Lookup: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
2/20,1 |f.138 Aangaande dan 't geene wij in het voorige Cap. gezeit hebben, zouden deze volgende swarigheden konnen tegengeworpen worden: 77Eerstelijk bij aldien de beweginge niet en is de oorzaak van de passien, hoe het dan kan zijn, <datze> dat men de droefheid nochtans door <geene middelij> middelen uijt drijvt gelijk door de wijn zulks meenigmaal word verrigt? 2/20,2 Waar op diend dat onderscheid gemaakt moet worden, *[38]tusschen de gewaarwordinge van de ziele als zij eerst het lichaam gewaar word en tusschen het oordeel <als> het welk zij aanstonts daarop komt te maaken van dat het haar goet of kwaad is.
De ziel dan als nu <medel> mediate gezeid is, gesteld zijnde, hebben wij al te vooren aangewezen dat magt heeft de geesten te bewegen werwaart zij wil: Maar dat eevenwel nochtans deze macht haar kan benomen worden, zo wanneer door andere oorzaaken van 't algemeen lichaam deze haar zo gematigde gestalte benomen of veranderd word en zulks in haar gewaarwordende ontstaat'er droevheid en dat na de verandering is, die |f.139 de geesten als dan ontfangen. Welke droevheid veroorzaakt word uijt de lievde en vereeniginge dieze heeft met het lichaam. En dat dit zodanig is kan lichtelijk daar uijt afgenomen worden, <and> om dat deze droevheid op een van deze twee wijzen kan worde geholpen: of door herstellinge van de geeste in haar eerste gestalte, dat is hem van die pijnlijkheid te bevrijden, of door goede redenen overtuijgt te worden om van dit lichaam geen werk te maaken. Het eerste is en tijdelijk en staat weder te komen doch het tweede is eeuwig, bestandig, en onveranderlijk.
2/20,3 |f.140 De 78twede tegenwerpinge kan deze zijn: Aangezien wij zien dat de ziele alhoewel geen gemeenschap hebbende met het lichaam, nogtan kan te weeg brengen, dat de ge[e]sten die haar na de eene zijde zouden[39]bewegen, haar nochtans nu na de ander zijde bewegen; waarom <dan> zij dan ook niet zouden konnen maaken, dat een lichaam het welk geheel stil is en rust, zig zoude beginnen te bewegen? |f.141 Alsmede waarom ze dan ook niet alle andere lichamen, die alreeds al beweginge hebben, niet werwaart zij wil soude konnen bewegen?
2/20,4 Doch ons eens erinnerende het geene wij van de denkende zake nu al voren gezeid hebben, zo zal dat ons deze swarigheid heel licht weg konnen nemen. Namelijk doen zeiden wij dat schoon de Natuur verscheide eigenschappen heeft, het evenwel maar een eenig Wezen is, van de welke alle deze eigenschappen gezeid worden. Daar benevens |f.142 hebben wij mede gezeid dat de denkende zaak ook maar een eenige in de natuur was de welke [40]in oneijndelijke Ideen is uijtgedrukt, na de oneijndelijke dingen die in de Natuur zijn: Want indien 't lichaam een zodanige wijze ontfangt als ex:gr. het lichaam van Petrus en weder een ander als het lichaam is van Paulus, daar van daan komt het datter in de denkende zaak zijn twee verscheide Ideen: te weete Een Idea van 't lichaam van Petrus de welke de ziele maakt van Petrus en een ander van Paulus de welke de ziele maakt van Paulus. Zo dan de denkende zaak kan wel bewegen het lichaam van Petrus door de Idea van 't lichaam van Petrus, maar niet door de Idea van het lichaam van Paulus: Alsoo dat de ziele van Paulus sijn eige lichaam wel kan beweegen, maar geen zins het lichaam van een ander als van Petrus. |f.143 En hierom dan zo en kan ze ook geen steen die rust off stil leijt, beweegen; want de steen maakt wederom een ander Idea in de ziel. En hierom dan is't niet min klaar dat het onmogelijk is, dat een lichaam het welke geheel rust en stil is, zoude konnen bewogen worden door eenige manier van denken om reden als boven.
2/20,5 |f.144 De derde 79tegenwerpinge kan deze zijn: Wij schijnen klaarlijk te konnen zien dat wij nochtans in het lichaam eenige stilte konnen veroorzaaken. Want nadat wij onse geesten een langen tijd bewoogen hebben, zo ondervinden wij moede te zijn, het welke immers niet anders is als een stilte in de geeste, door ons te wege gebracht. 2/20,6 Doch wij antwoorden dat wel waar is dat de ziel een oorzaake is van deze stilte, doch niet als indirecte: Want zij en brengt de stilte in de beweginge niet onmiddelijk, maar alleen door andere lichaamen de welke zij dede bewegen, die dan noodzakelijk zo veel stilte hebben moeten ontbeeren als zij aan de geesten hadden mede gedeeld. Zo dat dan alomme blijkt dat in de natuur een en dezelve slagh van beweginge is.
[38] |f.139 De droevheid in den mensch word veroorzaakt uijt een waan begrip van dat hem iets kwaads overkomt, namelijk van 't verlies van eenig goet. Als dit dus bevat is, brengt dit begrip te wege, dat de geesten zig omtrent het hart voegen en het zelve met behulp van andere deelen prangen en sluijten, recht tegendeelig als in de blijdschap geschied. Deze pranging word de ziel weder gewaar en is pijnlijk. Nu wat is 't dat de Medicijnen of wijn te weege brengt? Dit namelijk, dat zij door haar werking deze geesten van 't hart afdrijven en weder ruijmte maaken, het welk de ziele gewaar wordende verkwikking krijgt bestaande daar in, dat het waanbegrip van kwaad, door de andere proportie van beweging en stilte die de wijn veroorzaakt, gediverteert en op wat anders valt, daar 't verstand meer genoegen in vind. Maar dit en kan geen immediate werkinge zijn van de wijn op de ziel, maar alleen van de wijn op de geesten.
[39] Hier is dan geen swarigheid hoe deze eene wijs die oneindig verschild van de ander, in de ander werkt: Want 't is als een deel van 't geheel, dewijl nooijt de ziel zonder 't lichaam noch het lichaam zonder de ziel geweest is. Dit vervolgen wij aldus:
1. Daar is een volmaakt wezen pag ... 2. Daar konnen geen twee zelfstandigheden zijn pag ... 3. Geen zelfstandigheid kan beginnen pag ... 4. Ieder is in sijn geslacht oneijndig pag ... 5. Daar moet ook een eijgenschap zijn van denken pag ... 6. Daar is geen zaak in de Natuur of daar is een Idea van in de denkende zaak voortkomende uijt haar wezen en wezentlijkheid t'zaamen pag ... 7. Nu vervolgens: <8 Aangezien>
8. Aangezien dat het wezen zonder wezentlijkheid begreepen wordt onder de beteekeningen der zaaken, zo en kan de Idea van't wezen dan niet aangemerkt worden als iets bijzonders: Maar dan kan zulks eerst geschieden, zo wanneer de wezentlijkheid t'zamen met het Wezen daar is en dat om datter dan een voorwerp is, dat te vooren niet en was. Ex. gr. als de heele muur wit is, zo iss'er geen dit of dat in, etc. |f.141 9. Deze Idea dan alleen buijten alle andere Ideas aangemerkt, kan niet meer zijn als maar een Idea van zo een zaak en niet dat zij een Idea heeft van zo een zaak: Daarbij dat zo een Idea zo aangemerkt om datze maar een deel is, zo kan zij van haar zelfs en haar voorwerp geen alder klaarst en onderscheidenst begrijp hebben, doch dit kan de denkende zaak alleen, die alleen geheel de Natuur is, want een deel buijten zijn geheel aangemerkt, kan niet enz.
10. Tusschen de Idea en 't voorwerp moet noodzaakelijk een vereening zijn dewijl de een zonder de ander niet en kan bestaan, want daar is geen zaak welkers Idea niet en is in de denkende zaak en geen Idea kan zijn of de zaak moet ook wezen. Voorder het voorwerp kan niet verandert worden of de Idea word ook verandert et vice versâ, zo dat hier geen derde van noden is, die de vereeniging van ziel en lichaam zoude veroorzaaken. Doch staat aan te merken dat wij hier spreeken van zulke Idea's die |f.142 noodzakelijk ontstaan uijt de wezentlijkheijd der dingen met het wezen zamen in God, maar niet van die Idea's welke de dingen nu wezentlijk ons vertoonen, uijtwerken in ons. Tusschen welke een groot onderscheid is: Want de Idea's in God en ontstaan niet gelijk in ons, uijt een of meer van de zinnen die daarom ook niet als onvolmaaktelijk van haar meest altijd aangedaan worden, maar uijt de wezentlijkheid en 't wezen na al wat ze zijn. Nochtans is mijn Idea de uwe niet, die een en de zelve zaak in ons uijtwerkt.
[40] 'T is klaar dat in de mensch aangezien hij begonnen heeft, geen ander eigenschap te vinden is als die al vooren in de Natuur was. |f.143 En nademaal hij bestaat van zodanig een lichaam van 't welk noodzakelijk een Idea moet zijn in de denkende zaak en die Idea noodzaakelijk vereenigt moet zijn met het lichaam, zo stellen wij onbeschroomt dat sijn ziel niet anders is als deze Idea van dit zijn lichaam in de denkende zaak. En om dat dit lichaam een beweginge heeft en stilte, die geproportioneert is en ordinaar gealtereert word door de uijtterlijke voorwerpen, en om datter geen alteratie in 't voorwerp kan geschieden zonder dat ook datelijk in de Idea het zelve geschied, hier uijt komt hervoort dat de menschen gevoelen (idea reflexiva). Doch ik zeg: omdat zij een proportie van beweging en stilte heeft, om datter geen werkinge kan geschieden in het lichaam zonder dat deze twe concurreren.