Cap. XIX

Lookup: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

2/19,1 |f.127 De nuttigheeden van dit ware gelove gezien hebbende, zoo zullen wij nu vervolgens onse gedane beloften trachten te voldoen: Namentlijk te onderzoeken, of wij door de 67kennisse, die wij nu al reeds hebben (als van wat goet is, wat kwaad is, wat waarheid is en wat valsheid is en wat in't gemeen de nuttigheeden van alle deze zijn), of wij zeg ik, daar door tot onse welstand, namentlijk de Liefde Gods (die wij hebben aangemerkt onse hoogste gelukzaligheid te zijn) konnen geraaken? En ook, op wat wijze wij van die passien die wij kwaad hebben geoordeeld, vrij konnen worden?

2/19,2 *[35]Om <dat> dan van het laatste, namentlijk van het vrij worden der passien eerst te spreeken, zo zeg ik indien wij onderstellen datze geen andere oorzaken en hebben als wij daar van hebben gesteld, dat als wij ons verstand maar wel gebruijken, gelijk wij (hebbende nu een maate van waarheid en valsheid) seer ligtelijk konnen doen, wij nooijt inde zelve zullen komen te vervallen.

2/19,3 |f.128 Doch 68dat ze geen andere oorzaaken hebben is 't geene ons nu te betoonen staat: Tot het welke mij dunkt vereischt te worden, dat wij ons geheel zo ten aanzien van 't lichaam als ten aanzien van den geest onderzoeken.

En 69voor 1. te wijzen dat in de Natuur een lichaam is, door welkers gestalte en uijtwerkinge wij aangedaan en alzoo 't zelve gewaar worden. En dit doen wij daarom: Omdat als wij de uijtwerkingen van het lichaam en wat die komen te veroorzaaken komen te zien, wij dan ook de eerste en voornaamste oorzaak van alle deze tochten zullen vinden: en met een ook dat geene, door't welke alle deze tochten zullen konnen vernietigt worden. Waar uijt wij dan mede konnen zien of zulks door de Reeden mogelijk is te konnen doen. En dan zullen wij mede vervolgen te spreeken van onse Lievde tot God.

2/19,4 Om dan nu te toonen datter een lichaam is inde Natuur, dat kan ons niet zwaar om te doen zijn, nu wij al weeten dat God en wat God is: De welke wij hebben beschreven te zijn een wezen van oneindelijke eigenschappen, waarvan ieder des zelvs oneindelijk en volmaakt is. En aangezien de uitgebreidheid een eigenschap is die wij oneijndelijk in haar geslagt betoond hebben te zijn, zoo moet dan noodzakelijk dit meede een eigenschap zijn van dat oneijndig wezen. En dewijl wij nu mede al bewezen hebben, dat dit oneijndig wezen is wezentlijk, zo volgt dan met eenen dat deze eigenschap ook wezentlijk is. 2/19,5 |f.129 Daar en boven: aangezien wij ook getoond hebben datter buijten de Natuur die oneijndig is, geen wezen meer is off zijn kan, zoo is dan klaar blijkelijk dat deze uijtwerking van het lichaam, <waardoor wij> door het welke wij gewaar worden, van niets anders kan komen als van de uijtgebreidheld zelve. En geenzins van iets anders dat eminenter (als eenige willen) die uijtgebreidheid heeft: Want ditt (gelijk wij nu al vooren in het eerste Cap. bewezen hebben) en is niet.

2/19,6 Soo staat dan nu aan te merken, dat al de uijtwerkingen, die wij zien van de uijtgebreijdheid <als van noodzaakelijke> noodzaakelijk af te hangen, aan deze eigenschap moeten toegeijgent worden: gelijk de Beweginge en Ruste. Want bij aldien deze kragt en uijtwerkinge niet in de Natuur en was, het soude onmogelijk zijn (schoon ook in de zelve veel andere eigenschappen mogten zijn), dat de zelve zouden konnen wezen. Want als iet weder iets zal voortbrengen, zoo moet dan in die iet wat wezen door het welke Hij meer als een ander dat iets kan voortbrengen. Hetzelve dan dat wij hier nu zeggen van de uijtgebreidheld dat willen wij ook gezeid hebben van de denking en van alles watter is.

KB75G15
KB75G15
KB75G15
KB75G15

2/19,7 Staat verder aan te merken, datter in ons niets niet en is of de mogelijkheid is bij ons om hetzelve bewust te zijn: Alsoo dat als wij ondervinden niets anders te zijn <als de> in ons als de uijt[130werkingen van de denkende zaak en die van de uijtgebreidheid, wij dan ook met verzekeringe mogen zeggen, niet meer in ons te zijn.

Om dan eens klaar de Werkingen van deze beijde te verstaan, zoo zullen wij een ijder deszelfs, eerst op zig zelfs alleen en daar naa <bij> beijde te zaamen, voorneemen; als mede de uijtwerkinge zoo van de eene als van de ander.

2/19,8 Zoo 70wanneer wij dan aanschouwen de uitgebreidheid alleen, zoo is't dat wij in de zelve niet anders gewaar worden als Beweeging en ruste, uijt de welke wij dan alle de uijtwerkingen die daar af herkomen, vinden. En 71zoodanig zijn deze twe Wijzen in het lichaam, dat geen ander zaak en kan zijn die haar veranderen kan als alleen zij zelve, gelijk e.g. zoo wanneer een steen stille leijd, zoo is't onmogelijk dat die door de kracht van denken of iets anders zal konnen bewoogen worden, maar wel door de beweginge, als wanneer een ander steen grooter beweeginge hebbende als sijne ruste, hem doet beweegen. Gelijk ook alzo de bewegende steen niet en zal komen te rusten, als door iets anders dat minder beweegt. Alzoo dat dan volgt dat geen wijze van denken in het lichaam of beweginge of ruste zal konnen brengen. 2/19,9 Doch 72eeven wel volgens 't geene wij in ons gewaar worden, zoo kan het wel geschieden, dat een lichaam het welk, |f.131 nu sijn beweginge hebbende na de eene zijde, nogtans na de andere zijde komt te wijken, gelijk als ik mijn arm uijt strekke, daar door te wege breng, dat de geesten die alreeds haare beweeginge niet en hadden zoodanig, nu nochtans dezelve derwaarts hebben; niet altijd nochtans, maar na de gestalte der geesten zo hier na gezeid word.

De oorzaak hiervan is en kan geen andere zijn als om dat de ziel zijnde een Idea van dit lichaam, met het zelve zoodaanig vereenigt is dat en zij en dit lichaam zoo gestelt te zaamen een geheel maaken.

2/19,10 De 75voornaamste uijtwerkinge van de andere eigenschap is een Begrip van zaaken zoodanig dat na dat zij die komt te bevatten, daar uijt hervoortkomt of Lievde of Haat &c. Deze uijtwerkinge dan aangezien zij geene uijtgebreidheid met zig brengt, zo en kanze ook aan de zelve niet toegepast worden zonder alleen aan de denkinge. Zodat alle de veranderinge die in deze wijze komen te ontstaan, <van> de oorzaak van de zelve en moet geenzins in de uijtgebreidheid, maar alleen in de denkende zaake gezogt worden. Gelijk wij dit in de Liefde zo konnen zien, de welke of zullende vernietigt of zullende opgewekt worden, zo moet zulks veroorzaakt worden door het begrip zelve het welk gelijk wij nu al hebben gezeid, geschied of om|f.132dat het begrijpt in het voorwerp iets kwaads te zijn of omdat het iets beters komt te kennen. 2/19,11 Zo wanneer nu dan deze eigenschappen de eene in de andere komt te werken, zo ontstaat daar uijt Lijdinge de eene van de ander, namelijk door de bepalinge van beweeginge die wij alsoo werwaart wij willen, vermogen hebben te doen gaan. De werkingen dan waardoor de eene van de ander komt te lijden, die is aldus: te weete de ziele en het lichaam gelijk nu al gezeid is, konnen wel maaken dat de geesten die anderzins na de eene, nu nochtans na de ander zijde haar bewegen: En omdat ook deze geesten door oorzaak van het lichaam beweegt en alsoo bepaald konnen worden, zoo kan het dikwijls gebeuren dat zij door oorzaak van het lichaam haare beweeginge na de eene plaats hebbende en weederom door de oorzaak van de ziele na een ander plaats, alzo in ons te weeg brengen en veroorzaken die zoodanige benaauwtheden, als wij te mets in ons gewaar worden wanneer wij de reeden daar af als wij die hebben, niet en weten. Want anderzins gewoonlijk zijn ons de redenen wel bekend.

2/19,12 74Voorder zoo kan ook de ziele wel belet worden in de macht die zij heeft om de geesten te beweegen of omdat de beweginge vande geesten veel zijn ver|f.133minderd of omdat ze veel zijn vermeerderd. Verminderd zoo wanneer wij veel hebbende geloopen, veroorzaken dat de geesten door't zelve Loopen aan het lichaam zoo veel meer als gewoone beweginge gevende en de zelve missende, noodzaakelijk zo veel verzwakt zijn: Zoo kan dit ook geschieden door het nuttigen van al te weinig voedzel. Vermeerderd; zoo wanneer wij te veel wijn of andere sterken drank drinkende, daar door of vroolijk of dronken wordende, maaken dat de ziel geen magt heeft het lichaam <het lighaam> te bestieren.

KB75G15
KB75G15
KB75G15
KB75G15

2/19,13 Zoo veel dan nu gezeid vande werkinge die de ziele heeft in het lichaam: Laat ons nu eens zien van de werkinge die het lichaam heeft in de ziele. 76De voornaamste van deze stellen wij te zijn datze haar zelfs aan de ziel doet gewaar woorden en daar door ook aan andere lichaamen. Het welk door niets anders word veroorsaakt als door Beweginge en Ruste te zaame: Want in het lichaam en zijn geen andere dingen als deze door de welke het zoude konnen werken; zo dat alles dan wat buijten deze gewaarwordinge meer aan de ziele geschied, en kan niet door het lichaam veroorzaakt worden. 2/19,14 En omdat <de ziele> het eerste het welke de ziele komt te kennen |f.134 het lichaam is, daar uijt komt hervoort dat de ziele het zoo bemind en daar meede vereenigt word <etc.>. Doch aangezien wij nu al te vooren gezeid hebben dat de oorzaak van de Liefde, Haat en Droefheid niet en moet gezogt worden in het lichaam maar alleen in de ziele. Want alle werkingen van het lichaam moeten hervoortkomen uijt beweeginge en ruste. En dewijle wij klaar en onderscheiden zien dat de eene Liefde te niet gaat door 't begrip dat wij bekoomen van iets anders dat beter is: Zo volgt daaruijt klaarlijk, Indien wij eens God komen te kennen ten minsten met een zoo klaar een kennisse als daar wij ons lichaam mede kennen, dat wij als dan ook nauwer met hem als met ons lichaam moeten vereenigt worden en als van het lichaam ontslagen zijn. Ik zeg naauwer, want wij hebben nu al te vooren bewezen dat wij zonder hem noch bestaan, noch verstaan konnen worden; en dit is daarom om dat wij hem niet door iets anders gelijk het zoo met alle andere dingen is, maar alleen door hem zelfs kennen en moeten kennen, gelijk wij dat mede nu alvoorens gezeijd hebben. Jaa ook beter als ons zelfs kennen wij hem, dewijl wij zonder hem ons zelfs geenzins |f.135 en konnen kennen. 2/19,15 Uijt het geene wij dan tot hier toe gezeid hebben is lichtelijk af te neemen, welke daar zijn de voornaame oorzaaken der Passien. Want, wat aangaat het Lichaam met zijn uijtwerkingen, <namelijk> de Beweginge en Ruste, de zelve en konnen de ziel niet anders doen als hun zelfs als voorwerpen zijnde, daar aan bekend maaken; en na de vertooningen zijn die zij aan dezelve voorhouden, het zij of [36]goet of kwaad, daar na word ook de ziele van haar aangedaan en dat niet voor zoo veel het een lichaam is (want dan waar het lichaam de voornaamste oorzaak van de passien), ne maar voor soo veel het een voorwerp is gelijk alle |f.136 andere dingen de welke ook de zelve uijtwerkingen zouden doen, zoo ze zich zoodanig aan de ziel kwaamen te vertoonen. 2/19,16 (Doch hier meede en wil ik niet zeggen, dat de Lievde, Haat en Droevheid die uijt beschouwinge van onlighaamelijke dingen voortkomen, de zelve uijtwerkingen zouden doen als die welke uijt beschouwinge van lichaamelijke dingen ontstaan: Want deze zoo wij hier na noch zullen zeggen, zullen noch andere uijtwerkingen hebben gelijk de natuur van die zaak uijt des welks bevattinge de Lievde, Haat en Droefheid enz. in de ziele de onlighaamelijke dingen beschouwende, verwekt worden). 2/19,17 Zoo dat dan om weder tot ons voorige te keren, bij aldien iets anders zig heerlijker aan de ziel kwam te vertoonen als wel het lichaam, het zeeker is het lichaam als dan geen vermogen zoude konnen hebben zoodaanige uijt werkingen te veroorzaaken als het nu wel doet: Waar uijt dan volgt niet dat het <*>[37]lichaam alleen de voornaamste oorzaak is van de passien, maar ook alschoon in ons iets anders waar behalven het geene wij nu aangemerkt hebben dat de passien zoo wij meenen, |f.137 zouden konnen veroorzaaken, zoo en zoude zulks als 't al zoo waar, eevenwel niet meer noch anders in de ziel konnen werken als nu het lichaam wel doet. Want immers en zoude het niet anders konnen zijn als zulk een voorwerp, dat ten eene maal verscheide zoude zijn van de ziel en dienvolgende sich ook soodaanig vertoonen en niet anders, gelijk wij op zoodanig een wijze ook van het lichaam gesprooken hebben. 2/19,18 Alzoo dat wij met waarheid besluijten mogen, dat Lievde, Haat, Droevheid en andere passien in de ziele worden veroorzaakt anders en anders na de gedaante van kennisse die zij telkens van de zaake komt te hebben; En bij gevolg zoo zij ook het alder heerlijkste eens kan komen te kennen, het als dan onmogelijk zoude zijn dat eenige van deze Passien in haar de minste ontroeringe zouden konnen veroorzaaken.

KB75G15
KB75G15
KB75G15
KB75G15


[35] Seer ligtelijk konnen wij dat doen: Verstaat, als wij grondige kennisse hebben van goet en kwaad, waarheid en valsheid: want dan is 't onmogelijk dat onderworpen te zijn, uijt het welk de passien ontstaan: want het beste kennende en genietende, heeft het slegste op ons geen magt.

[36] Maar waar uijt komt ons dat, dat wij het eene goet, het ander kwaad te zijn kenne? Antw: aangezien het de voorwerpen zijn die ons haar zelven doen gewaar worden, zo woorden wij van de eene anders aangedaan [als van de andere] <als van de andere naar de proportie>. Die dan van de welke wij aldermaatigst (na de proportie der beweeginge en ruste waar af wij bestaan) bewogen worden, zijn ons alder aangenaamst en hoe zij daar verder en verder afwijken alder onaangenaamst. En hier uijt is alderleij slag van gevoel dat wij in ons gewaar worden en dat veel tijds door de lichaamelijke voorwerpen werkende is [in] ons lichaam, die wij impulsus noemen, als dat men in droefheid iemand kan doen lachen, doen verheugen door kittelen, wijn drinken enz. 't Welk de ziel wel gewaar word doch niet en werkt: want die werkende, zijn de verheugingen waarlijk en van een ander slag: Want dan werkt geen lichaam in lichaam, maar de verstandelijke ziel gebruijkt het lichaam als een werktuijg en gevolglijk, hoe de ziel hier meer in werkt hoe het gevoel volmaakter is.

[37] Het lichaam is niet noodig gesteld te worden alleen te zijn de voornaamste oorzaak van de passien, maar een yegelijke andere zelfstandigheid zoude zulks zoo ze voorkwam, konnen veroorzaaken en niet anders noch meer; want |f.137 't en zoude niet meer konnen in de natuur verschillen (uijt welke verscheidenheid van voorwerpen de veranderinge in de ziel ontstaat) als deze die van 't een uijt eijnde tot het ander verschille.