12. Cap.10.

Lookup: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

1/10,1|f.56] Om nu eens kortelijk te zeggen, wat dat in zig zelfs goet en kwaad is, zullen wij aldus aanvangen.

Eenige dingen zijn in ons verstand en niet in de Natuur en zo zijn dan deze ook alleen maar ons eigen werk en zij dienen om de zaaken onderscheidelijk te verstaan; onder welke wij begrijpen alle betrekkingen, die opzigt op verscheide zaaken hebben en deze noemen wij Entia Rationis. 1/10,2 Zo is dan nu de vrage, of goet en kwaad onder de ENTIA Rationis of onder de ENTIA Realia behooren. Maar aangezien dat goet en kwaad niet anders is als betrekkinge, zo ist buijten twijffel datze onder de ENTIA Rationis moeten geplaatst worde; want nooijt zeid'men dat iets goet is, ten zij in opzigt van iet anders, dat zo goet niet en is of ons niet zo nuttelijk als iet anders. Want zo zeidmen dat een mensch kwaad is, niet anders als in opzigt van een die beter is of [o]ok dat een appel kwaad is in opzigt van een ander die goet of beter is.

Alle het welke onmogelijk niet en zoude konnen gezeid worden, bij aldien dat beter of goet in welker opzigt het zodanig genoemt word, niet en was. 1/10,3 Also dan als men dan zegt dat iets goet is, dat en is dan niet anders te zeggen als dat het wel over een komt met de algemene Idea die wij van sodanige |f.57 dingen hebben. En daarom gelijk wij nu al voorens gezeid hebben, de dingen moeten overeenkomen met haare bezondere Ideen, welkers wesen een volmaakte wezentheid moet zijn en niet met de algemene, dewijl ze alsdan niet en zouden zijn.

1/10,4 Nopende de bevestinge van 't gene wij nu gezeid hebben, de zaake is bij ons klaar, doch evenwel tot een besluijt van 't geseide, zullen wij deze volgende bewijzen daar nog bijdoen.

Alle dingen die in de NATUUR zijn, die zijn of zaaken of werkingen.

Nu goet en kwaad en zijn noch zaaken nog werkingen. ERGO en zijn goet en kwaad niet in de Natuur. Want indien goet <of> en kwaad zaaken of werkingen zijn, zo moeten zij dan hare beschrijvinge hebben.

Maar goet en kwaad (als exemp. gr. de goetheid van Petrus en de Kwaadheid van Judas) en hebben geen beschrijvinge buijten de wezentheid Judae en Petri, want die is alleen in de natuur en zijn niet buijten haare wezentheid te beschrijven.

Ergo. ut supra volgt, dat goet en kw[a]at geen zaaken zijn of werkingen, die in de Natuur zijn.