I

Vocabulaire A B C D E F G H I K L M N O P R S T U V W Z

*IDEE: Idea 54x(+44xn)+4m; Ideen 7x(+2xn)+m Ideas 6xn; Ideatum;Ideen 2xn;

IEDER (each) 17x+7n; ijder 6x+m;

IEGELIJK: yegelijke (every) 1n; ijgelijke;

321xB: Een liefken,.. voor yegelicken manne, Richt.5:30; En gelooft niet eenen yegelicken geeste, 1Joh.4:1;

326 n maar een yegelijke andere zelfstandigheid zoude zulks zoo ze voorkwam, konnen veroorzaaken;

432 niet alleen de Ideen welke ontstaan uijt de lichaamelijke wijzingen, maar ook die welke ontstaan uijt de wezentlijkheid van een ijgelijke wijzing van de overige eijgenschappen;

IEMAND 27x+n+2m; iemant 4x; jemand (pron.indef.);

IETS 95x+14n+3m; iet 26x+6n+2m;

IJDEL (idle) 2x+m; *ijdelheid; 146xB;

vacuum 4xE: Et profecto non minus absurdum est ponere quod substantia corporea ex corporibus sive partibus componatur quam quod corpus ex superficiebus, superficies ex lineis, lineae denique ex punctis componantur. Atque hoc omnes qui claram rationem infallibilem esse sciunt, fateri debent et imprimis ii qui negant dari vacuum. Nam si substantia corporea ita posset dividi ut ejus partes realiter distinctae essent, cur ergo una pars non posset annihilari manentibus reliquis ut ante inter se connexis? et cur omnes ita aptari debent ne detur vacuum? Sane rerum quae realiter ab invicem distinctae sunt, una sine alia esse et in suo statu manere potest. Cum igitur vacuum in natura non detur (de quo alias) sed omnes partes ita concurrere debent ne detur vacuum, sequitur hinc etiam easdem non posse realiter distingui hoc est substantiam corpoream quatenus substantia est, non posse dividi, 1,15s;

049 als gij de heele uijtgebreidheijd deeld, dat deel dat gij met U verstand van haar afsnijd, kont gij ook na de natuur van alle deelen daar van afscheide; dat dan gedaan zijnde, vraag ik: wat iss'er tusschen dit afgesneede deel en de rest? Gij moet zeggen, of een ijdel of een ander lichaam of dat van de uijtgebreidheijd selve; daar is geen vierde. Niet het eerste, want daar is geen ijdel, dat stellig en geen lighaam is;

IJZER (iron); 54xB;

ferr* ~E;

436 met het slaan van met een hout of ijzer op een zelve hand);

IK 111x+22n; mij 30x+10n+2m; mijn 10x+5n (pron.pers.1 pers.);

IMMEDIATE;

IMMERS (anyway) 9x;

37xB: Immers is Godt Israel goet, Ps.73:1;

vero 31xE;

065 die deze twee toebehooren; het welk immers in een geheel buijten' t welk geen ding;

097 en dat deze zaake niet en waar, zo zoude immers het heil en de volmaaktheid;

099 en dit zo zijnde, zo kan hij immers wel maaken dat het kwaad goet werdt;

103 als die nu zijn, gemaakt hadde, zo moet immers volgen, dat hij t' eeniger tijd;

112 niet en is met dit iet, zo moeten wij immers de oorzaak buijten haar zoeken;

198 Soo is hij dan immers wel *ellendig, die met eenige vergankel[ijke dingen];

265 de alderklaarste te zijn, zo en kanner immers geen andere klaarheid wezen;

325 als nu het lichaam wel doet. Want immers en zoude het niet anders konnen zijn;

338 ondervinden wij moede te zijn, het welke immers niet anders is als een stilte in de gee[sten];

*IMPULSUS;

IN 524x+114 n+77m;

INBEELDEN;

*INBLIJVEN: inblijvende 10x;

INDACHTIG maken (remember);

15xB: Petrus sulcks indachtigh geworden zijnde, Marc.11:21; Ende sij wierden indachtigh sijner woorden, Luc.24:8;

memor ~E;

229 niet meer te zeggen als ons wel indachtig te maaken het geene wij hier te vooren;

INDERDAAD (actually); 1xB;

realiter 5xE;

428 de van het wezen eenes voorwerps't welk inderdaad in de Natuur wezentlijk is. Ik zeg van;

INDIEN 51x+2n;

INDIRECTE;

indirecte 1xE: Cupiditate quae ex ratione oritur, bonum directe sequimur et malum indirecte fugimus, 4,63c;

339 [oo]rzaake is van deze stilte, doch niet als indirecte;

INFINITUM 2x;

infinitum 43xE;

034 de oorzaak van die oorzaak et sic in infinitum, zodat, Indien wij noodzaaklijk ergens;

111 ook gebeurlijk is, et sic in infinitum;

*INNERLIJK 10x;

INTEGENDEEL;

*INZICHT: inzigt;

INZIEN;

JA 8x+4n;

295xB: En hij zeide : O, HEERE, God onzer vaderen, zijt Gij niet de God in den hemel? Ja, Gij zijt de Heerser over alle koninkrijken der heidenen; en in Uw hand is kracht en sterkte, zodat niemand zich tegen U stellen kan, 2Kron.20:6;

imo 6xE;

019 van agteren bewijzen kan dat God is. Ja nog beter a priori;

049 Zo gij nog al Ja zegt, zegt mij dan;

097 uijt een oorzaak in hem, of uijt geen. Ja, dan is't noodzaakelijk dat hij;

245 Indien Ja zodanig, zo betonen zij daarmede;

320 maar alleen door hem zelfs kennen en moeten kennen, gelijk wij dat mede nu alvoorens gezeijd hebben. Jaa ook beter als ons zelfs kennen wij hem, dewijl wij zonder hem ons zelfs geenzins en konnen kennen;

378 hebben wij niet alleen willen te kennen geven, dat'er geen Duijvelen zijn, Jaa maar ook dat de oorzaaken of om;

382 Ja maar wat konnen ons die God niet en ken[nen];

*JALOUSIE 2x;

JEHOVA;

Na de voleyndinge van het werck der scheppinge, wort hier allereerst Gode de naem van Jehovah gegeven, beteeckenende enz., Kantt. op Gen.2,4;

~E;

369 aan de Israeliten gezeid hebben Ik ben Jehova uwe God, zo mosten zij dan al te vooren;

JOOD;

JUDAS;

JUIST (just);

1xB: volgens diezelfde woorden; hebben wij juist geweten, dat hij zeggen zou, Gen.43:7;

sane 25xE;

163 Dit is juijst niet te verstaan dat altijd voor de verwondering een formeel besluijt moet gaan;