Lookup: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
2/5,1 <Wa>De Lievde die niet anders is, als een zaak te genieten en daar mede vereenigt te worden, die zullen wij verdeelen na de hoedanigheeden van haar <voorP> voorwerp: welk voorwerp de mensch zoekt te genieten en daarmede te vereenigen. 2/5,2 Sommige24 voorwerpen dan zijn in haar zelven vergankelijk; andere25 wel niet <door> vergankelijk door haar oorzaak. Doch een derde isser alleen door zijn eigen kracht en mogentheid eeuwig en onvergankelijk.
De vergankelijke dan zijn alle de bijzondere dingen die niet van alle tijd geweest zijn of begin genoomen hebben.
De andere dat zij[n] alle die wijzen die wij gezeid hebben, oorzaak te zijn van de bezondere wijsen.
Maar de derde is God off 't welk wij voor een en't zelfde neemen, de Waarhe[i]d.
2/5,3 De Liefde dan ontstaat uijt het begrip en kennisse die wij van een zaake hebben ende na dat de zaake zig groter en heerlijker vertoond, daarna is ook |f.80 de liefde groter en groter in ons.
2/5,4 Op tweder lij wijzen isser macht om ons van de liefde te ontslaan: of door kennisse van een beter zaak, of door ondervinding dat de beminde zaak die voor wat groots ende heerlijke gehouden is, veel onheil en ramp met zig sleept.
2/5,5 Met de liefde is 't ook soodanig, dat wij nooijt en trachten van dezelve (gelijk van de verwondering en andere passien) verlost te zijn; en dat om dese twee redenen: 1. omdat het onmogelijk is, de twede omdat het noodzaakelijk is, dat wij niet van de selve verlost werden.
Onmogelijk dan is't omdat het niet van ons afhangd, maar alleen van het goet en <kwaad> nut, dat wij in het *[31]voorwerp aanmerken, het welke soo wij't niet en wilden beminnen, noodzaakelijk van ons te vooren niet en most gekend <wezen> zijn, het welk niet in onse vrijheid bestaat of an ons hangt, want zo wij niets kenden, voorzeeker wij en waaren ook niet.
Noodzaakelijk dan ist niet van de zelve verlost te |f.81 zijn omdat wij vermids de swakheid onses natuurs, zonder iets te genieten waar mede wij vereenigt worden en versterkt, niet en zouden konnen bestaan. 2/5,6 Welke dan van deze drie'erlij voorwerpen hebben wij te verkiezen of te verwerpen?
Wat27 de <... vergankelijke> vergankelijke aangaat (de wijle wij als gezeid is, om de swakheid onser natuur noodzakelijk iet moeten beminnen en daar mede vereenigen om te bestaan), het is zeker dat wij door't beminnen en28 vereenigen met de zelve geen zins in onse natuur versterkt en werden, aangezien zij zelve swak zijn en d'eene kreupele d'ander niet kan draagen: En niet alleen dat ze ons niet en vorderen, maar sijn ook zelfs ons29 schadelijk.
Want wij hebben gezeid de Liefde te wezen een vereeniginge met het voorwerp dat ons verstand oordeeld heerlijk en goet te zijn; en daar bij verstaan wij zo een vereeniginge, door de welke en de liefde en het geliefde een en de <zev> zelvde zaak komen te zijn of t'zamen een geheel maaken. Soo is hij dan immers wel ellendig, die met eenige vergankelijke|f.82 dingen vereenigt word. Want deze dewijlze buijten sijne macht zijn en <zo> veel toevallen onderworpen, zo is't onmogelijk dat als die komen te lijden, hij daarvan soude konnen bevrijd zijn. En zo bijgevolg besluijten wij: Bij aldien deze, die de vergankelijke dingen die eenig zins noch wezen hebben, beminnen, zoo Ellendig zijn, wel wat zullen die dan, die de Eere, Rijkdommen, en wellusten die alheel geen wezentheid hebben, beminnen ellendig zijn.
2/5,7 Laat ons dit dan genoeg zijn om te betonen, hoe ons de 30Reden aanwijst om van de zo vergankelijke dingen af te scheiden. Want door't geene wij nu geseijd hebben, woort ons klaar aangewezen het vergif en het kwaad dat in de beminninge deser dingen steekt en verborgen is. Doch noch onvergelijkelijk klaarder zien wij dit als wij aanmerken, van wat een heerlijk en voortreffelijk goet wij door de genietinge deses worden afgescheiden. 2/5,8 Hier voor hebben wij gezeid dat de dingen die ver|f.83gankelijk zijn, buijten onze macht zijn. Op datmen ons wel verstaa, wij en willen niet zeggen, dat wij eenige vrije oorzaak zouden zijn van niets anders afhangende: maar als wij zeggen dat eenige dingen in, andere buijten onse macht zijn, zo verstaan wij door die welke in onse macht zijn, zulke die wij uijtwerken door ordre of te zamen met de Natuur waar van wij een deel zijn: door die welke niet in onse macht zijn zulke <die niet in onse macht zijn> die gelijk als buijten ons zijnde, door ons geene veranderinge onderworpen zijn, aangezien zij zeer verre van onse dadelijke wezentheid door de Natuur zoodanig gesteld, af zijn.
2/5,9 Vervolgende dan zo zullen wij nu komen tot de twede maniere van <werp> voorwerpen, welke alhoewel eeuwig en onvergankelijk <door haar vergank> zoo zijn zij nogtans niet soodanig door haar eigen kragt. Edoch31 een wijnig onderzoek hier maar toe brengende, zo zullen wij terstond gewaar worden, dat deze niet en zijn als maar wijsen alleen, die onmiddelijk van God afhangen. En dewijle de natuur deser sodanig is, zo en zijn zij voor ons niet om te begrijpen, tenzij wij met eenen een begrip van God hebben. In welke omdat hij volmaakt is, noodzaakelijk onze Lievde |f.84 moet rusten. En om met een woort te seggen, het zal ons onmogelijk zijn, dat als wij ons verstand wel gebruijken, wij souden konnen nalaten God te beminnen.
2/5,10 De Reedenen waarom zijn klaar: Vooreerst omdat wij ondervinden, dat God alleen maar weezen heeft en alle andere dingen geen wezens, maar wijsen zijn. Ende aangezien de wijsen niet recht konnen verstaan worden zonder het wezen van't welke zij onmiddelijk afhangen en wij nu al vooren getoond hebben dat als wij iets beminnende, een beter zaak als die wij dan beminnen, komen te kennen, wij altijd ter stond op dezelve vallen en de eerste verlaten; Zo volgt onwedersprekelijk, dat als wij God komen te kennen, die alle volmaaktheid in hem alleen heeft, wij hem noodzakelijk moeten beminnen.
2/5,11 |f.85 (2)*[32]Ten tweeden, als wij ons verstand wel gebruijken inde kennisse van zaken, so moeten wij die dan kennen in haar oorzaaken: Nu dan, aangezien God van alle andere dingen een eerste oorzaak is, soo is dan de kennisse Gods en zij staat voor (ex rerum natura) volgens de natuur van de zaak, voor de kennisse van alle andere dingen: dewijl de kennisse van aller andere dingen volgen moet uijt de kennisse van <dat de saake heerlijk is en goet> de eerste oorzaak. En de waare liefde komt altijd hervoort uijt kennisse van dat de Saake heerlijk is en goet. Wat dan kander anders volgen, als dat ze op niemand geweldelijker zal konnen uijtstorten als op den Here onse32 God? Want hij is alleen heerlijk en een volmaakt goed.
2/5,12 Zo zien wij dan nu, hoe wij de liefde krachtig maaken en ook, hoe de zelve alleen in God moet rusten. Het gene wij dan van de liefde noch meer hadden te zeggen, dat zullen wij trachten te doen als wij handelen van de laatste manier van kennisse. Hier vervolgens zullen wij nu onder|f.86zoeken gelijk wij hier voor hebben toegeseid, aangaande welke van de passien wij hebben aan te neemen, welke wij hebben te verwerpen.
[31] Dat dan van ons niet most gekend zijn, zo wij niet en zouden beminnen. Nu deze kennisse en hangt van <ons verstand> onse vrijheid niet af. Ergo.
[32] Het geene van de liefde noch meer te seggen is, zal van ons gedaan worden pag. … en so zullen wij vervolgende voortgaan en betoonen wat ons de 3e uijtwerkinge van 't gelove voor goet en kwaad <in de kwaat sal aanwijsen> in de haat sal aanwijsen.