Lookup: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
2/18,1 |f.124 Zoo zien wij dan nu, dat de mensch als zijnde een deel van geheel de Natuur van welke hij afhangt, van welke hij ook geregeert word, uijt sijn zelve niet iets kan doen tot zijn heil en welstand. Zo laat ons dan eens zien wat nuttigheeden uijt deze onse stellinge voor ons ten besten zijn. En dat te meer daarom omdat wij niet en twijffelen, of zij zullen eenige niet wijnig aanstotelijk schijnen. 2/18,2 Vooreerst volgt daar uijt, dat wij 60waarlijk dienaars, ja slaven Gods zijn en dat het onse grootste volmaaktheid is zulks noodzakelijk te zijn. Want dog: op ons zelven aangemerkt zijnde en zoo niet van God afhangig, zeer wijnig is't of niet dat wij souden konnen verrigten en met recht daar uijt oorzaak neemen om ons zelfs te bedroeven. Voor al in tegenstellinge van't geene wij nu zien: Dat wij namelijk van dat geene 't welk het aldervolmaakste is, zoodanig afhangen dat wij mede als een deel van't geheel, dat is: van Hem, zijn; en om zo te zeggen, meede het onse toe brengen tot uijtwerkingen van soo veel geschiktelijk geordineerde en volmaakte werken als daarvan afhangig zijn.
2/18,3 Ten anderen zoo maakt ook deze kennisse, dat 61wij na het verrigten van een voortreffelijke zaake ons daar over niet en verhovaardigen (welke verhovaardiginge een oorzaak is, dat wij meenende nu <af> al wat groots te zijn en als of wij niets verder behoefden, staan blijven; strijdende regel regt tegen onse volmaaktheid, die daarin bestaat dat wij altijd verder en verder |f.125 moeten trachten te geraaken) maar dat wij daarentegen alles wat wij doen Gode toe eigenen, die daar is de eerste en alleene oorzaak van alles wat wij verrigten en komen uijt te werken.
2/18,4 Ten 62derden <dat wij onse> behalven de ware liefde des naasten die deze kennisse in ons te weeg brengt, maakt zij ons zo gesteld dat wij hun nooijt nog haaten noch daarop vertorent zijn, maar geneegen worden haar te helpen en tot beter standt te brengen. Al het welke werkingen zijn van soodanige menschen, die een groote volmaaktheid of wezentheid hebben.
2/18,5 Ten 63vierden diend ook deze kennisse tot bevordering van't gemeen Best. Want door haar zal een rechter nooijt meer partije van de eene als van de ander konnen werden en genoodzaakt zijnde om te straffen den eenen om te belonen den anderen, zal hij dat doen met inzigt om zo wel den eenen te helpen en te verbeteren als den anderen.
2/18,6 Ten 64vijfden: zo bevrijd ons deze kennisse van de droefheid, van de wanhoop, van de nijdigheid, van de schrik en andere kwade passien, de welke gelijk wij hier na zeggen zullen, de wezentlijke helle zelve zijn.
2/18,7 Ten 65zesden: eijndelijk zo brengt ons deze kennisse daartoe dat wij voor God niet en zullen vrezen gelijk andere voor de duijvel die zij verzierd hebben ten eijnde hij haar geen kwaad zoude doen. Want hoe dog zouden wij God konnen vrezen die het opperste goet zelve is van de welke |f.126 alle dingen die eenige wezentheid hebben, zijn het geene zij zijn? En ook wij die in hem leven. 2/18,8 Ook 66brengt ons deze kennisse daar toe dat wij alles aan God toe eigenen, hem alleen beminnen, omdat hij de heerlijkste en alder volmaaktste is en ons zelven alsoo hem geheel opofferen: Want hierin bestaat eigentlijk en de waare godsdienst en ons eeuwig heil en gelukzaligheid. Want de eenigste volmaaktheid en het laatste einde van een slaaf en van een werktuig is ditt, dat ze haar opgeleiden dienst behoorlijk volvoeren. E.g. als een Timmerman in het maaken van eenig stuk werks zigh van sijnen Bijl op het beste gediend vind, zoo is dien Bijl daar door gekoomen tot sijn eind en volmaaktheid: Dogh indien hij zoude willen denken, dezen Bijl heeft mij nu zoo wel gediend, daarom wil ik hem rusten laaten en geen dienst meer van hem neemen, even als dan zoude dien Bijl afgeraaken van haar eijnde en geen Bijl meer zijn. 2/18,9 Alzoo ook de mensch zoo lange hij een deel van de Natuur is, zoo moet hij de wetten van de Natuur volgen, het welk de godsdienst is. En zo lange hij zulks doet, is hij in zijn welstand. Doch indien God (om zo te spreeken) zoude willen, dat den mensch hem niet meer en soude dienen, 't waar even zo veel als hem van sijn welstand beroven en te vernietigen, dewijle alles 't geene hij is daarin bestaat, dat hij God diene.