Cap. XVII

Lookup: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

2/17,1 Dewijl het dan nu kennelijk is, dat wij tot bevestigen of ontkennen geene wille en hebben, laat ons dan nu eens zien het rechte en ware onderscheid tusschen de Wille en Begeerte of wat eigentlijk die Wille mag zijn, die bij de <Latij> Latinen genoemt wordt voluntas.

2/17,2 Na Aristotelis Beschrijving scheijnt Begeerte een geslacht te zijn, onder zig twee gedaanten bevattende. Wa[n]t hij zeit de Wille te zijn die lust of trek, die men heeft onder schijn van goet, waar uijt het mij toe schijnt, dat hij de Begeerte (of cupiditas) alle de neiginge, hetzij tot goet, hetzij tot kwaad, meent te zijn: Doch als de neiginge alleen tot het goede is of dat de mensch die zulke neiginge heeft, de zelve onder schijn van goet heeft, zo noemt hij die voluntas of goede wille; maar zoo zij kwaad is, dat is, als wij in een ander een neiginge zien tot iets dat kwaad is, dat noemt hij voluptas of kwade wille. Zo dat de neiginge van de ziel <niet...> niet iets is om te bevestigen oft'ontkennen, maar alleen een neiginge om iets te bekomen onder scheijn van goet en te vlieden onder scheijn van kwaad.

2/17,3 |f.122 Zoo is dan nu overig te 59onderzoeken of deze Begeerte vrij of niet vrij is. Behalven dan dat wij alreeds gezeid hebben, dat de Begeerte van het begrip der zaaken afhangt en dat het verstaan een uijtterlijke oorzaak moet hebben en behalven ook 't geene wij van de wille gezeid hebben, zo <volgt> is dan nog overig te betoonen dat de <Wille> Begeerte niet vrij is. 2/17,4 Veele menschen schoon zij wel zien, dat de kennisse die de mensch van verscheide zaaken heeft, een middel is waar door sijn lust of trek van het eene tot het ander overgaat, zoo en aanmerken zij nogtans niet, wat het mag zijn, dat de lust zoo van het eene tot het ander komt te trekken.

Maar wij dan om te betonen dat deze neiginge bij ons niet vrijwillig is, zoo zullen wij (om ons eens leevendig voor oogen te stellen wat het zij van het eene tot het ander over te gaan, en getrokke te worden) ons verbeelden een kind dat voor de eerste maal tot het gewaar worden van zeeker ding komt. e.g. Ik houde het een Belletie voor het welke in sijn ooren een aangenaam geluijd maakende, daar door lust tot hetzelve krijgt: Ziet nu eens of het wel soude konnen laaten deze lust off begeerte te krijgen? Zo gij jaa zegt: Hoe, vraag ik, door wat oorzaak? Immers niet door iets dat het beter kend, want dit is het all dat het kend: Niet ook om dat het kwaad bij hem is, want hij kend niets anders. En die aangenaamheid is het alderbeste, dat hem ooijt is voorgekomen. Doch het zal misschien een vrijheid hebben om die lust die het heeft, van hem te doen, waar uijt dan volgen zoude |f.123 dat deze lust in ons zonder onse vrijheid wel zoude konnen beginnen, maar dat wij eevenwel in ons een vrijheid zouden hebben om die van ons te doen. <Wij> Doch deze vrijheid kan geen proef houden. Want wat zoude het doch zijn, dat de lust zoude komen te vernietigen? De lust zelve? Neen zeeker. Want niets en isser dat door sijn eigen natuur sijn zelfs verderf zoekt. Wat mag het dan eijndelijk zijn, dat hem van de lust zoude konnen afbrengen? Niet anders voor waar als dat hij door de schik en loop van de Natuur aangedaan word van iets dat hem aangenaamer is als het eerste. 2/17,5 En daarom gelijkwij in de verhandeling van de Wille gezeid hebben dat de wille in de menschen niet anders is als deze en die wil, alzoo is ook in hem niet anders als deze en die Begeerte die van dit en dat begrip veroorzaakt word, zijnde deze Begeerte niet iets dat dadelijk in de Natuur is, maar zij is alleen van dit of dat bezonder te begeren, afgenomen. De Begeerte dan niet waarlijk iets zijnde kan ook niet dadelijk veroorzaaken. Zodat als wij zeggen dat de Begeerte vrij is, zo is't eeven zo veel of wij zeijden, dat deze of geene Begeerte een oorzaak is van zich zelfs dat is dat eer dat zij was, heeft zij gemaakt dat ze zoude zijn: 't welk de *ongerijmtheid zelve is en niet zijn kan.

KB75G15
KB75G15
KB75G15
KB75G15