezentheijd heeft, moeten eijgenschappen gezet worden, en zo veel wezentheijd als men het meer toeschrijft, zoo veel eijgenschappen moetmen het <oog> ook meer toeschrijven en gevolglijk zo het wezen oneijndelijk is, zo moeten ook zijne eigenschappen oneijndelijk zijn en even dit is het dat wij een volmaakt wezen noemen.

2. om de eenigheid die wij alom in de natuur |f.12 zien. Inde welke *[12]zo verscheijde wezens waaren, zo en konde de eene met de ander onmogelijk niet vereenigen. Ten 3. omdat gelijk wij nu al gezien hebben dat de eene zelfstandigheijd de ander niet kan voortbrengen noch ook dat zo een zelfstandigheijd niet en is, het onmogelijk is dat se zouden beginnen te zijn. *[13]En evenwel nogtans zien wij dat in geen selfstandigheijd (die wij niet te min weeten dat in de Natuur is, afzonderlijk begrepen zijnde), eenige noodzakelijkheid is om wezentlijk te zijn: aangezien geen wezentlijkheijd aan hare bezondere wezentheijd toebehoort, zo moet noodzakelijk volgen, dat de Natuur dewelke van geen oorzaaken komt en die wij nogtans wel weten dat is, noodzakelijk een volmaakt wezen moet zijn, aan dewelke wezentlijkheid toebehoort.

1/2,18 Uijt dit alles dan dat wij nu dus verre gezeijd hebben, blijkt dat wij de uijtgebreijdheijd een eijgenschap van God stellen te zijn, dewelke in een volmaakt wezen geenzins en scheijnt te konnen vallen: Want nademaal de uijtgebreijdheijd deelbaar is, zo zoude het volmaakte Wezen van deelen |f.13 bestaan, 't welk aan God alheel niet kan toegepast worden, dewijl hij een eenvoudig wezen is. Daar en boven, als de uijtgebreijdheid word gedeelt, zo isse lijdende, dat ook geenzins in God (die onlijdelijk is en van geen ander kan lijden, nadien hij van alles de eerste werkende oorzaak is) plaats kan hebben. 1/2,19 Waarop wij antwoorden: 1. dat deel en geheel geen waare of daadelijke wezens zijn, maar alleen wezens van reeden en dien volgende en zijn *[14]inde Natuur nog geheel nog deelen. Ten 2. een zaake te zaamen gezet van verscheide deelen, moet zodanig zijn dat de delen deszelfs in het bezonder genomen de een zonder de ander kan bevat en verstaan worden. Als bij Exempel in een uurwerk, dat van veele verscheide raderen en touwen en anders is te zaamen gezet: daar in kan zeg ik, een ijder rad, touw, etc. bezonder bevat en verstaan worden zonder dat het geheel soo als 't samengezet is daar toe van nooden is. Desgelijks meede in het water het welke van regte lankwerpige bestaat, kan ijder deel deszelfs bevat en verstaan worden en bestaan zonder 't geheel; Maar de |f.14 uijtgebreijdheijd zijnde een zelfstandigheijd, van die en kan men niet zeggen dat ze deelen heeft, aangezien se nog kleijnder nog grooter kan worden en geen deelen des selfs bezonder zoude konnen worden verstaan, dewijl zij in haar natuur moet oneijndelijk zijn. En dat ze nu zodanig moet zijn, volgt hier uijt, namentijk om dat indien zij zodanig niet en is, maar dat ze zoude van deelen bestaan, zo en waar zij geenzins door haar natuur oneijndelijk als gezeijd: Dog dat in een oneijndelijke natuur deelen zoude konnen werden geconcipieert, is onmogelijk, want door haar natuur zijn alle deelen eijndelijk. 1/2,20 Doet hier nog bij: indien zij van verscheijde deelen zoude bestaan, zo zoude dan konnen verstaan worden, dat eenige deelen deszelfs vernietigt zijnde, evenwel nogtans de uijtgebreijdheijd zoude blijven en niet door eenige vernietigde deelen meede vernietigt worden: een zaak de welke klaarlijk tegenstrijdig is in zo iets, het welke door zijn eijgen natuur oneijndig is en nooijt bepaald off eijndig kan zijn off verstaan worden. 1/2,21 Voorder, wat dan nog belangt het deelen in de Natuur: daarop zeggen wij, dat de deelinge noijt gelijk al vooren mede gezegt is, en gescheid in de zelfstandigheijd maar altijd en alleen in de wijzen van de zelfstandigheijd. Ik dan, willende water deelen, deel alleen maar de |f.15 wijse van de zelfstandigheijd en niet de zelfstandigheijd zelve, welke wijsen nu van 't water, dan van wat anders altijd het zelve is. 1/2,22 De deeling dan of lijdinge geschied altijd in de wijse: gelijk als wij zeggen dat de mensch vergaat of vernietigt word, zo word dat alleen verstaan vande mensch ten aanzien hij zo een tsamenstel en wijse is van de zelfstandigheijd en niet de zelfstandigheid van de welke hij afhangt <zelve> zelve. 1/2,23 Ten anderen: wij hebben alreeds gelijk wij ook nog hier na zullen zeggen gesteld, datter buijten God niets niet en is. En dat hij een inblijvende oorzaak is, dog de lijdinge, zo wanneer de doender en de lijder verscheijden zijn, is een tastelijke onvolmaaktheid, want de lijder moet noodzakelijk van dat geene afhangen het welke hem van buijten het lijden heeft veroorzaakt, het welk in God die volmaakt is, geen plaats heeft. 1/2,24 Voorder van zo een werker de welke in sig zelfs werkt, en kan men nooijt zeggen dat hij die onvolmaakt[heid] heeft van een lijder, dewijl hij niet van een ander lijd, gelijk als daar is het verstand, het welke, zo ook de Philosophen zeggen, een oorzaak is van zijn begrippen: Maar aangezien het een inblijvende oorzaak is, wie zoude dorven zeggen dat het onvolmaakt is zo dikwijls het van zig zelven lijd? 1/2,25 Eijndelijk de zelfstandigheijd, dewijl zij en het beginsel is van alle haare wijsen, zo kan zij met veel grooter regt een Doender als een Leijder genoemt worden. En met dit gezeijde agten wij alles genoegzaam beantwoord. |f.16

1/2,26 Daar word voorder tegengeworpen, datter nootzakelijk een eerste oorzaak die dit lichaam doet bewegen moet zijn, want het zig zelfs als 't rust onmogelijk niet bewegen kan. En aangezien het klaarlijk blijkt, datter inde Natuur ruste en beweginge is, zo moet die, meenen zij, <van een> nootzaakelijk van een uijtterlijke oorzaak herkoomen. 1/2,27 Dog ligt is het voor ons hier op te antwoorden; want wij staan toe, dat indien het lighaam een zaake was door zig zelfs bestaande en anders geen eijgenschap en hadde als lang, breet, en diep, dat alsdan in het zelve geen oorzaak zou zijn indien het <waarlijk ruste> waarlijk ruste, om zig zelfs te beginnen te bewegen: Maar wij hebben als vooren gesteld de Natuur een wesen te zijn, van het welke alle eijgenschappen geseid worden en dit zo zijnde, zo en kan haar niets ontbreeken om voort te brengen alles wat voort te brengen is.

1/2,28 Tot hiertoe dan gesprooken van wat God is, zullen wij van sijn eijgenschappen maar gelijk als met een woord zeggen, hoe dat dezelve, welke ons bekent zijn maar bestaan in twee namelijk Denking en Uijtgebreijdheid: want hier spreeken wij maar alleen van eijgenschappen die [men] zoude eigene eijgenschappen Gods kunnen noemen, door de welke <hij hem> wij hem in zig zelf en niet als werkende buijten zig zelfs komen te kennen. |f.17

1/2,29 Al wat dan de menschen aan God buijten deze twee eijgenschappen meer toeschrijven, dat zal (indien het anderzins tot hem behoord) moeten zijn off een uijtwendige benaming, gelijker wijs als dat hij is door zig zelfs bestaande, Eewig, Eenig, Onveranderlijk enz. ofte zeg ik, in opzigt van sijne werkinge: gelijker wijs als dat hij is een Oorzaak, een Voorbeschikker, en Regeerder van alle dingen, welke alle eijgen aan God zijn zonder nogtans te kennen te geeven wat hij is. 1/2,30 Edog hoe en op wat wijze *[15]deze eijgenschappen nogtans in God plaats konnen hebben, zullen wij hier na in de volgende hooftdelen zeggen. Maar tot een beter verstand dezes en naader opening hebben wij goet gedagt, deze volgende reedenen hier bij te voegen: bestaande in een Zamenspreeking tusschen het Verstand, de Liefde, de Reede, en de Begeerlijkheid.



[8] De reden is omdat de Niet geen eigenschappen konnende hebben, de Al dan alle eigenschappen moet hebben: en zo dan de Niet geen eigenschappen hebbende omdat hij niet is, zo heeft de Iet eigenschappen omdat hy Iet is. Ergo dan hoe meer Iet is hoe hij meer eigenschappen moet hebben en dienvolgende dan God de volmaakste, de oneijndige, de alle Iet zijnde, zo moet hij ook oneindige, volmaakte en alle eigenschappen hebben.

[9] Konnende dan bewijzen datter geen Bepaalde Selfstandigheid kan zijn, zo moet dan alle Selfstandigheid onbepaald aan't goddelijk wezen behooren. Dit doen wij aldus: 1. of ze moet haar zelfs bepaald hebben, of haar moet een ander bepaald hebben: niet zij haar zelve want onbepaald geweest zijnde, zoude zij haar geheel wezen moeten verandert hebben. Van een ander isse ook niet bepaalt: Want die moet zijn bepaald of onbepaald; niet het eerste, ergo 't leste, ergo 't is God. Deze dan zoude moeten bepaald hebben of omdat het hem aan de magt of aan de wil ontbrak: maar 't eerste is tegen de almachtigheid, het tweede tegen de goedheid. 2. Datter [gee]n Bepaalde zelfstandigheid kan zijn is hier uijt klaar, omdat ze alsdan noodzaakelijk iet zoude moeten hebben, dat ze van de niet heeft, 't welk onmogelijk is. Want van waar heeft ze dat daar in ze verschilt van God? Niet van God altijd, want die en heeft niet onvolmaakts of bepaalts enz. Ergo dan van waar als van de Niet? Ergo: geen zelfstandigheid als onbepaald. Waar uijt volgt, datter geen twee gelijke onbepaalde zelfstandigheeden konnen zijn: Want deze stellende, isser noodzakelijk bepaling. En uijt deze volgt weder, dat de eene zelfstandigheid d'ander niet kan voortbrengen. Aldus: de oorzaak die deze zelfstandigheid zou voortbrengen, moet hebben de zelfde eigenschap van dese voortgebrachte en ook of eeven zo veel volmaaktheid of meerder, of minder. Niet het 1. want dan waren twe gelijke. Niet het 2. want dan wasser een bepaalde. Niet het 3. want van de Niet komt geen Iet. Ten anderen: als van de onbepaalde een bepaalde kwam, zo wierd de onbepaalde ook bepaald enz. Ergo de eene zelfstandigheid kan d'ander niet voortbrengen. En uijt dit volgt dan alweer dat alle zelfstandigheid formelijk moet zijn, want niet [zijnde], daar is geen mogelijkheid te konnen komen.

[10] Hier op te <antwoorden> zeggen dat de Natuur van de zaak zulk vereischte en derhalven niet anders konde zijn, is niet gezeit: want de natuur van de zaak kan niets vereischen als ze niet en is. Zegt gij dat men nogtans kan zien wat tot de natuur van een zaak behoort die niet en is: dat is waar quo ad existentiam, maar geenzins quo ad essentiam. En hier in is 't onderscheid tusschen scheppen en genereren. Scheppen dan is een zaake daarstellen quoad essentiam et existentiam simul maar genereren is dat een zaake voortkomt quoad existentiam solum. En daarom isser nu in de Natuur geen scheppen, maar alleen genereren. So dat dan als God schept, zo schept hij de natuur van de zaak met de zaak gelijk. En zo zoude hij dan wangunstig zijn, zo hij wel konnende maar niet willende de zaak zodanig had geschapen, dat zij met haar oorzaak in essentia et existentia niet soude overeenkomen. Doch 't geen wij hier scheppen noemen, en kan eigentlijk niet gezeid worden ooijt geschied te zijn en is maar om aan te wijzen, wat wij tusschen scheppen en gene[reren] on[derscheid] stel[lende, daar] van [konnen zeggen.]

[11] Dat is wanneer wij haar uijt deze bekentenisse van dat God alwetende is, doen argumenteren, dan en kunnen zij niet als aldus argumenteren.

[12] Dat is, zo verscheijde selfstandigheden waren die niet tot een eenig wesen betrokken wierden: zo dan war de vereeninge onmogelijk, omdat wij klaarlijk zien dat zij al heel geen gemeenschap te zamen hebben als denking en uijtgebreidheid, daar van wij nogtans bestaan.

[13] Dat is, indien geen zelfstandigheid kan sijn als wezentlijk en evenwel nogtans geen wezentlijkheid volgt uijt haar wezen wanneer ze afgescheide begrepen word, zo volgt datze niet iets bezonders, maar iets dat is een eigenschap, moet zijn van een ander: namentlijk het een, alleenig en alwezen. Of aldus: alle selfstandigheid is wezentlijk en geen wezentlijkheid van eenige selfstandigheid op zig zelfs begrepen, en volgt uijt zijn wezen; ERGO dan geen wezentlijke selfstandigheid kan op zig zelve werden begreepen, maar moet tot iets anders behooren: Dat is, met ons verstand de zelfstandige denking en uijtgebreidheid verstaande, zoo verstaan wij die niet als in haar wesen en niet in haar wezent[lijk]heid, dat is dat haar wezent[lijk]heid noodzakelijk aan haar wesen toebehoort: Dog omdat wij bewijsen dat ze een eijgenschap van God is, daar uijt bewijsen wij a priori dat se is en a posteriori (ten anzien van de uijtgebreijdheid alleen) uijt de wijsen die nootaaakelijk dit tot haar subjectum moeten hebben.

[14] In de natuur dat is in de zelfstandige uijtgebreidheid: want die gedeeld wordende, zo word haar natuur en wezen t'eenmaal vernietigt, als die alleen bestaat in oneijndige uijtgebreijdheid of geheel te zijn, dat het zelfde is. Maar zult gij zeggen: iss'er geen deel in de uijtgebreijdheijd voor alle wijse? Geenzins, seg ik. Maar zegt gij, alss'er beweging in de stof is, die moet in een deel van de stoff zijn, want niet in 't geheel, dewijl die oneijndig is, want waar heen zou die bewogen worden? Buijten haar is niet; ergo dan in een deel. Antwoord: daar is geen beweging alleen, maar beweging en stilte zamen; en deze is in het geheel en moet daar in zijn, want daar is geen deel in de uijtgebreijdheijd. Zo gij nog al Ja zegt, zegt mij dan: als gij de heele uijtgebreidheijd deeld, dat deel dat gij met U verstand van haar afsnijd, kont gij ook na de natuur van alle deelen daar van afscheide; dat dan gedaan zijnde, vraag ik: wat iss'er tusschen dit afgesneede deel en de rest? Gij moet zeggen, of een ijdel of een ander lichaam of dat van de uijtgebreidheijd selve; daar is geen vierde. Niet het eerste, want daar is geen ijdel, dat stellig en geen lighaam is. Niet het twede, want dan wass'er wijze, die'er niet kan zijn, want de uijtgebreidheid als uijtgebreidheid is zonder en voor alle wijze. Ergo dan het derde en zo en iss'er geen deel, maar de uijtgebreidheid geheel.

[15] *vide pag. & seq. cap. 7