26. Cap. XXV

Lookup: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

2/25,1 |f.160 95Van de Duijvelen off die zijn of niet zijn, zullen wij nu kortelijk iets zeggen en dat aldus: Indien de Duijvel een dink is, dat t'eenemaal tegen God is en van God niet niets heeft, zo komt hij net overeen met de Niet, daar wij nu al te vooren van gesprooken hebben.

2/25,2 Stellen wij hem met eenige te zijn eenig denkend dink dat al heel geen goet noch wil noch doet en zich zo tenemaal tegen God kant, zeker zo is hij wel ellendig, en zoo de gebeeden mochten helpen, zo was voor hem te bidden tot bekeringe.

2/25,3 Doch laat ons eens zien off ook zo een ellendig dink wel een eenig oogenblik zoude konnen bestaan. En zo doende zullen wij terstond ondervinden van neen, want uijt de volmaaktheid van de zaak ontstaat alle de duuring van de zaak en hoeze meer wezentheid en goddelijkheid in haar hebben hoeze bestandiger zijn: De Duijvel dan geen de minste volmaaktheid in zig hebbende, hoe zoude hij doch denk ik, konnen bestaan? |f.161 Doet hier bij dat de bestandigheid off duuring in de wijse van de denkende zaake maar en ontstaat alleen door vereeniginge die zoodanige wijze uijt de liefde veroorzaakt, met God heeft. Het rechte teegendeel van deze vereeniginge in de Duijvelen gesteld zijnde, zo en konnen zij onmogelijk niet bestaan.

2/25,4 Doch dewijl'er heel geen noodzakelijkheid en is om Duijvelen te moeten stellen, waar toe dan die gesteld? 96Want wij hebben niet gelijk andere, om de oorzaake van Haat, Nijd, Toornigheid en dier gelijke Passien te vinden, van noden Duijvelen te stellen, dewijle wij die zonder zodanige verzieringe genoegzaam gevonden hebben.