[Appendix]

Lookup: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

|f.172 AAx1 1. De zelfstandigheid staat wegens sijn natuur voor alle zijne Toevallen (modificationes).

AAx2 2. De dingen welke verscheiden zijn, worden onderscheiden of dadelijk of toevalligh.

AAx3 3. De dingen welke dadelijk onderscheiden worden, hebben of verscheide eigenschappen gelijk als denking en uijtgebreijdheid of worden toegepast aan verscheide eigenschappen als Verstaning en Beweeging; welkers eene behoort tot de Denking en het ander tot de Uijtgebreijdheid.

AAx4 4. De dingen welke verscheide eigenschappen hebben als mede de dingen welke behooren tot verscheide eigenschappen, en hebben in zich geen dink de eene van de ander.

AAx5 5. Dat geene twelk in zich niet heeft iets van een ander dink, en kan ook geen oorzaak zijn van de wezentlijkheid van zulk een ander dink.

AAx6 6. Dat geene 't welk een oorzaak is van zich zelfs, is onmogelijk dat het zich zelfs zoude hebben bepaald.

AAx7 7. Dat geene door 't welke de dingen onderhouden worden, is wegens sijn natuur het eerste (eerder) in zodanige dingen.

AP1 Geen zelfstandigheid wezentlijk zijnde en kan toegepast worden een en de zelve eigenschap welke toegepast word aan een ander zelfstandigheid of (het welk hetzelvde is) in de Natuur en konnen geen twee zelfstandigheeden zijn tenzij zij dadelijk onderscheiden werden.

|f.173 AP1D De zelfstandigheden twee zijnde, zijn verscheiden en dienvolgende worden onderscheiden of dadelijk of toevallig; niet toevallig, want dan waren de toevallen door haar natuur eer als de zelfstandigheid, tegens de 1. axioma, ergo dadelijk. En volgens dien en kan van d'eene niet gezeid worden dat van de ander gezeid word, zijnde dat geene wij trachten te bewijzen.

AP2 De eene zelfstandigheid en kan geen oorzaak zijn van de wezentlijkheid van een ander zelfstandigheid.

AP2D Soodanigen oorzaak en kan in zich niet hebben iets van zulk een uijtwerking, want het verschil tusschen hun is dadelijk en gevolglijk zo en kan zij die (wezentlijkheid) niet voortbrengen.

AP3 Alle eijgenschappen of zelfstandigheid is door haar natuur oneijndig en ten oppersten volmaakt in zijn geslacht.

AP3D Geen zelfstandigheid is veroorzaakt van een ander en bij gevolg zo ze wezentlijk is, zo isse of een eigenschap van God of ze heeft buijten God geweest een oorzaak van zig zelfs. Indien het 1e zo isse noodzakelijk oneijndig en ten hoogsten volmaakt in sijn geslagt, hoe daanig zijn alle andere eigenschappen Gods. Indien het 2e, zoo isse noodzakelijk ook zodanig, want zich zelfs en zoudeze niet konnen bepaald gehad hebben.

|f.174 AP4 Aan alle wezen van zelfstandigheid behoord van natuur de wezentlijkheid ook zo zeer dat het onmogelijk is in eenig oneijndig verstand te konnen stellen de Idea van het wezen eenens zelfstandigheid de welke niet en zij wezentlijk in de Natuur.

AP4D Het ware wezen van een voorwerp is iets het welk dadelijk onderscheiden is van de Idea des zelven voorwerps en dit iets is of dadelijk wezentlijk of begrepen in een andere zaak die dadelijk wezentlijk is, van welke andere zaak men niet en zal konnen dit wezen dadelijk maar alleen wijzelijk (modaliter) onderscheiden, hoedanig zijn alle de wezens van dingen die wij zien, de welke te vooren niet wezentlijk zijnde, in de uijtgebreidheid, beweging en ruste begrepen waren, en wanneer zij wezentlijk zijn niet en worden onderscheiden van de uijtgebreidheid dadelijk, maar alleen wijzelijk: En ook het wikkeld zich in tegenstrijdigheid dat een wezen van de selfstandigheid op deze wijze in een andere zaake begrepen zij als de welke alsdan van dezelve niet dadelijk en zoude onderscheiden worden, tegen de 1e propositie: En ook dat ze als dan zoude konnen voortgebracht zijn van het onderwerp 't welk haar begrijpt, tegen de 2e propositie: En eijndelijk |f.175 zoude ze door haar natuur niet konnen zijn oneijndig en ten oppersten volmaakt in haar geslacht, tegen de 3e prope ergo dan, dewijl haar wezen niet en is begreepen in eenig ander dingh, zoo isse dan een zaake [die] door zich zelve bestaat.

AP4C De natuur word gekent door zig zelfs en niet door eenig ander dink. Zij bestaat van oneijndige eigenschappen, een ieder van dezelve oneijndig en volmaakt in zijn geslacht, aan welkers wezen de wezentlijkheid toebehoort, alzo dat buijten de zelve geen wezen of zijn meer en is en zij alzo naaupuntig overeenkomt met het wezen van de alleen heerlijke en gezegende God.