16. CAP. XV

Lookup: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

2/15,1 Nu dan laat ons eens zien van het Waare en Valsche, het welk ons de vierde en laatste uijtwerkinge van dit waare gelov aanwijst. Om dit dan te doen, zo zullen wij eerst de beschrijvinge van Waarheid en Valsheid stellen: Waarheid dan is een bevest<in>[igin]ge (of ontkenninge) die men doet van eenige zaak, overeenkomende met de zelve zaak; en Valsheid een Bevesti<nge>ging (of ontkenninge) van de zaake, die niet met de zaake zelve overeenkomt. 2/15,2 50Doch dit zo zijnde, zal het schijnen datter geen onderscheid is tusschen de valsche en ware Idea, ofte dewijle dit of dat te <denken> ontkennen ware wijze van denken zijn en geen ander onderscheid hebben als dat de eene met de zaak overeenkomt en de ander niet, datze dan ook niet dadelijk, 51maar alleen door reeden verschillen en als dit dan dus zoude zijn, kondemen met recht |f.111 vraagen, 52wat voordeel doch d'eene met zijn waarheid en <de andere met> wat schade doch d'ander <met> door zijn valsheid heeft? En 53hoe de eene weten zal, dat zijn bevatting of Idea meer met de zaak overeenkomt als de ander. Eeijndelijk van waar het komt dat de eene doold en de ander niet? 2/15,3 Waar op vooreerst tot antwoord diend, dat de alder klaarste dingen en zig zelfs en ook de valsheijd te kennen geven in zulker voegen, dat het een groote dwaasheid zoude zijn te vraagen hoe men van haar bewust zoude wezen: Want dewijle zij gezeid worden de alderklaarste te zijn, zo en kanner immers geen andere klaarheid wezen door de welke zij zouden konnen verklaart werden, zodat dan volgt, dat de waarheid en zig zelfs en ook de valsheid openbaard. Want de waarheid word door de waarheid, dat is door zig zelfs klaar, gelijk ook de valsheid door de zelve klaar is: maar nooijt woord de valsheid door zig zelfs geopenbaard of aangewezen. Zoo dan iemand die de waarheid |f.112 heeft en kan niet twijffelen dat hij ze heeft. Dog iemand die in valsheid of in doling steekt, die kan wel waanen dat hij in waarheid staat; gelijk als iemant die droomt, wel denken kan dat hij waakt, maar nooijt kan iemand die nu waakt, denken dat hij droomt. Met dit gezeid dan word ook eenigzins verklaard het geene wij gezeid hebben, van dat God de waarheid of dat de waarheid God zelve is.

2/15,4 Nu de oorzaak, waarom de eene van sijne waarheid meer bewust is als de ander, is omdat de Idea van bevestiging (of ontkenning) met de natuur van de zaak geheel overeenkomt en dienvolgende meer wezentheid heeft. 2/15,5 Om dit beter te begrijpen diend aangemerkt dat het Verstaan (schoon het woord anders luijd) is een suijvere of pure Lijding; dat is dat onse ziel in dier voegen veranderd word, datze andere wijze van denken krijgt, die zij te vooren niet en hadde: Als nu iemand door dien het geheele voorwerp in hem gevrogt heeft, diergelijke gestalte of wijzen van denken krijgt, zoo is het klaar, dat |f.113 die een geheel ander gevoel van de gestalte of hoedanigheid van het voorwerp bekomt als een ander die zo veel oorzaaken niet gehad heeft en zo tot zulks of te bevestigen of te ontkennen door een ander lichter werking (als door wijnige of minder toevoeginge in't zelve gewaar wordende) bewogen <heeft> wordt. 2/15,6 Hier uijt ziet men dan de volmaaktheid van een die in Waarheid staat, gesteld tegen een die in de zelve niet en staat. Dewijl dan de eene lichtelijk, de ander niet lichtelijk verandert, zo volgt daaruijt dan dat de eene meer bestandigheid en wezentheid heeft als de ander: En zo ook om dat die wijzen van denken, welke met de zaak overeenkomen, meer oorzaaken gehad hebben, zo hebben zij ook in haar meer bestandigheid en wezentheid: En dewijl zij geheel met de zaak overeenkomen, zo is't onmogelijk dat zij in eenige tijd van de zaak anders konnen aangedaan worden of eenige veranderinge lijden, dewijl wij nu al voorens gezien hebben, dat de wezentheid van een zaak onveranderlijk is. Al het welke in de valsheid geen plaats heeft. En met dit gezeide zal al het vorige gevraagde genoegzaam beantwoord zijn.