K

Vocabulaire A B C D E F G H I K L M N O P R S T U V W Z

KAMER (room) 3x; 29xB;

cenacul*, cubicul*, camer* ~E;

087 Z Als bij voorbeeld: ik wil in zeeker kamer ligt hebben; Ik steek het op en dit verligt door zig zelfs de kamer, oft'ik doe een venster open, welke opening wel niet zelfs het ligt maakt, maar nogtans te weege brengd, dat het ligt in de kamer kan komen. en alzo word ook tot de beweeging van een lighaam een ander lichaam vereijscht;

KASTIJDEN: castijden (chasten);

36xB; Want de HEERE kastijdt dengene, dien Hij liefheeft, ja, gelijk een vader den zoon, in denwelken hij een welbehagen heeft, Spr.3:12;

castig* ~E;

pun* 4xE;

206 genoodzaakt sijn knecht tot betering te castijden

* KENNEN 45x+7n+11m; gekend 5x+5n+3m; gekent 4x; kend 7x+2m; kenden; kendt m; kenne 2x; kennende 2x+6m; kent 2x; *bekennen, *ontkennen; *kennis 3x+3m; kennisse 65x+14n+16m; *kennelijk 3x;

KEREN; keerd; omkeren; omkerende; wederkeer;

41xB (omkeren): Het quam tot aen de tente, ende sloeghse, datse viel, ende keerdese om het onderste boven, dat de tente daer lagh, Richt.7:13; 136xB (wederkeren): Als uw zusters, Sodom en haar dochteren, zullen wederkeren tot haar vorigen staat, mitsgaders Samaria en haar dochteren zullen wederkeren tot haar vorigen staat, zult gij ook en uw dochteren wederkeren tot uw vorigen staat Ez.16:55;

*vert* 7xE (ut eo unde digressus sum revertar);

068 en alzo keer ik mij andermaal tot de Reeden;

166 Doch soo wanneer het komt te gebeuren dat hij,..iets beter als dit nu bekende goet komt te kennen, zo keerd terstond sijne liefde van het eene eerste tot het ander tweede;

234 zo konnen wij ook de zelve omkerende, beschrijven op een ontkennende wijse;

436 en wederom indien de verandering welke geschied in een deel, een oorzaak zij dat ze wederkeer tot haar eerste proportie, hier uijt ontstaat de blijdschap die wij ruste, vermakelijke oeffening en vrolijkheid noemen;

KETEN (chain);

46xB (concrete only): Want hij was menigmaal met boeien en ketenen gebonden geweest, en de ketenen waren van hem in stukken getrokken, en de boeien verbrijzeld, en niemand was machtig om hem te temmen, Marc.5:4;

concaten* 20xE;

384 een waare vrijheid is met de lieffelijke ketenen van sijne liefde geboeijdt te zijn;

KEUREN (judge); keurt; 11xB;

judic* 34xE;

256 Zij geevt ons haar onvolmaaktheid also te kennen, dat wij haar maar beschouwende, de zelve terstond kwaad keuren;

271 De Begeerte hebben wij gezeid die nijginge te zijn die de Ziele heeft tot iets 't geen zij als goet keurt; zo dat dan daaruijt volgt, dat eer onse begeerte zich uijterlijk tot iets uijtstrekt, in ons alvoorens een besluijt is gegaan van dat zulk iet goet is, welke bevestiging dan of algemeen genomen de magt van bevestigen en ontkennen, de *Wille genoemt word;

KIEZEN;

KIND (child) (+n); kinderen 2x;

infan* 11xE;

145 een ongeboren kind zijnde en in gevolge daarna;

167 Deze dan bespeuren wij gemeenlijk in de kinderen tot hun vader;

248 door onkunde van schaamte gelijk in de kinderen, wilde menschen etc;

290 ons verbeelden een kind dat voor de eerste maal tot het gewaar;

KITTELEN (tickle);

1xB: Want er zal een tijd zijn, wanneer zij de gezonde leer niet zullen verdragen; maar kittelachtig zijnde van gehoor, zullen zij zichzelven leraars opgaderen, naar hun eigen begeerlijkheden, 2Tim.4:3;

titill* 7xE: Sed notandum titillationem et dolorem ad hominem referri quando una ejus pars prae reliquis est affecta, 3,11s; Caeterum definitiones hilaritatis, titillationis, melancholiae et doloris omitto quia ad corpus potissimum referuntur et non nisi laetitiae aut tristitiae sunt species, defaff3expl;

323 n als dat men in droefheid iemand kan doen lachen, doen verheugen door kittelen, wijn drinken enz;

*KLAAR 33x+9n+4m; klaare(n) 4x+4m; klaarder 6x; klare 3x+2m; klaarste; klaarblijkelijk; klaarheid 3x+m; klaarlijk 14x+n+m;

KLAPPEN (slander): geklapt;

8xB: Die in de poort zitten, klappen van mij; en ik ben een snarenspel dergenen, die sterken drank drinken, Ps.69:12;

nugat* 1xE;

154 alzo alles wat hij daarvan ook zoude mogen gezeijd hebben, daarvan geklapt als de papegaaij van't geen men hem geleert heeft;

KLEDEN (dress); kleed 3x; 348xB;

vest* ~E;

250 zo iemand zig kostelijk kleed om daardoor geacht te zijn, deze zoekt een Eere die uijt de liefde sijns zelfs hervoorkomt zonder enige opzigt op zijn even mensch te hebben; maar zo iemand sijn wijsheid (daar door hij aan zijn eeven naasten konde vorderlijk zijn) ziet verachten en met de voet treden, omdat hij een slecht kleed an heeft, deze doet wel dat hij (uijt beweging om haar te helpen) zich met een kleed daar aan zij haar niet en stooten, verziet, wordende also om sijn even mensch te winnen, sijn even mensch gelijk;

KLEIN (small): kleins 2x; kleene; kleijnder; verkleininge;

263xB: Verder hebt gij uw zonen en uw dochteren, die gij Mij gebaard hadt, genomen, en hebt ze denzelven geofferd om te verteren; is het wat kleins van uw hoererijen, Ez.16:20; Als Mozes zag, dat het volk ontbloot was, (want Aaron had het ontbloot tot verkleining onder degenen, die tegen hen hadden mogen opstaan), Ex.32:25;

parv* 3xE;

047 dat ze deelen heeft, aangezien ze noch kleijnder noch grooter kan worden;

098 Hetwelk zommige voor laster en verkleininge Gods achten;

220 in opzicht van iets groots off kleins als dat wij eenige zaake kennen, het zij dit groots of kleins in ons of buijten ons is;

KLIMMEN;

*KLOEKMOEDIGHEID +m;

*KNAGING 4x+2m;

KNECHT (servant) 3x;

984xB (+toorn): En het geschiedde, als zijn heer de woorden zijner huisvrouw hoorde, die zij tot hem sprak, zeggende: Naar deze zelfde woorden heeft mij uw knecht gedaan, zo ontstak zijn toorn. Gen.39:19; Verberg Uw aangezicht niet voor mij, keer Uw knecht niet af in toorn; Gij zijt mijn Hulp geweest, begeef mij niet, en verlaat mij niet, o God mijns heils! Ps.27:9; Toen naderde Juda tot hem, en zeide: Och, mijn heer! laat toch uw knecht een woord spreken voor mijns heren oren, en laat uw toorn tegen uw knecht niet ontsteken; want gij zijt even gelijk Farao! Gen.44:18;

servum 1xE;

206 Met passien, gelijk men gemeen ziet aan de Heeren tegen haare knechten die iets misdaan hebben, dat doorgaans dan niet sonder toorne en geschied. Zonder passien, gelijkmen segt van Socrates, die als hij was genoodzaakt sijn knecht tot betering te castijden, sulks als dan niet en heeft gedaan, zo wanneer hij ondervond in zijn gemoed tegen deze sijne knecht ontsteld te zijn;

KNOPEN;

KOE (cow); 9xB;

vacc* iuvenc* ~E;

162 maar een koe komende te vermissen en genoodzaakt;

KOMEN 58x+10n+6m; *hervoorkomen; *voortkomen; overeenkomen; aangekomen; aankomt, aankomende n; bekomen 8x+m; bekomt 2x; gekomen 4x; gekoomen; komende 4x; komt 59x+20m; koomen; kwaamen; kwam +n+m; overkomen; overkomt; toekomen; toekomende 2x; uijtkomst;

KORT (short) 3x; kortelijk 5x+n; korthoudig m; verkorten;

12xB (1x kortelijk): Maar opdat ik u niet lang ophoude, ik bid u, dat gij ons, naar uw bescheidenheid, kortelijk hoort, Hand.24:4;

brev* 6xE (5x breviter);

121 maar wij zullen alleen kortelijk onderzoeken wat de Philosophi ons;

133 eer wij voortgaan tot iets anders, kortelijk gheel de Natuur schiften;

137 Om nu eens kortelijk te zeggen, wat dat in zig zelfs goet;

180 eer wij daar toe komen, laat ons eens kort voor af zeggen wat daar is het Kwaad;

242 zullen wij voor tegenwoordig doch kortelijk spreeken];

248 zullen wij nu mede kortelijk spreeken;

250 maar ook hetzelve [=eer +schaamte] mogen doen met verkortinge van onse (anderzins volkomen en geoorlofde) eigen vrijheid;

274 Maar alleen zal ik toonen kortelijk, dat de Vrijheid van de Wil geensins;

363 en om kortelijk hier af iets te zeggen;

374 zullen wij nu kortelijk iets zeggen en dat aldus;

386 Het besluijt van dit geheel werk zal dan zijn de verhandeling van de menschelijke vrijheid, een zaake van zeer groot gewigt en van de onsterfelijkheid van de ziele, van niet min gewigts, alles in korthoudige stellinge vervattet];

386 om van dit werk een eijnde te maaken kortelijk aan te wijzen welke daar zij de;

KOSTELIJK (precious) 1x;

52xB: Daarna nam Rebekka de kostelijke klederen van Ezau, haar grootsten zoon, die zij bij zich in huis had, en zij trok ze Jakob, haar kleinsten zoon, aan, Gen.27:15;

pretios* ~E;

250 zo iemand zig kostelijk kleed om daardoor geacht te zijn;

KOUDE (cold); 18xB;

frigidum 1xE;

435 Als e.g. zo de stilte zig komt te vermeerderen en de beweging te verminderen, zo word daar door veroorzaakt de pijne of droefheid die wij koude noemen;

*KRACHT 3x+3n+m; kragt 3x; kraght;

*KRACHTIG +2n; kragtelijk;

KREUPEL (cripple);

26xB: Den blinden was ik tot ogen, en den kreupelen was ik tot voeten, Job 29:15;

prav* 2xE;

197 aangezien zij zelve swak zijn en d'eene kreupele d'ander niet kan draagen;

KRIJGEN (obtain) 2x; krijgt 8x+n; verkrijgen 2x; verkregen 2x; verkrijgt; verkrijg* 20xB;

obtin* 4xE; accip* 5xE;

073 Z Dogh 't en zal u om door dat middel [sc.dubbelzinnig taalgebruik] de Liefde tot U te krijgen, niet gelukken;

153 Deze begrippen dan verkrijgen wij [(1)] of enkelijk door geloof (welk geloof hervoortkomt of door ondervinding of door hooren zeggen) [(2)] of ook ten anderen wij bekomen die door een waar geloof [(3)] of ten derden wij hebben het door klare en onderscheide bevatting;

172 dat het goet is, krijgt lust en trek tot het selve;

232 zoude konnen geschieden, daar uijt krijgt de ziele zo een gestalte die wij hope;

235 en wij daaraf geen besluijten maaken, zo krijgt de ziel een gestalte die wij wankelmoed[igheid noemen];

236 een sorge die men heeft, om iets dat nu verkregen is, alleen te mogen genieten en behoude;

238 Als bij exempel, als iemand het gene hij nog te verwagten heeft, goet waant te zijn, zo krijgt hij die gestalte in zijn ziele die wij Hoope noemen: en van dat gewaande goet verzekerd zijnde, zo krijgt de ziele die gerustheid die wij verzekerdheid noemen;

252 Te doen zeg ik, als wij zelve eenig goet verkregen of ontfangen hebben;

268 datze andere wijze van denken krijgt, die zij te vooren niet en hadde;

285 is een gestalte in de ziele om iets te verkrijgen of te doen ten opzigt van goet of kwaad;

290 Ik houde het [=kind] een Belletie voor het welke in sijn ooren een aangenaam geluijd maakende, daar door lust tot hetzelve krijgt: Ziet nu eens of het wel soude konnen laaten deze lust off begeerte te krijgen >Dat de lust noodzakelijk is.];

331 de ziele gewaar wordende verkwikking krijgt bestaande daar in;

399 Dat het namelijk is een vaste wezentlijkheid de welke ons verstand door de onmiddelijke vereeniginge met God verkrijgt om en in zich zelve te konnen voortbrengen denkbeelden en buijten zig zelve gevroghten, met sijn natuur wel overeen komende zonder nochtans dat noch zijne gevroghten aan eenige uijtterlijke oorzaaken onderworpen zijn om door dezelve te konnen of veranderd of verwisseld worden;

KUNDIGHEID; (entelechy); ~B;

potenti* 194xE;

071 gij schijnt, te willen dat het geheel iets zoude zijn buijten of zonder zijn deelen, dat voorwaar ongerijmt is. Want alle Philosophen zeggen eenparig, dat het geheel is een tweede kundigheid en dat in de Natuur buijten het menschelijk begrip geen zaake en is;

KUNNEN; kan'er 2x; kan 81x+42n+23m; kander 2x; kanmen; kanner 2x; kant 2x; kanze; kond'se; kond 2x; konde 8x; kondemen; konden; konnen 186x+33n+30m; konnende 3x+m; kont; mag 5x+2m; mochten; mogen 12x+n+m; moght 3x;

KUNST (art);

*kunst* 44xB: En de stem der citerspelers, en der zangers, en der fluiters, en der bazuiners, zal niet meer in u gehoord worden; en geen kunstenaar van enige kunst zal meer in u gevonden worden; en geen geluid des molens zal in u meer gehoord worden, Op.18:22;

dialectic* ~E; logic* 1xE: Quomodo autem et qua via debeat intellectus perfici et qua deinde arte corpus sit curandum ut possit suo officio recte fungi, huc non pertinet; hoc enim ad medicinam, illud autem ad logicam spectat, 5praef;

128 Even wel alschoon alle de Logici dit toestaan, ik en weet niet van waar;

129 zo zullen wij volgens de ware Logicam andere wetten van beschrijvinge;

156 Doch een (4)vierde, hebbende de alderklaarste kennisse, die heeft niet van doen noch horen zeggen, noch ondervinding, noch kunst van reden dewijle hij door sijne deurzigtigheid terstond de gelijkmatigheid en alle de rekeningen ziet;

KWAAD 66x+6n+23m; kwade 5x+m; kwaade 2x+2m; kwaat 5x; kwaadheid;

KWAAL (affliction);

2xB: En terstond is de fontein haars bloeds opgedroogd, en zij gevoelde aan haar lichaam, dat zij van die kwaal genezen was, Mc.5:29;

afflict* 2xE;

172 gelijk gezien word in een zieke die alleen door hooren zeggen van den Doctor, dat zo of zo een remedie voor zijn kwaale goet is;

KWANSUIS (quasi): kwansuijs; ~B;

quasi 13xE;

019 namentlijk dat God a priori niet en zoude konnen beweezen worden, om dat hij kwansuijs geen oorzaak heeft;

KWEKEN (grow); opkweken; opkweekend +m; ~B;

gign* 2xE;

213 tot die volmaakten stand trachten op te kweeken;

217 Want't is zottelijk een verlooren goedt door een zelfs begeerende en opkweekend kwaad te willen herstellen en verbeteren >En 't is zottelijk een verloren goet door een opkweekende kwaad te herstellen.

KWETSEN: gekwetst;

Gelijk iemand van een steen of mes gekwest zijnde daarom van't zelve geen afkerigheid heeft.

KWIJT (quit): kwijd; 4xB;

solv* ~E;

217 Derhalven is nodig dat wij ons van de selve ontslaan. 't Welk wij doen konnen met te denken op middelen van het verloorne weder te bekomen, zo het in onse macht is. Zo niet, dat het evenwel nodig is ons die kwijd te maaken.