Cap. XXIV

Lookup: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

2/24,1 Tot hier toe dan achten wij genoegzaam getoond te hebben wat onse liefde tot God is ende de uijtwerkinge des zelfs, namelijk onse eeuwigdurentheid. 85So dat wij nu hier niet nodig achten iets te zeggen van andere dingen, als van de blijschap in God, gerustheid des gemoeds enz. aangezien men lichtelijk uijt het gezeide kan sien wat daar af is en te zeggen zoude zijn. |f.152 2/24,2 So zal dan nog overig zijn eens te zien (want tot noch toe hebben wij gesprooken van de liefde van ons tot God) offer ook een liefde van God tot ons, 86dat is of God ook de mensche lief heeft en dat wanneer zij hem lief hebben? Maar voor eerst wij hebben gezeid, dat aan God geene wijze van denken buijten die de welke in de schepzelen zijn en konnen toegepast worden: Alzo dat niet gezeid kan worden, dat God de menschen lieft; veel min dat hij haar soude lieven omdat sij hem lieven, haten omdat zij hem haten.

Want zo zoude men moeten onderstellen dat de menschen soodanig iets vrijwillig souden doen, dat zij niet souden afhangen van een eerste oorzaak het welk wij al te vooren bewezen hebben valsch te zijn. Daarenboven Zoude dit ook in God niet als een groote veranderlijkheid moeten veroorzaaken, die daar hij te vooren nog bemind noch gehaat hadde, nu zoude beginnen te beminnen en te haaten en daar toe veroorzaakt soude worden door iets dat buijten hem zoude zijn. Doch dit |f.153 is de ongerijmtheid zelve. 2/24,3 Doch als wij zeggen dat God de mensch niet en bemind, dat moet soo niet verstaan worden alsof hij de mensch (om zoo te zeggen) zo alleen liet heen loopen, maar om dat [de] mensch te zamen met alles watter is, soodanig in God zijn en God van deze alle zodanig bestaat dat aldaar geen eigenlijke liefde van hem tot iets anders kan plaats hebben, aangezien dat alles in een eenige zaake, die God zelve is, bestaat.

2/24,4 En hier uijt dan volgt mede, dat God de menschen geen wetten steld om wanneer zij die volbrengen te belonen. Off om klaarder te seggen dat Gods wetten niet en zijn van zo een natuur, dat ze zoude konnen worden overgetreden. Want de reguls van God in de natuur gesteld volgens welke alle dingen hervoort komen en duuren, indien wij die wetten willen noemen, die zijn sodanig dat zij nooijt en konnen overgetreden worden, als daar is dat het swakste voor het sterkste moet wijken, dat geen oorzaak meer kan voort brengen als zij in sich heeft, en diergelijke, die van soodanige |f.154 aard zijn dat ze nooijt en veranderen, nooijt beginnen, maar alles onder dezelve geschikt en geordent is. 2/24,5 En om kortelijk hier af iets te zeggen: 88alle wetten die niet en konnen overtreden werden, zijn goddelijke wetten, reeden, omdat alles watter geschied, niet en is tegen maar volgens sijn eigen besluijt. Alle wetten die overtreden konnen worden zijn menschelijke wetten. Reeden, omdat alles wat de menschen voor haare welstand besluijten, daar uijt niet en volgt zulks ook tot welstand van geheel de Natuur te zijn, maar in het tegendeel wel tot vernietiginge van veel andere dingen konnen zijn.

2/24,6 89Als de wetten van de Natuur machtiger zijn, worden de wetten van de menschen vernietigt. 90De goddelijke wetten zijn het laatste eijnde om het welke zij zijn en niet geonderordend; de menschelijke niet. Want niettegenstaande de menschen tot haar zelfs welstant wetten maaken en geen ander eijnde hebben als daar door haar eijgen welstand te bevorderen, zoo kan nogtans dit haar eijnde (als zijnde geonderordend onder andere eijnde de welke een ander die boven haar is, beoogt en haar als deelen van de Natuur zijnde zoodanig laat werken) ook dienen ten eijnde het met die eeuwige wetten |f.155 van God van eeuwigheid gesteld, te zamen loopt en zoo met alle andere alles helpt uijtwerken. ex. gr. Wanneer de Beijen alschoon zij geen ander eijnde beoogen met al dien arbeijd en geschikte ordre die zij onder een onderhouden, als voor de winter zekere voorraad te verzorgen, de mensch nogtans boven hen zijnde, heeft hen onderhoudende en gaade slaande, een geheel ander eijnde, namelijk voor hem den honigh te bekomen. Alzoo ook de mensch in aanzien hij een bezonder dink is, en heeft zijn oogmerk niet verder als zijne bepaalde wezentheid bereijken kan; doch in aanzien hij ook is een deel en werktuig van geheel de natuur, zo en kan dan dit eijnd des menschen het laatste eijnde van de natuur, dewijle zij oneijndelijk is en dit onder alle andere meede als een werktuijg van haar moet gebruijken. 2/24,7 Dus verre dan van de wet van God gesteld. 91Staat dan ook aan te merken dat de mensch in hem zelve ook tweederlei wet gewaar word. De mensch zeg ik, die zijn verstand wel gebruijkt en tot kennisse |f.156 van God komt. En deze worden veroorzaakt en door de gemeenschap die hij heeft met God en door de gemeenschap die hij heeft met de wijzen van de Natuur, 2/24,8 van welke de eene noodzakelijk is en de ander niet: Want belangende de wet die uijt de gemeenschap met God ontstaat, dewijle hij nooijt en kan laten, maar altijd noodzakelijk met hem vereenigt moet zijn, heeft hij dan en moet hij altijd de wetten volgens de welke hij voor en met God moet leeven, voor oogen hebben. Maar belangende de wet die uijt de gemeenschap <die> met de wijzen ontstaat: Aangezien hij zig zelfs van de menschen kan afzonderen, zoo en is deze zoo noodzakelijk niet.

2/24,9 Dewijle wij dan <een> zoodanig een gemeenschap tusschen God en de menschen stellen, zoo zoude men met recht <ko> mogen vraagen, hoe zich dan God aan de mensche kan bekend maaken en of zulks geschied off geschiede zoude konnen door gesprooken woorden off onmiddelijk zonder eenig ander dink te gebruijken door't welke hij het zoude doen?

2/24,10 Wij antwoorden, door woorden altijd niet want als |f.157 dan most de mensch alvooren geweten hebben de beteikenisse van die woorden eerze tot hem gesproken wierden, als bij exempel, Zoude God aan de Israeliten gezeid hebben Ik ben Jehova uwe God, zo mosten zij dan al te vooren geweten hebben zonder de woorden, dat hij God was, eer zij konden verzekerd zijn dat hij het was: Want die stemme, donder en blixem wisten zij als doen wel dat God niet was, alschoon de stemme zij dat hij God was. En het zelve dat wij hier van de woorden zeggen, willen wij mede gezeid hebben van alle uijterlijke tekenen.

En zo achten wij het dan onmogelijk dat God door middel van eenig uijtterlijk teeken zich zelve aan de menschen zoude konnen bekend maaken. 2/24,11 93En dat het door eenig ander ding als alleen door Gods wezentheid en het verstand des menschen soude geschieden, achten wij te zijn onnoodzakelijk: Want aangezien dat geene in ons 't welke God moet kennen, het Verstand is en dat <dat> dat zelve zoo onmiddelijk met hem vereenigt is, dat het noch bestaan noch |f.158 verstaan kan worden zonder hem, zoo blijkt daar uijt onwederspreekelijk dat geen dink altoos zoo naa het Verstand kan toegevoegt worden als eeven God zelve. 2/24,12 94Het is ook onmogelijk door iets anders God te konnen verstaan 1. omdat zoodanigen dink ons als dan meer zoude moeten bekend zijn als God zelfs, het welk opentlijk strijd tegen alles 't geen wij tot hier toe klaarlijk getoond hebben, namelijk dat God een oorzaak is en van onse kennisse en van alle wezentheid en dat alle bezondere dingen niet alleen zonder hem niet en konnen bestaan, maar ook zelfs niet verstaan worden; 2. dat wij nooijt door eenig ander dink welkers wezen noodzakelijk bepaald is schoon het ons al bekender was, tot de kennisse Gods konnen geraaken: Want hoe is 't mogelijk dat wij uijt een bepaalde een oneijndelijke en onbepaalde zaak souden konnen besluijten? 2/24,13 Want of wij alschoon eenige werkinge of werk in de Natuur bemerkte welkers oorzaak ons onbekend was, zoo is't nochtans |f.159 onmogelijk om voor ons daar uijt dan te besluijten dat'er om dit gevrochte voort te brengen, een oneijndelijke en onbepaalde zaak in de Natuur moet zijn. Want of'er om dit voort te brengen veel oorzaaken hebben te zamen geloopen dan of'er maar een eenige is geweest, hoe konnen wij dat weten? Wie zal ons dat zeggen? Zo dat wij dan eijndelijk besluijten, dat God, om zich zelfs aan de menschen bekend te maaken noch woorden, noch miraculen, noch eenig ander geschapen ding kan of behoeft te gebruijken, maar alleen zich zelve.

KB75G15
KB75G15
KB75G15
KB75G15