Lookup: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
AVMZ,1 De mensch aangezien hij een geschapen eijndige zaak enz. is, zo is 't noodzaakelijk dat het geen hij heeft van denking en 't welk wij de Ziel noemen, zulks zij een eigenschap van die eigenschap die wij denking noemen zonder dat tot sijn wezen eenig ander ding als deze wijzing behoort: En dat zo zeer dat zo deze wijzing te niet gaat, de ziel ook vernietigt word alschoon dat de |f.176 voorgaande eigenschap onveranderlijk blijft. AVMZ,2 Op dezelfde manier van't geen hij heeft van uijtgebreidheid 't welk wij lichaam noemen, en is niet anders als een wijzing van de andere eigenschap die wij uijtgebreijdheid noemen. Die ook vernietigt wordende, is het menschelijk lichaam niet meer alschoon ook de eigenschap van uijtgebreidheid onveranderlijk blijvt.
AVMZ,3 Om nu te verstaan hoedanig deze wijzing zij die wij ziel noemen en hoe hij zijn oorsprong van het lichaam heeft en ook hoe zijne verandering (alleen) afhangt van het lichaam ('t welk bij mij is de vereeniginge van ziel en lichaam), zo moet aangemerkt worden:
1. dat de wijzing, de alderonmiddelijkste van de eigenschap die wij denking noemen, voorwerpelijk in zig heeft het formelijke wezen van alle dingen: En dat zodanig, dat bij aldien men stelde eenig formelijk ding welkers wezen niet en was <in de> voorwerpelijk in de voorgenoemde eigenschap, zo en waar ze alheel niet oneijndig noch ten hoogsten volmaakt in haar geslacht, tegen 't geen nu al bewezen is <tegen de> door de 3e propositie: AVMZ,4 En zijnde het zodanig dat de Natuur of God een wezen is van welke oneijndige eijgenschappen gezeid worden en de welke in zich bevat alle wezens van de geschaape dingen, zo ist noodzaakelijk dat van al dat geene 't welk in de denking voortgebracht |f.177 word eene oneindige Idea de welke in zich voorwerpelijk bevat de geheele natuur, zulks als die in zig dadelijk is.
AVMZ,5 2. Staat aan te merken dat alle de overige wijzingen gelijk als Lievde, Begeerte, Blijdschap haaren oorspronk van deze eerste onmiddelijke wijzing hebben; ook zodanig dat in gevalle die niet alvoor en ging, daar geen liefde, begeerte enz. en zoude konnen zijn: AVMZ,6 Waar uijt klaarlijk besloten word, dat de natuurlijke liefde die in ieder zaak is tot behoudinge zijns lichaams (ik zeg de wijzing) niet en kan eenige andere oorspronk hebben als van de Idea of het voorwerpelijk wezen het welk van zodanig lichaam is in de denkende eigenschap. AVMZ,7 Verder aangezien tot het wezentlijk zijn van een Idea (of voorwerpelijk wezen) geen ander dink vereijscht word als de denkende eigenschap en het voorwerp (of vormelijk wezen), zoo is't dan zeeker 't geene wij gezeid hebben, dat de Idea of 't voorwerpelijk wezen, de [44]alderonmiddelijkste wijzing is aan de eigenschap. En dienvolgende zoo en kanner in de denkende eigenschap geen andere wijzing gegeven worden de welke zoude behooren tot het wezen van de ziel eenes gelijken dings als alleen de Idea, welke noodzakelijk van zulk een dink, wezentlijk zijnde, moet zijn in de denkende eigenschap: Want |f.178 zoodanig een Idea sleept met zich de overige wijzingen van Liefde, begeerte enz. Nu dan aangezien de Idea voortkomt vande wezentlijkheid des voorwerps, zoo moet dan ook het voorwerp veranderende of vernietigende, de zelve Idea na graden veranderen of vernietigen. En dit zo zijnde, zo is zij dat geen 't welk vereenigt is met het voorwerp.
AVMZ,8 Eijndelijk indien wij zouden willen voortgaan en aan het wezen van de ziel toeschrijven dat geene door het welke zij wezentlijk zouden konnen zijn, men zoude niet anders konnen vinden als die eigenschap en het voorwerp van de welke wij nu gesprooken hebben: En geen van deze en kan behoren an't wezen van de ziel aangezien het voorwerp van de denking niets en heeft en van de ziel dadelijk onderscheiden word: En de eigenschap aangaande, wij hebben nu ook al bewezen dat ze tot het voorgenoemde wezen niet en kan behoren, 't welk door't geene wij daar na gezeid hebben, noch klaarder gezien word: Want de eigenschap als eigenschap en is niet vereenigt met het voorwerp, dewijlze <het niet> noch veranderd noch vernietigt alschoon het voorwerp veranderd of vernietigt. AVMZ,9 Ergo dan zo bestaat het wezen van ziel alleen hierin namelijk in het zijn van een Idea |f.179 of voorwerpelijk wezen inde denkende eigenschap, ontstaande van het wezen eenes voorwerps 't welk inderdaad in de Natuur wezentlijk is. Ik zeg van een voorwerp dat dadelijk wezentlijk is enz. zonder meer bezonderheid. Om dan hieronder te begrijpen niet alleen de wijzingen van de uijtgebreidheid, maar ook de wijzingen van alle de oneijndige eijgenschappen de welke mede zo wel als de uitgebreidheid een ziele hebben: AVMZ,10 En om deze beschrijvinge wat bezonderlijker te verstaan, die[n]t acht geslaagen op 't geene ik nu al gezeit hebbe spreekende van de eigenschappen, de welke ik gezeid [45]hebbe niet na haar wezentlijkheijt onderscheiden te worden, want zij zelve zijn de onderwerpen van haare wezens. Alsmede dat het wezen van een <zaak> ijder van de wijzingen in de nu genoemde eigenschappen begrepen zijn: En eijndelijk dat alle de eigenschappen zijn eigenschappen van Een oneijndig wezen. Waarom ik ook deze Idea in het IX. Cap. van het 1 deel genoemt heb een schepzel onmiddelijk van God geschapen aangezien ze in zich voorwerpelijk heeft het vormelijk wezen van alle dingen zonder te nemen of te geven. En deze is noodzakelijk maar een, in acht genomen, dat alle de wezens van de eijgenschappen en de wezens van de |f.180 wijzingen begreepen in deze eijgenschappen, het wezen zijn van een alleen oneijndig wezen. AVMZ,11 Maar staat nogh aan te merken dat deze wijzingen in aanmerkinge dat geen derzelver dadelijk is, zij nochtans gelijkmatig begrepen zijn in haare eigenschappen: En dewijl in de eigenschappen geen ongelijkheid ter wereld is noch ook in de wezens van de wijzingen, zo en kan'er in de Idea geen <dezelvde> bezonderheid zijn aangezien die in de natuur niet zijn: Maar zo wanneer eenig van deze wijze haare bezondere wezentlijkheid aandoen en haar door de zelve op eenige wijs onderscheiden van haare eigenschappen (dewijl als dan hare bezondere wezentlijkheid welke zij in de eijgenschap hebben, het onderwerp is van haar wezen), als dan vertoonter zig een bezonderheid in de wezens van de wijzingen en gevolglijk in de voorwerpelijke wezens, die van de zodanige noodzaakelijk begrepen worden in de Idea. AVMZ,12 En dit is de oorzaak waarom wij in de beschrijving gebruijkt hebben deze woorden, dat de Idea is ontstaande uijt een voorwerp 't welk wezentlijk in de Natuur is. En hiermede achten wij dan genoegzaam verklaart wat voor een ding de ziel in 't algemeen |f.181 is, verstaande onder het gezeide niet alleen de Ideen welke ontstaan uijt de lichaamelijke wijzingen, maar ook die welke ontstaan uijt de wezentlijkheid van een ijgelijke wijzing van de overige eijgenschappen.
AVMZ,13 Maar aangezien wij van de overige eigenschappen niet en hebben zoodanige kennisse als wij hebben van de uijtgebre<ekt>[id]heid, zo laat ons eens zien of wij oogmerk neemende op de wijzingen van de uijtgebreidheid, konnen uijtvinden een bezonderlijker beschrijving en die meer eigen is om 't wezen van onze zielen uijt te drukken, want dit is ons eigentlijke voornemen.
AVMZ,14 Wij zullen dan hier voor onderstellen als een zake die bewezen is, dat in de uijtgebreidheid geen andere wijzinge is als beweging en stilte en dat ieder bezonder lichaamelijk ding niets anders is als een zeekere proportie van beweginge en stilte; ook soo zeer dat bij aldien in de uijtgebreijdheid niet anders was als alleen beweging of alleen stilte, soo en zoude in de geheele uijtgebreidheid niet konnen aangewezen worden of zijn eenig bezonder ding: Alsoo dat dan het menschelijk lichaam niet anders is als een seekere proportie van beweginge <of> en stilte. AVMZ,15 Het voorwerpelijke wezen dan |f.182 't welk van dese wezentlijke proportie is in de denkende eigenschap dat (zeggen wij) is de ziele van 't lichaam: Zo wanneer nu een van deze twee wijzingen of in meer of in min (beweginge of stilte) veranderen, zo veranderd zig ook na graden de Idea: Als e.g. zo de stilte zig komt te <veranderen> vermeerderen en de beweging te verminderen, zo word daar door veroorzaakt de pijne of droefheid die wij koude noemen: Zo dit integendeel geschied in de beweging, zo word daar door veroorzaakt de pijne die wij hitte noemen. AVMZ,16 En zo wanneer het zij (en hier uijt ontstaat de verscheide wijs van pijn, die wij gevoelen, als ons met een stokje in de oogen of op de handen geslagen word), dat de graaden van beweging en stilte niet en zijn evengelijk in alle de deelen van ons lichaam, maar dat eenige meer van beweging en stilte hebben als andere, hier van daan is de verscheidenheid van gevoelen. En wanneer het zij (en hier uijt ontstaat het onderscheid van gevoel uijt <met> het slaan <van> met een hout of ijzer op een zelve hand), dat de uijterlijke oorzaaken die ook |f.183 deze veranderingen te weeg brengen, in zich verschillen en niet alle de zelve uijtwerkinge hebben, zo ontstaat hier uijt de verscheidenheid van't gevoel in een en't zelve deel. En wederom indien de verandering welke geschied in een deel, een oorzaak zij dat ze wederkeer tot haar eerste proportie, hier uijt ontstaat de blijdschap die wij ruste, vermakelijke oeffening en vrolijkheid noemen. AVMZ,17 Eijndelijk dan dewijle wij nu verklaart hebben wat het gevoel is, zo konnen wij lichtelijk zien, hoe hier uijt komt te ontstaan een weerkeerige Idea off de kennisse sijns zelfs, de ervaring en redenering. En ook uijt alle deze (gelijk ook omdat onse ziel vereenigt is met God en een deel is van de oneijndige Idea, van God onmiddelijk ontstaande) kan klaarlijk gezien worden den oorspronk van de klaare kennisse en de onsterfelijkheid der ziele. Doch voor tegenwoordig zal het gezeide ons genoegh zijn.
[44] Ik noem de alderonmiddelijkste wijzing an de eigenschap die wijzing de welke om wezentlijk te zijn, niet van noden heeft eenige andere wijzing in de zelfde eigenschap.
[45] Want de dingen worden onderscheiden door 't geene het eerste is in haar natuur, maar dit wezen der dingen is voor de wezentlijkheid, ergo.