Lookup: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
2/16,1 |f.114 Wetende dan nu wat Goet en Kwaad, waarheid en valsheid is en ook waarin de welstand van een volmaakt mensch bestaat, zal 't nu tijd zijn om tot onderzoek onzes zelfs te komen 54en eens bezien of wij tot zo een welstand vrijwillig of genoodzaakt komen?
Hier toe is van nooden eens te onderzoeken wat bij die gene die de Wille stellen, de Wille is en waar in die van de Begeerte onderscheiden word. 2/16,2 De Begeerte hebben wij gezeid die nijginge te zijn die de Ziele heeft tot iets 't geen zij als goet keurt; zo dat dan daaruijt volgt, dat eer onse begeerte zich uijterlijk tot iets uijtstrekt, in ons alvoorens een besluijt is gegaan van dat zulk iet goet is, welke bevestiging dan of algemeen genomen de magt van bevestigen en ontkennen, de *[34]Wille genoemt word. 2/16,3 |f.115 Zoo komt het nu dan daarop aan, of deze Bevestiging van ons vrijwillig of genoodzaakt geschied, dat is, of wij iets van een zaak bevestigen of ontkennen zonder dat eenige55 uijtwendige oorzaak ons tot zulks dwingt. Doch bij ons is al bewezen, dat een zaak niet door zig zelfs wordende verklaart of welkers Wezentlijkheid niet aan sijn Wezentheid is behorende, noodwendig een uijtterlijke oorzaak moet hebben: en dat een oorzaak die iets zal voortbrengen, zulks noodzaakelijk moet voortbrengen: Zo dan ook moet volgen dat dit of dat bezonderlijk te willen, dit of dat van een zaak bezonderlijk te bevestigen of te ontkennen, dat zulks zeg ik, dan ook door eenige uijtwendige oorzaak moet voortkomen: gelijk ook de beschrijving die wij van de oorzaak gegeven hebben is, dat ze niet vrij kan zijn.
2/16,4 Dit zal mogelijk eenige niet voldoen, die gewent zijn haar verstand meer bezig te houden op de Entia rationis als op de Bijzondere dingen die waarlijk in de Natuur zijn: En zodoende aanmerken zij het Ens Rationis niet als zodanig maar als een ens reale. Want omdat de mensch nu deze dan die Will heeft, zo maakt hij in sijn ziele een algemene wijze, die hij wille noemt, gelijk hij ook zo uijt deze man <die man> en die man een Idea maakt van Mensch: en |f.116 om dat hij de dadelijke wezens niet genoeg van de wezens van reden en onderscheid, zo gebeurt het dat hij de wezens van Reden aanmerkt als dingen die waarlijk in de Natuur zijn en zo zig zelfs als een oorzaak stelt van eenige dingen, gelijk in de verhandeling van de zaak waaraf wij spreeken niet weinig en gebeurt. Want als men iemand vraagt, |f.117 waarom de mensch dit of dat wil; men antwoordt, om dat zij een wil hebben. Doch aangezien de Wil gelijk wij gezeid hebben, maar een Idea is van dit of dat te willen en daarom maar een wijze van denken: een ens rationis en geen ens reale, zo en kan dan van haar niets veroorzaakt worden. Nam ex nihilo nihil fit. En zo meen ik ook als wij getoond hebben, dat de wille geen zaak is in de Natuur, maar alleen een verzieringe, men niet en behoeft te vraagen of de wil vrij of niet vrij is. 2/16,5 Ik en spreeke dit niet van de algemene wille, die wij getoond hebben een wijze van denken te zijn; maar van bezonder dit of dat te willen, welk willen eenige in het bevestigen of ontkennen gesteld hebben. |f.118 Aan een ijder dan, die maar let op 't geene van ons al gezeid is, zal dit klaar blijkelijk zijn. Want wij hebben gezeid, dat het verstaan een pure Lijdinge is, dat is een gewaarwordinge in de ziel van de wezentheid en wezentlijkheid der zaaken; alzo dat wij het nooijt en zijn, die van de zaak iet bevestigen of ontkennen, maar de zaak selfs is het, die iets van zigh in ons bevestigt of ontkent. 2/16,6 Dit en zullen eenige mogelijk niet toestaan, om dat 56haar toescheijnt wel iets anders van de zaak te konnen bevestigen of ontkennen als haar van de zaake bewust is. Doch dit komt maar, omdat zij geen begrip hebben van het concept 't welk de ziele heeft van de zaak zonder of buijten de woorden. Wel is waar (als'r reeden zijn, die ons daartoe bewegen) dat wij aan andere door woorden of andere werktuigen van de zaak anders te kennen |f.119 geven als er ons van bewust is; maar echter en zullen wij nooijt, noch door woorden, noch door eenige andere werktuijgen zo veel te weeg brengen, dat wij van de zaaken anders zouden gevoelen als wij er af gevoelen. Dats onmogelijk en klaar aan alle die welke ten eenen maale buijten gebruijk van woorden of andere beduijdtekenen alleen op haar verstand acht neemen. 2/16,7 57Doch hier tegen zouden misschien eenige konnen zeggen: Indien niet wij maar alleen de zaake het is, die van zig in ons bevestigt en ontkent, zo en kan'er dan noch bevestigt nog ontkend worden als 't geene met de zaak overeenkomt. En dienvolgende isser geen valschheid. Want de valsheid hebben wij gezeid te zijn iets van een zaake te bevestigen (of te ontkennen), dat met de zaak niet overeenkomt, dat is dat de zaake niet van zig zelfs dat bevestig of ontkend. Doch ik meene, als wij maar wel acht hebben op 't geene wij nu al van de Waarheid en Valsheid gezeit hebben, wij dan met een deze tegenwerpinge genoegzaam beantwoord zullen zien: Want wij hebben gezeid, dat het voorwerp de oorzaak is van 't geene waar af iets bevestigt of ontkent word, het zij dan waar of vals: te weten, omdat wij iets van 't voorwerp komende gewaar te worden, wij ons inbeelden dat het voorwerp (schoon wij zeer weinig van het selve gewaar worden) zulks nochtans van zig zelfs in't geheel bevestigt of ontkent. Hebbende dit meest plaats in zwakke ziele, die door [f120 een ligte werkinge van het voorwerp in haar een wijze of Idea ontfangen zeer lichtelijk en buijten dit en is in haar geen bevestigen of ontkennen meer.
2/16,8 58Eijndelijk zoudemen ons ook nog konnen tegenwerpen datter veel dingen zijn, die wij willen en niet willen, als daar is iets van een zaak te bevestigen of niet te bevestigen, de waarheid te spreeken en niet te spreeken en zo voort. Doch dit komt voort om dat de begeerte niet genoeg van de Wille en word onderscheiden. Want de Wil bij die, die de Wille stellen, is alleen dat werk van het verstand daardoor wij van een zaak iets bevestigen of ontkennen zonder opzicht van goet of kwaad. Doch de Begeerte is een gestalte in de ziele om iets te verkrijgen of te doen ten opzigt van goet of kwaad, dat daar in beschout word; Also dat de Begeerte ook na de bevesting of ontkenning die wij van de zaake gedaan hebbe, nog blijft, te weeten na dat wij ondervonden of bevestigt hebben een dink goet te wezen, 't welk volgens haar zeggen de wil is en de Begeerte die neijginge die men eerst <om> daarna om dat te bevorderen bekomt, also dat ook na haar eigen zeggen, de Wille wel zonder de Begeerte, maar de Begeerte niet zonder de Wille die al voorgegaan moet zijn, wezen kan.
2/16,9 Alle de werkinge dan, waar af wij hier boven gezeit hebben (aangezien zij gedaan worden door reden onder schijn van goet of belet worden door reeden onder schijn van kwaad) konnen alleenlijk |f.121 onder die neiginge die men Begeerte noemt en geenzins als heel oneijgentlijk onder de benaming van Wille begreepen worden.
[34] |f.114 De Wille dan genomen voor de Bevestiging of het Besluijt, die verschilt hier in van het Waare Geloove datze zig uijtstrekt ook tot het geen niet waarlijk goet is en dat daarom: Omdat het overtuijg niet zodanig is, dat het klaar gezien wort niet anders te konnen zijn; gelijk dit alles in het ware geloof zodanig is en moet zijn, de wijle uijt het zelve niet als de goede begeerte voortkomen.
Maar van de Waan verschilt zij ook hier in dat zij wel t'eeniger tijd zoude konnen onfeijlbaar en zeeker zijn; dat in de Waan die van gisse en meijne bestaat, geen plaats heeft.
Alzoo dat men die een gelove zoude konnen noemen in aanzien zij zoo zeker zoude gaan en waan in aanzien zij de dooling onderwurpen is. |f.115 'T is zeeker dat het Bijzonder willen moet hebben een uijterlijke oorzaak door de welke datze zij. Want aangezien tot het wezen des zelfs de wezentlijkheid niet en behoord, zoo moet ze noodzakelijk zijn door de wezentlijkheid van iets anders.
|f.116 Nota. Te zeggen: de Idea van de uijtwerkende oorzaak des zelfs en is geen Idea, maar de Wille zelve in de mensch en het Verstand is een oorzaak zonder welke de Wil niet en kan; Ergo de Will onbepaalt genomen en ook het Verstand geen wezens van Reden maar dadelijke wezens. Dog mij aangaande wanneer ik die aandagtig wil bevatten, zo schijnen zij algemeene en ik kan haar niet dadelijks toe eigenen: Dog 't zij zo, nogtans moet men toe staan dat de Willing een modificatie is van de Wil en de Ideen een wijzing van't Verstand; ergo zo zijn dan nootzakelijk het Verstand en de Wil verscheidene en dadelijke onderscheidene zelfstandigheden. Want de zelfstandigheid word gemodificeert en niet de wijze zelve. Zoo de ziel gezeid word deze twee zelfstandigheden te bestuuren, zo isser dan een derde zelfstandigheid: Al te maal dingen zo verward dat het onmogelijk is een klaar en onderscheiden begrip daar af te hebben. Want dewijl de Idea niet en is in de Wille, maar in 't Verstandt en volgens dezen zet regul dat de wijze van de eene zelfstandigheid niet en kan overgaan in de ander zelfstandigheid, zoo en kan hieraf in de wil geen liefde ontstaan: Want het wikkeld zich in tegenstrijdigheid dat men iets zoude willen welker zaaks idea niet is in de willende mogentheid. Segt gij dat de wil van wegen de vereeniginge die zij heeft met het verstand, ook gewaar word 't zelve 't geen het verstand verstaat en daarom dan ook bemindt: Maar dewijl gewaarworden ook is een begrip en een verwarde Idea, zoo is't dan ook een wijze van verstaan; dogh |f.117 volgens het voorige en kan dit in de wil niet zijn, schoon er al zodanige vereeniging van ziel en lichaam was. Want neemt dat het lichaam met de ziel vereenigt was na de gemeene stelling der Philosophen, nochtans zo en gevoelt het lichaam nooijt, nog de ziel wordt niet uijtgebreijd. Want dan soude een Chimera waar in wij twee zelfstandigheden begrijpen, een konnen worden, dat is valsch. Als men zegt dat de Ziel en 't Verstand en de Wil bestuurd, dat is niet te begrijpen, want zo doende scheijnt men te ontkennen dat de wil vrij is, dat tegen hun is. Om dan hier te eijndigen, zo en lust mij niet alles bij te brengen, dat ik heb tegen de [stelling van] een geschapen eijndige selfstandigheid. Maar alleen zal ik toonen kortelijk, dat de Vrijheid van de Wil geensins past op zo een geduurige scheppinge: namentlijk, dat in God vereijscht word [e]en zelve werk om in 't wezen te behouden als om te scheppen en dat anders zins de zaake niet een ogenblick soude konnen bestaan: Als dit zo is, zo en kan haar genes dings toegeeijgent worden. Maar men moet zeggen, dat God |f.118 die geschapen heeft gelijkse is: Want aangezien ze geen kragt heeft om zig te behouden terwijl ze is, veel min dan zal zij door zig zelfs iets konnen voortbrengen. Als men dan zoude zeggen, dat de ziel de willing van zig zelfs voorbrengt, zo vraage ik, uijt wat kracht? Niet uijt die welke geweest is, want die is niet meer; ook niet uijt die welke zij nu heeft, want zij heeft er heel geen door welke zij de minste ogenblik zoude konnen bestaan of duuren dewijl ze geduurig geschapen word: Soo dan dewijl 'er geen zaake is, die eenige kracht heeft om zig te behouden of om iets voort te brengen, zo rest niet anders als te besluijten, dat God dan alleen is en moet zijn de uijwerkende oorzaak aller dingen en datt alle Willingen van hem bepaald worden.