Cap. XXIII

Lookup: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

2/23,1 Soo wanneer wij eens met aandagt aanmerken wat de Ziele is en waar uijt hare verandering en geduuringe ontstaan, zo zullen wij lichtelijk zien of zij sterfelijk of onsterfelijk zij.

|f.150 De ziele dan hebben wij gezeid te zijn een Idea die in de denkende zaake is, van de wezentlijkheid eenes zaaks <onts> die in de Natuur is ontstaande. 2/23,2 Waar uijt dan volgt, dat na de duuringe en verandering van de zaake is, daar na dan ook de duringe en veranderinge van de ziele moet zijn: Daar bij hebben wij aangemerkt dat de ziele kan vereenigt worden of met het lichaam van het welke zij de Idea is, of met God, zonder de welke zij noch bestaan noch verstaan kan worden. Waar uijt men dan lichtelijk kan zien (1.) dat bij aldien zij met het lichaam alleen vereenigt word en dat lichaam komt te vergaan, zij als dan ook moet vergaan: Want het lichaam zijnde het fondament van haar liefde ontberende, moet zij mede te niet gaan. Maar (ten 2e) bij aldien zij met een andere zaake die onveranderlijk is en blijft, vereenigt word, zo zal zij in het tegendeel ook onveranderlijk moeten blijven. Want waar door zoude het als dan mogelijk zijn dat ze zouw konnen |f.151 te niet gaan? Niet door haar zelve want alzo wijnig als zij door haar zelve heeft konnen beginnen te zijn doen zij niet en was, alzo wijnig kan zij ook nu zij zo is, of veranderen of te niet gaan. Alzo dan dat dit geene, het welke alleen de oorzaak is van haare wezentheid ook moet zijn (als zij komt te niet te gaan) de oorzaak van hare niet wezentheid, om dat het zelver komt te veranderen en te vernietigen.