Lookup: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
2/8,1 |f.93 Nu vervolgens dan zullen wij spreeken van de achting en versmading, van de Edelmoedigheid en Nedrigheid, van Verwaantheid en van de Strafbare Needrigheid; Om het goet en kwaad in deze wel te onderscheiden, zullen wij die voor voets opneemen.
2/8,2 De Achting en Versmading dan zijn maar in opzicht van iets groots off kleins als dat wij eenige zaake kennen, het zij dit groots of kleins in ons of buijten ons is.
2/8,3 De Edelmoedigheid strekt zig niet uijt buijten ons en werd alleen toegepast zo eenen, die na de regte waarde zonder passien noch gemerk op de achting sijns zelvs te hebben, sijne volmaaktheid kend.
2/8,4 De Nedrigheid is als iemand sijne onvolmaaktheid zonder gemerk te hebben op de verachting sijns zelfs, kend; strekkende de Nedrigheid niet uijt buijten den nedriegen mensch.
2/8,5 De Verwaantheid is als iemand zig zelfs komt toe te eigenen eenige volmaaktheid die <aan hem> niet <behoort. Ik en spreeke niet van de geveijsde, die om andere te bedriegen zonder te meenen haar verneederen: maar van zulke die de onvolmaaktheden, die zij hun toepassen, ook zodanig meenen te zijn.> in hem te vinden is. 2/8,6 |f.94 De Strafbare Nedrigheid is, als iemand an zig toepast eenige onvolmaaktheid die aan hem niet behoort. Ik en spreeke niet van de geveijsde, die om andere te bedriegen zonder te meenen haar verneederen: maar van zulke die de onvolmaaktheden die zij hun toepassen, ook zodanig meenen te zijn. 2/8,7 Dit dan aldus aangemerkt zijnde, zo blijkt dan daar uijt genoegzaam wat voor goet en kwaad ieder van deze passien in zich heeft. Want wat belangt de Edelmoedigheid en Nedrigheid, deze geven door hun zelfs haar voortreffelijkheid te kennen. Want wij zeggen dat den bezitter des zelfs sijne volmaaktheid en onvolmaaktheid na waarde kend. Het welk het voornaamste is zo ons de reeden leerd, waardoor wij tot onse volmaaktheid geraaken. Want wij te recht onse macht en volmaaktheid kennende, zo zien wij daardoor klaarlijk wat het is dat ons te doen staat om tot ons goet einde te geraaken. En wederom, als wij ons gebrek en onmacht kennen, zo zien wij wat ons te vermijden staat.
2/8,8 Wat de Verwaantheid en Strafbaare Nedrigheid angaat, de beschrijving des zelfs geeft ook te kennen dat zij <ontstaat> ontstaan uijt zekere waan. Want wij zeiden dat zij toegepast word aan sulk een, dewelke eenige volmaaktheid |f.95 die aan hem niet behoord, nochtans zig zelfs toeschrijft. En de Strafbare nedrigheid het reghte tegendeel.
2/8,9 Uijt dit gezeide dan blijkt dat zo goet en heijlzaam als daar is de Edelmoedigheid en ware nedrigheid, dat daar en tegen de verwaantheid en strafbare nedrigheid ook zo kwaad en verdervende is. Want geene en steld niet alleen den bezitter in een zeer goede stant, maar ook daar bij is zij de rechte trap door de welke wij opklimmen tot ons opperste heijl. Maar deze en belet ons niet alleen om tot onse volmaaktheid te geraaken, maar brengt ons ook geheel tot ons verderf. De Strafbare nedrigheid is't die ons belet te doen 't geene wij anders mosten doen om volmaakt te werden: gelijk wij dat zien inde Twijffelaars (Scepticis) die door dien zij loochenen dat de mensch eenige waarheid kan hebben, haar zelfs daar van door deze ontkenning beroven. De Verwaantheid is't die ons doet dingen ter hand neemen, die regelregt tegen ons verderf strekken gelijk men ziet in alle die die gewaant hebben en wanen, me<n>[t] God wonder wel te staan, en door de selve vuur en water braveren en so vast ellendig ter dood geraaken, geen gevaar ontziende alles getroost zijnde. 2/8,10 |f.96 De Achting belangende en Verachting. Van deze is niet meer te zeggen als ons wel indachtig te maaken het geene wij hier te vooren van de Liefde gezeid hebben.