Cap. XXI

Lookup: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

2/21,1 Zo zal ons dan tegenwoordig te onderzoeken staan waar door het komt dat wij somtijds 80alschoon wij zien een zaake goet of kwaad te zijn, nochtans geen magt in ons bevinden om of de goede te doen of de kwade te laaten en somtijds nochtans wel. 2/21,2 Dit konnen wij lichtelijk bevroeden wanneer wij acht neemen op de |f.145 oorzaaken die wij van de [41]opinien gegeven hebben, die wij zeiden te zijn de oorzaken van alle toghten. Wij zeiden dan, deze zijn of door hooren zeggen of door ondervinding. En dewijle dan all het geen dat wij in ons bevinden meer magt op ons heeft als het geen dat ons van buijten aankomt, so volgt wel datt de reeden oorzaak kan zijn van vernietinge van die opinien die wij alleen van hooren seggen hebben: En dat omdat ons de reeden niet van buijten aangekomen is. |f.146 Maar geenzins van die die wij door ondervindinge hebben: 2/21,3 Want de mogelijkheid die ons [de] zaake zelve geeft is altijd meerder als die wij bekomen uijt gevolge van een tweede zaak gelijk wij dit onderscheid zo aangemerkt hebben, spreekende van de redenering en van het klaar verstand, pag. 64, en dat met de gelijkenisse van de regel van drien. Want meer mogelijkheid is in ons uijt het verstaan van de regul zelfs, als uijt het verstaan van de regul van proportie. En hier om is't dat wij nu al zo dikwijls hebben gezeid, dat de eene liefde door een ander die meerder is, te niet gedaan word, omdat wij daar onder geenzins wilden betrekken de begeerten die uijt de redenering voortkomt.

KB75G15
KB75G15
KB75G15
KB75G15


[41] En het zal't zelve zijn of wij hier 't woord opinie of passie gebruijken. En zo is 't klaar waarom wij die, die door ondervinding in ons zijn, niet en konnen door de Reeden overwinnen: Want deze en zijn in ons niet anders als een genieting of <oneijndelijke> onmiddelijke vereeniginge van iets 't geen wij voor goet oordelen. En de reden schoon zij ons dat beter is aanwijst, zij doet ons niet genieten. Nu dat geene dat wij genieten in ons, en kan niet overwonnen worden door dat geene 't welke wij niet en genieten en buijten ons is, gelijk zulks is 't geen ons de Reeden aanwijst. Maar zal deze overwonnen worden, zo moeter iets zulks zijn dat magtiger is: Hoedanig zal wezen een genietinge of onmiddelijke vereeniginge van 't geen beter gekend en genoten word als dit eerste: en dit daar zijnde is de overwinninge altijd noodzakelijk, off ook wel door genietinge van een kwaad dat grooter gekend word als 't genoote goet en onmiddelijk daarop volgt. |f.146 Doch dat dit kwaad zo niet altijd noodzaakelijk volgt, leert ons de ervaringe, want etc: siet pag. 80, 127.