Lookup: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
2/4,1 |f.74 Dewijl wij dan in het voorige Cap. hebben getoont hoe uijt de dooling van de Waan de Passien voortkomen, soo laat ons dan hier eens zien de uijtwerkingen van de twee andere manieren van Kennen. Ende vooreerst van die welke wij Het Waare [26]Geloof genoemt hebben.
2/4,2 Deze12 dan vertoond ons wel wat de zaake behoort te zijn, maar niet wat zij waarlijk is. En dat is de reeden waarom zij ons nooijt en kan doen vereenigen met de geloofde zaak. |f.75 Ik zeg dan, dat zij ons leert alleen wat de zaake behoort te zijn, en niet wat zij is, in welke twe een groot onderscheid is. Want gelijk wij in ons exempel van de regul van drien gezeid hebben, dat als iemant door gelijkmatigheid kan uijt vinden een vierde getal dat met het derd overeenkomt gelijk het tweede met het eerste, soo kan hij (de deilinge en vermeenigvuldiging gebruijkt hebbende) zeggen dat de vier getallen moeten evengelijkmatig zijn en dit zo al zijnde, spreekt hij niet de min daar af als <de> van een zaak die buijten hem is. Maar als hij de gelijkmatigheid komt te *[27]beschouwen zo als wij in het derde exempel getoond hebben, als dan zegt hij in waarheid, dat de zaak zodanig is, aang[e]zien die alsdan in hem en niet buijten hem is. Dit's van de eerste.
2/4,3 De tweede uijtwerkinge van't ware geloof is, dat ze ons13 brengt tot een klaar verstand door 't welk wij God liefhebben en ons alsoo verstandelijk doet gewaar worden die dingen die niet in ons maar buijten ons zijn. 2/4,4 De *derde uijtwerkinge is, datze aan ons14 verschaft de kennisse van goet en kwaad en ons aanwijst alle passien, die te <...> vernietigen zijn <te vernietigen>. En om dat wij nu te vooren gezeid hebben dat die passien |f.76] die uijt de Waan voortkoomen, groot kwaad onderworpen zijn, zo is't de pijne waart eens te zien, hoe de selve ook door deze tweede kennisse gezift worden om te zien wat in de zelve goet, wat kwaad is.
Om dit dan mede bekwamelijk te doen, so laat ons de zelve maniere als vooren gebruijkende, de selve eens van nabij bezien om daardoor te konnen kennen, welke het zijn die van ons verkooren, welke verworpen moeten worden.
Doch eer wij daar toe komen, laat ons eens kort voor af zeggen wat daar is het Kwaad des menschen. 2/4,5 Wij hebben nu te vooren al gezeijd, dat alle dingen genoodschikt zijn en dat[28] In de Natuur geen goet en geen Kwaad is. Zo dat al't geen dat wij van de mensch willen, dat zal moeten van het geslacht des zelfs zijn, het welk niet anders is als een Wezen van reden. *[29]En wanneer wij dan een Idea van een 15volmaakt mensch in ons verstand bevat hebben, dat zoude dan konnen16 een oorzaak zijn om zien (als wij ons zelfs onderzoeken) offer in ons ook eenig middel is om tot zo een volmaaktheid komen.
2/4,6 En daarom17 dan alles wat ons tot die volmaaktheid |f.77 voorderd, dat zullen wij goet noemen en in tegendeel al dat verhinderd off ook daartoe niet en vordert, kwaad.17 2/4,7 Ik moet dan zeg ik een volmaakt mensch begrijpen, zo ik iets aangaande het goet en kwaat des menschen verhaalen wil en dat daarom, omdat ik handelende van 't goet en kwaad, als E.g. Van Adam, ik als dan een dadelijk wezen (ens reale) met een <dade> wezen van Reden (ens Rationis) verwarren zoude, het welk wel 18naauwkeurig van een regtschapen Philosooph moet gemijd worden en dat om redenen die wij in't vervolg deses off bij andere gelegentheden sullen stellen.
2/4,8 Voorder om dat het eijnd van Adam of van eenig ander bijzonder schepzel ons niet bewust is als door de uijtkomst, zo dat ook 't geen wij van't eijnd des menschen konnen zeggen, *[30]gegrond moet zijn op het begrip van een volmaakt mensch in ons verstand, welkers eijnd dewijl het eens Ens Rationis is, wij wel konnen weten: en ook als gezeijt is, sijn goet en kwaad, al het welke maar wijsen zijn van denken.
2/4,9 Om dan nu allengskens ter zaak te komen: wij hebben nu al te vooren aangewezen hoe dat uijt het begrip de beweging, tochten en werkingen van de ziel ontstaan en het selve |f.78 begrip hebben wij in vierderlij [deelen] verdeeld als in horen zeggen alleen, in ervarentheid, in geloov, in klare kennisse. En aangezien wij nu de uijtwerkinge deser aller hebben gezien, zo is daaruijt openbaar, dat de vierde namelijk19 de klare kennisse, de aldervolmaakste is van alle. Want de waan brengt ons dikwijls in dooling. Het ware geloof is alleen daarom goet, omdat het de weg is tot ware kennis, ons tot die dingen die waarlijk beminnens waardig zijn, opwekkende. Zodat dan het laatste eijnde dat wij zoeken en het voornaamste dat wij kennen, is de waare kennisse. 2/4,10 Doch20 ook deze ware kennisse is na de voorwerpen die haar voorkomen, ook verscheiden. Soo dat hoe veel beter daar is het voorwerp met het welke het komt te vereenigen, zo veel beter is ook deze kennisse. 21En daarom dat is de volmaaktste mensch, de welke met God (die het aldervolmaaktste wezen is) vereenigt en hem zo geniet.
2/4,11 Om dan te ondervinden wat in de lijdingen of passien goet en kwaad is, zo laat ons die als gezeid is, bezonder voorneemen. Ende22 vooreerst van de Verwondering. Deze dan, dewijl die off uijt onwetenheid of vooroordeel komt te ontstaan, is een onvolmaaktheid in den mensch die deze ontroering onderworpen is. Ik zeg een onvolmaakt|f.79heid, omdat de verwondering door zig zelfs niet tot eenig kwaad brengt.
[26] Het gelove is een krachtige betuijginge van Redenen door welke ik in mijn Verstand overtuijgt ben dat de zaak waarlijk en zodanig is buijten mijn Verstand als ik in mijn Verstand daar af overtuijgt ben. Een krachtig betuijg van Redenen zeg ik: om het daar door te onderscheiden, en van de waan die altijd twijffel<ing>achtig en doling onderworpen is en van 't weeten dat niet bestaat in overtuijging van Redenen, maar in een onmiddelijke ver<eeniging>eeniginge met de zaak zelve.
Dat de Zaake waarlijk en sodanig is buijten mijn verstand, seg ik: waarlijk, omdat mij de redenen in dezen niet en konnen bedriegen want anders en verschilden ze niet van de waan. Sodanig: want het kan mij maar alleen aanzeggen wat de zaake behoort te zijn en niet wat zij waarlijk is, anderzins verschilde ze niet van 't weten. Buijten: want het doet ons verstandelijk niet 't geene in ons, maar 't geene buijten ons is, genieten.
[27] Siet hier af pag.66.
[28] Dat het zelve niet in de natuur is maar in ons verstand.
[29] Na het hebben van <Idea> een Idea eenes volmaakten mensche zoude men konne zien, offer middel was om daar te geraaken.
[30] Want uyt geen bijzonder schepzel kan men een Idea die volmaakt is hebben; want deze hare volmaaktheid selve of ze waarlijk volmaakt is of niet, en kan niet afgenomen worden als uijt een algemeene volmaakte Idea of Ens Rationis.