Cap. 11

Lookup: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

2/11,1 De bespotting en Boerterije steunen op een valsche waan en geven in de bespotter en Boerter te kennen een onvolmaaktheid. Op een valsche waan is't dat zij steunen, omdat men meind dat den geenen die bespot word, de eerste oorzaak is van sijne werken en datze niet noodzaakelijk (gelijk de andere dingen in de Natuur) van God afhangen. In de Bespotter geven zij een onvolmaaktheid te kennen. Want of het geene zij bespotten is zodanig, dat het bespotte|f.103lijk is, of het is niet zoodanig. Indien niet zodanig <zo betonen zij> zo betonen zij een kwaden aard, bespottende het geene niet te bespotten is. Indien Ja zodanig, zo betonen zij daarmede in die geene die zij bespotten eenige onvolmaaktheid te kennen, de welke zij niet met bespottinge, maar veel eer met goede redenen gehouden zijn te verbeteren.

2/11,2 Het <Laghen> Lachgen heeft geen opzicht op een ander, maar alleen op die mensch, die eenig goet in zig zelfs bemerkt; en omdat het is een seeker slach van de Blijdschap, zo valt ook niet anders van de zelve te zeggen als van de Blijdschap nu al gezeijd is. Ik spreek van sulk lachgen, veroorzaakt door zeekere Idea die hem daar toe anport en geenzins van sulk lachgen, veroorzaakt door beweeginge der geesten. Van het selve (dewijl het nog op goet, nog op kwaad <zijn> eenige opzicht heeft) hier te spreeken waar buijten ons oogmerk.

2/11,3 Van de Nijd, Gramschap, Euvelneeming en zal hier niet anders te zeggen zijn als ons eens te erinneren 't geene wij al voorens van de haat gezeijt hebben.