G

Vocabulaire A B C D E F G H I K L M N O P R S T U V W Z

GAAN 12x+3n+m; (a)angaande 8x+2n; (a)angaat 13x; * overgaan; * vergaan; voortgang nemen +m; aangaan 27x; aangaan 2x; aangaat (+wat 10x); gaat 4x; ging; ondergaan +2m; ontgaan; tenietgaan 5x; toegaan: toegaat m; voortgaa; voortgaan 4x+2m;

GADESLAAN;

GAUW: gaauwer (sly); ~B;

argutiu 1xE;

155 Een(2) ander, van gaauwer begrip zijnde, die en laat zich soo nie[t paaien];

*GEBEUREN 3x; *gebeurlijk 17x; gebeurd m; gebeurt 3x+m;

GEBOORTE 2x;

GEBREK;

GEBRUIKEN: gebruijk; gebruijken 12x+2n+2m; gebruijkende 3x+m; gebruijkt 6x;

*GEDAANTE 7x+m;

*GEDURIG 2x; geduurig 2n; gedurich m; geduringe;

GEEN 80n37m; geene 81x+8m; geener; gene 7x+2m; genen; genes n;

GEENZINS (noway) 23x+m; geensins 4n; 45xB;

nullo modo 2xE; nequaquam 3xE;

027 in God die alle goet en volheid is, geen zins en is;

028 dat is waar quo ad existentiam, maar geenzins quo ad essentiam;

033 Verder,' t geene geschapen is en is geen zins voortgekoomen van de Niet;

098 de eerste oorzaak, dewelke geen zins van iets anders geprangt of genoodzaakt;

142 ik zegge van eenige wijzen, omdat ik geen zins versta dat de mensch voor zo veel hij;

196 vereenigen met de zelve geen zins in onse natuur versterkt en werden;

307 men als van de uijtgebreidheld zelve. en geenzins van iets anders dat eminenter;

336 eige lichaam wel kan beweegen, maar geen zins het lichaam van een ander als van Petru;

342 Doch geenzins kan de reden de waan die door ondervind[ing];

342 Maar geenzins van die die wij door ondervindinge hebb[en];

352 Doch omdat deze Idea geenzins kan ruste vinden in de kennisse;

353 noch verstaan konnen worden en dat geen zins lichaamelijk is;

*GEEST 20x; geesten +3n+3m;

GEHEEL 50x+9n+m; gheel +n; heel 11x+5n+2m; +al; 111xB;

GEHEUGENIS;

GELEGENHEID (occasion) 3x;

13xB: Ende dit segge ick te meer, dewijle wy de gelegentheyt des tijts weten, dat het de ure is, dat wy nu uyt den slaep opwaken, Rom.13,1; Dese na des tijts gelegentheyt waren altijt daer, waer het beest was, 1Machab.6,36; Het en komt u niet toe te weten de tijden ofte gelegentheden, die de Vader in sijn eygene macht gestelt heeft, Hand.1,7;

opport* ~E; occas* ~E;

088 -9 laat dat op een ander tijd zijn; tegenwoordig noodigd mij de gelegentheid tot wat anders. Vaart wel. Voor't tegenwoordig niet, maar ik zal mij nu met 'et geen gij mij nu gezeid hebt bezighouwden tot naader gelegentheid en u God beveelen;

183 in't vervolg deses off bij andere gelegentheden zullen stellen;

*GELIEFDE 2x+n+m;

*GELIJK 100x+13n+9m; *gelijkmatig 2x; *gelijkmatigheid 5x; gelijkheid; gelijck; gelijkelijk 2x; gelijkenis: gelijkenisse 2x+m; gelijker 2x; gelijkerwijs; gelijkmen; gelijkwijs; ongelijkheid;

*GELOOF 10x+8n+5m; * geloven: geloofde; gelooft 2m; geloov 2x; geloove m; gelov; gelove 2x+14m; gelovende 2m;

GELUID (sound): geluijd;

Daer geschiedde haestelick uyt den hemel een geluyt, Hand.2,2;

sonus 1xE: Exempli gratia si motus quem nervi ab objectis per oculos repraesentatis accipiunt, valetudini conducat, objecta a quibus causatur pulchra dicuntur, quae autem contrarium motum cient, deformia. ... Et quae denique aures movent, strepitum, sonum vel harmoniam edere dicuntur quorum postremum homines adeo dementavit ut Deum etiam harmonia delectari crederent 1app;

290 het welke in sijn ooren een aangenaam geluijd maakende, daar door lust tot hetzelve k[rijgt];

GELUKKEN (succeed); gelukt;

5xB: Aen eene tafel sullen sy leugen spreken, ende 't en sal niet gelucken, Dan.11,27;

(con)sequ* xE;

073 Dogh 't en zal u om door dat middel de Liefde tot U te krijgen, niet gelukken;

236 Doch als iemand een zaake besluijt te doen, omdat het een ander (hem voorgedaan hebbende) wel gelukt is, zo noemt men het volgijver;

*GELUKZALIGHEID 4x;

GEMATIGD;

GEMEEN (common) 5x; * algemeen; gemeene n+m; gemeenlijk 7x+n+3m;

GEMERK;

GEMOED (mood) 3x; gemoeds 2m; +ontstellen;

12xB: Ick sie een andere wet in mijne leden, welcke strijt tegen de wet mijnes gemoets, Rom.7,23; Een yegelick zy in sijn eygen gemoet ten vollen versekert, Rom.14,5;

animus 69xE;

206 zo wanneer hij ondervond in zijn gemoed tegen deze sijne knecht ontsteld te zijn;

207 van reden zonder ontsteltenisse des gemoeds (want dat achten wij dat wezen kan) ... of dat wij hem sonder ontsteltenisse des gemoeds ondergaan?];

358 de blijschap in God, gerustheid des gemoeds enz;

GENADE (grace);

188xB: Over het huys Davids,.. sal ick uytstorten den Geest der genade, Zach.12,10;

~E (ca.50x exempli gratia);

347n Want wie en ziet niet hoe gevoeglijk wij onder de waan de zonde, onder het gelove de wet die de sonde aanwijst en onder de waare kennisse de genade die ons van de zonde vrij maakt, konnen verstaan?;

GENEESKRUID (medicine): geneeskruijden;

~B;

209 dewijl wij weten dat een de zelve zaak op d'eene tijd ons goet, op de ander tijd ons kwaad is, gelijk dat in de geneeskruijden altijd zo is;

*GENEREREN 3x;

GENERLEI: geenerlei wijze; generlij wijze (noway) n; ~B;

nulo modo 2xE;

002 dat ze is en dat van haar in generlij wijze kan afgescheide worden;

081 welke liefde in geenerlei wijze het weze van het denkbeeld doe[t toenemen];

*GENIETEN 8x+5n+m; *genieting +3n; geniet; genietende; genoten 3n;

GENOEG (enough) 6x; genoegh; genoegzaam 12x; genoegsaam;

12xB: Over het huys Davids,.. sal ick uytstorten den Geest der genade, Zach. 12, 10; Soo sy den verdruckten genoeghsame hulpe gedaen heeft, 1Tim.5:1;

satis 29xE;

055 en met dit gezeijde agten wij alles genoegzaam beantwoord;

077 verstaa ik nu genoegzaam; maar ik merke ook aan dat gij gezegd hebt;

124 [dew]ijl zij ons dan met deze haare stellinge genoegzaam toestaan, dat zij een zeer kleene en;

131 hierop is door D. des Cartes genoegzaam antwoord gegeven in de beantwoordinge;

132 God oorzaak is van zig zelfs, zo is't genoeg dat wij hem door zig zelfs bewijzen;

136 het welke alhoewel genoegsaam door zig zelfs klaar zijnde;

199 de reeden hier van aanwijst behoort genoeg te zijn;

199 Laat ons dit dan genoeg zijn, om te betonen hoe ons de Reden;

225 zo blijkt dan daar uijt genoegzaam wat voor goet en kwaad ieder van deze;

251 van noden hebben en't zal ons genoeg zijn;

257 Soo meen ik dan nu genoegzaam aangewezen en betoogt te hebben;

269 dit gezeide zal al het vorige gevraagde genoegzaam beantwoord zijn;

278 om dat hij de dadelijke wezens niet genoeg van de wezens van reden en onderscheiden;

282 wij dan met een deze tegenwerpinge genoegzaam beantwoord zullen zien;

284 dit komt voort om dat de begeerte niet genoeg van de Wille en word onderscheiden;

348 maar het is ons genoeg dat wij hem om met hem vereenigt te zijn;;

358 Tot hier toe dan achten wij genoegzaam getoond te hebben wat onse liefde tot G[od];

377 [dew]ijle wij die zonder zodanige verzieringe genoegzaam gevonden hebben;

408 zoo verzoek ik dat gij U daarom aanstonds niet en verhaast om het zelve te wederleggen voor en alleer gij het met genoegzame tijd en overweginge zult hebben bedaght;

432 en hiermede achten wij dan genoegzaam verklaart wat voor een ding de ziel;

437 voor tegenwoordig zal het gezeide ons genoegh zijn;

GENOEGEN (satisfaction) +n; genoegt m;

satisfac* 1xE;

136 spruijt een oneindelijk of aldervolmaakst genoegen onveranderlijk, niet konnende nalaten;

331 op wat anders valt, daar't verstand meer genoegen in vind;

GERAKEN (reach): geraaken 13x+2m;

42xB: Hy geraeckte op eene plaetse daer hy vernachtte, Gen.27:11; Dit woort geraeckte tot den Koningh van Ninive, Jona 3:6;

atting* ~E; asseq* 6xE;

078 o gij, Erasme, uijt deze verwarring wild geraaken, zo neemt eens wel in acht het geen ik;

181 >. zien offer middel was om daar toe te geraaken.];

225 te doen staat om tot ons goet einde te geraaken;;

225 waardoor wij tot onse volmaaktheid geraaken;

227 niet alleen om tot onse volmaaktheid te geraaken, maar brengt ons ook geheel tot;

228 en zo vast ellendig ter dood geraaken, geen gevaar ontziende alles getroost;

295 onse volmaaktheid, die daarin bestaat dat wij altijd verder en verder moeten trachten te geraaken;

300 even als dan zoude dien Bijl afgeraaken van haar eijnde en geen Bijl meer zijn;

302 >.. tot ons opperste heijl konnen geraaken en van de kwaade passien vrij zijn?];

302 [tot onze welstand]. konnen geraaken;

346 daar toe konnen geraaken;

372 tot de kennisse Gods konnen geraaken;

378 verhinderen om tot onse volmaaktheit te geraaken;

379 en gevolglijk de liefde van God konnen geraaken;

379 wij tot onse gelukzalingzaligheid moeten geraaken;

408 ende houde ik mij verzekert dat gij zult geraaken tot het genieten van de vruchten dezes;

GERINGE (poor);

8xB: Ick Paulus,.., die tegenwoordigh zijnde wel geringh ben onder u, maer afwesende stout ben tegen u, 2Cor.10,1;

tenu*, exigu* ~E;

124 toestaan, dat zij een zeer kleene en geringe kennisse van God hebben;

*GERUST;

*GERUSTHEID 3x;

*GESCHIEDEN 6x+6n+m; geschied 14x+m;

GESCHIKT;

GESCHIL (quarrel) 2x;

7xB: Indien daer geschil is over een woort, ende namen, ende over de wet die onder u is, soo sult gy selve toesien, Hand.18,15;

controversi* 3xE;

096 Dog nu valt wederom het geschil namentlijk, of God al dat welk in zijn;

101 Nu valt dan voorder het geschil namelijk of God, schoon alle dingen;

*GESLACHT 10x+2n; geslagt 21x;

GESTADIG (steady) 2n;

6xB: Een sotten soon is sijnen vader groote elende: ende de kijvagien eener vrouwe als een gestadigh druypen, Spreuk.19:13;

semper 45xE; perpetuo ~E;

146 zo zal de ziel en't lichaam zijn gelijk het onze nu is, zijnde wel gestadig verandering onderworpen, maar niet zo groot dat ze buijten de palen van 1. tot 3. gaat;.. en deze verandering. en kan niet zijn zonder dat de ziel die als dan gestadig verandert, deze verandering gewaar word;

213 [zo]als wij van onse goede Conscientie zelve gestadig geleerd en vermaand werden;

*GESTALTE 13x+n;

GETAL (number) 2x; getaal; getallen 2x;

numer* 21xE;

154 als men in de Regul van drien het twede getal met het derde vermenigvuldight;

154 dat men als dan een vierde getaal uijt vind dat de zelvde gelijkmatigheid;

176 uijt vinden een vierde getal dat met het derde overeenkomt gelijk;

156 [volgens de e]igenschap van de gelijkmatigheid in deze getallen het alzo en niet anders heeft konnen zijn;

176 zeggen dat de vier getallen moeten even gelijkmatig zijn;

GETROOST: getroost zijn (bear);

122xB(~getroost zijn): Toen verlangde de ziel van den koning David zeer om naar Absalom uit te trekken; want hij had zich getroost over Amnon, dat hij dood was, 2Sam.13:39;

confid* ~E;

228 De Verwaantheid is't die ons doet dingen ter hand neemen, die regelregt tegen ons verderf strekken gelijk men ziet in alle die die gewaant hebben en wanen, met God wonder wel te staan, en door de selve vuur en water braveren en zo vast ellendig ter dood geraaken, geen gevaar ontziende alles getroost zijnde;

GEVAAR (danger);

12xB: Wy en zijn niet alleen in gevaer, dat dit deel in verachtinge kome, maer dat oock enz., Hand.19:27;

pericul* 15xE;

228 ellendig ter dood geraaken, geen gevaar ontziende alles getroost zijnde;

*GEVAL; gevalle;

GEVEN 15x+4n+2m; geeft 7x+n+m; geeven 2x; geevt; gegeven 6x; gevende;

GEVOEGLIJK (decently);

1xB: Maar zo iemand acht, dat hij ongevoegelijk handelt met zijn maagd, indien zij over den jeugdigen tijd gaat, en het alzo moet geschieden; die doe wat hij wil, hij zondigt niet; dat zij trouwen, 1Cor.8:36;

347 n Want wie en ziet niet hoe gevoeglijk wij onder de waan de zonde, onder het gelove de wet die de sonde aanwijst en onder de waare kennisse de genade die ons van de zonde vrij maakt, konnen verstaan;

*GEVOEL 4x+3n; *gevoelen 6x+2n; gevoeld; gevoelen 6x+2n;

GEVOLG 7x+n+7m; gevolglijk 4x+2n+m; bijgevolg;

*GEWAARWORDEN 19x+9n+4m; gewaarwording 3x; gewaarwordende;

GEWELD (power): geweldelijker; geweldig n;

155xB: Soo hooge de hemel is boven de aerde, is sijne goedertierenheyt geweldigh over de gene die hem vreesen, Ps.103:11;

violen* ~E;

203 Wat dan kander anders volgen, als dat ze op niemand geweldelijker zal konnen uijtstorten als op den Here onse God;

147n Maar zo andere lichame zoo geweldig op het onse werken, dat de proportie van beweginge van 1. tot 3. niet kan blijven, dat is de dood en een vernietiging der Ziele;

GEWICHT (importance): gewigt m; gewigts m;

53xB: Want onse lichte verdruckinge, die seer haest voorby gaet, werckt ons een gantsch seer uytnemend eeuwigh gewichte der heerlickheyt, 2Cor.4:17;

pond* ~E; magni moment* ~E; vis 15xE;

386 >Het besluijt van dit geheel werk zal dan zijn de verhandeling van de menschelijke vrijheid, een zaake van zeer groot gewigt en van de onsterfelijkheid van de ziele, van niet min gewigts, alles in korthoudige stellinge vervattet.];

GEWOON (use) 3x+m; gewoonlijk; gewoonte;

Ende op het feest was de Stadthouder gewoon den volcke eenen gevangenen los te laten, Matth.27:1;

consuev* 10xE; sole* 51xE;

091 Aangezien men dan gewoon is de werkende oorzaak in agt deelen te [delen];

172 het zelve als een onfeijlbaar dink gewoon zijn te houden;

230 en een voor een na onse gewoonte voorneemen;

316 Want anderzins gewoonlijk zijn ons de redenen wel bekend;

317 Loopen aan het lichaam zoo veel meer als gewoone beweginge gevende;

374 er zodanige duijvelen als de menschen gewoon zijn te stellen niet en zijn;

*GEZEG;

GIERIGHEID (avarice) 2x;

*gierig* 46xB: Maar hoererij en alle onreinigheid, of gierigheid, laat ook onder u niet genoemd worden, gelijkerwijs het den heiligen betaamt, Ef.5:3;

avarit* 8xE;

396 leer beminnen de wellusten, de eere, de gierigheid en ik zelve of ik bemin die ook of ik;

254 maar alleen voortkomende door of gierigheid of een al te groote liefde tot zich zel[ve];

GIJ 49x+9n; u 25x+n; uw 3x; uwe 8x+n;

GISSEN

*GOD 231x+23n+32m; *goddelijk 4x+n+3m; *goddelijkheid; * goddeloos: * godgeleerde; aldergodlooste; Gode; Gods 27x+2n+3m; Godt;

*GODSDIENST 3x;

GOED 15+m; alderbeste 3x; aldergoetste; best 2x+2m; beste 5x+2n+3m; beter 25x+3n+7m; beters 2x; goedt 2x; goet 103x+8n+23m; goets 3x;

GOEDHEID (goodness) n; goetheid;

bonit* ~E;

023 [het eerste is tegen de almachigheid] het tweede tegen de goedheid;

140 Maar goet en kwaad (als exemp. gr. de goetheid van Petrus en de Kwaadheid van Judas);

*GRAAD: graaden; graden 2x;

*GRAMSCHAP +m;

GRIJPEN; * begrijpen;

*GROND 2x+2m; *gronden: *grondig; *grondregel 3x; gegrond; grondregel; grondvest;

GROOT (great) 5x+5n+4m; groote 11x; grooter 5x+m; grootheid; groots 4x; grootste 2x; groter 3x;

GROOTHEID;

134 Een werk waarlijk zoo groot als de grootheid des werkmeesters betaamde;

*GUNNEN 2x;

*GUNST 2x.