Vocabulaire A B C D E F G H I K L M N O P R S T U V W Z
1xB: Want de lichamelijke oefening is tot weinig nut; maar de godzaligheid is tot alle dingen nut, hebbende de belofte des tegenwoordigen en des toekomenden levens. 1Tim.4:8;
exercitatoriis 1xE: Viri inquam sapientis est moderato et suavi cibo et potu se reficere et recreare ut et odoribus, plantarum virentium amaenitate, ornatu, musica, ludis exercitatoriis, theatris et aliis hujusmodi quibus unusquisque absque ullo alterius damno uti potest, 3,45s;
436 blijdschap die wij ruste, vermakelijke oeffening en vrolijkheid noemen;
OF 333x+53n+36m; off 27x+m; ofte 13x; offer 5x+2m;
29xB: Wy sullen alle verandert worden: In een punct des tijts, in eenen oogenblick, 1Cor.15:52; (Hy) toonde,.. hem alle de Koninckrijcken der werelt, in eenen oogenblick tijts, Luc.4:5;
punct* 2xE; moment* 4xE: sic etiam objecta quorum existendi tempus longiore a praesenti intervallo abesse imaginamur quam quod distincte imaginari solemus , omnia aeque longe a praesenti distare imaginamur et ad unum quasi temporis momentum referimus, 4d6;
040 en alles konde in een ogenblik voortgebracht hebben;
275 en dat anders zins de zaake niet een ogenblick soude konnen bestaan;
276 door welke zij de minste ogenblik zoude konnen bestaan of duuren;
376 Doch laat ons eens zien of ook zo een ellendig dink [=duivel] wel een eenig oogenblik zoude konnen bestaan >Want hij zoude geen ogenblik konnen bestaan.];
OM 173x+20n+17m; hierom; daarom;
OMDAT 70x+11n+14m;
OMSTANDIGHEID: omstandigheeden (circumstances) 2x; ~B;
caus* ca. 370xE;
076 Z dewelke God (zonder eenige omstandigheeden als alleen zijne wezentlijkheid) onmiddelijk heeft voort gebragt;
084 Z die hij onmiddelijke zonder eenige meer omstandigheeden als alleen sijne eijgenschappen heeft voortgebragt;
113xB: De geheele stadt was by een vergadert ontrent de deure, Marc.1:33; Een seker Samaritaen reysende quam ontrent hem, Luc.10:33;
secus 1xE;
331 dat de geesten zig omtrent het hart voegen;
400 wel zorge te draagen omtrent het gemeen maaken van deze dingen;
*ONBEKEND +m;
bekwamelijk ((in)capable);
*bekwa* 6xB (3x bekwamelijk): En zij, dat horende, waren verblijd, en beloofden hem geld te geven; en hij zocht, hoe hij Hem bekwamelijk overleveren zou, Mc.14:11; Alsoo wort dese verderflicke leere bequamelick by hagel ende vyer vergeleken, die het aerdtrijck doet verdorren, Kantt.op Openb.8,7;
(im)perit* ~E; idonae* ~E;
180 Om dit dan mede bekwamelijk te doen >En hoe dat zulks gedaan word.];
216 Doch 't is zeker dat zo lang als wij bedroevt zijn, wij ons zelven onbekwaam maaken tot zulks [=bevordering en verbetering] te doen;
*ONBEPAALD 4x+7n;
5xB (*schroom*): Maar voor wien hebt gij geschroomd of gevreesd? Want gij hebt gelogen, en zijt Mijner niet gedachtig geweest, gij hebt Mij op uw hart niet gelegd; is het niet, om dat Ik zwijg, en dat van ouds af, en gij vreest Mij niet? Jes.57:11;
aperte 2xE; simpliciter 4xE;
337 zo stellen wij onbeschroomt dat sijn ziel niet anders is als deze Idea van dit zijn lichaam in de denkende zaak;
*ONDANKBAARHEID 2x+m;
ONDER 21x+5n+4m;
*ONDERHOUDEN 4x;
11xB: Laet ons onse onderlinge byeenkomste niet nalaten, Hebr.10:25;
(ad) invicem 67xE;
153 Het tweede en derde alschoon die onderling verschillen, zoo en konnen die echter niet doolen;
ONDERORDENEN: geonderordend 2x;
~B(orde 40xB);
ordin* 16xE; subordinare ~E;
remonstrant terminology: De stelling belangende Godts wille, gaende voor 't geloove der menschen, en d'onderordening der genade, of (sive) de verscheide trappen der genadegiften, den menschen onder zekre voorwaerden voorgestelt, BRANDT,De Groot,1,114;
364 De goddelijke wetten zijn het laatste eijnde om het welke zij zijn en niet geonderordend; de menschelijke niet >Wanneer de goddelijke de menschelijke wetten vernietigen. De goddelijke wetten zijn haar zelfs laatste eijnde; de menschelijke niet en de reden waarom.],.. zoo kan nogtans dit haar eijnde [=van de menselijke wetten] (als zijnde geonderordend onder andere eijnde de welke een ander die boven haar is, beoogt en haar als deelen van de Natuur zijnde zoodanig laat werken) ook dienen ten eijnde het met die eeuwige wetten van God van eeuwigheid gesteld, te zamen loopt en zoo met alle andere alles helpt uijtwerken;
*ONDERSCHEID 10x+4n+5m; onderschijt m; onderscheide 8n;
*ONDERSCHEIDEN 17x+m; onderscheide; onderscheiden;
*ONDERVINDEN 8x; ondervond(en) 3x;
*ONDERVINDING7x+n+3m;
*ONDERWERP 3x;
*ONDERZOEK 4x;
*ONDERZOEKEN 13x+m; ondersoeken m;
*ONEINDELIJK 3x; oneijndelijk(e) 32x+n;
*ONEINDIG 6x; oneijndige 25x+16n;
~B (9x*feil*);
cert* 12xE;
172 gelijk datt gezien word in de practijk van de doctors die zeeker remedie eenige maalen goet gevonden hebbende, het zelve als een onfeijlbaar dink gewoon zijn te houden;
272 n Maar van de Waan verschilt zij [=ware geloof] ook hier in dat zij wel t'eeniger tijd zoude konnen onfeijlbaar en zeeker zijn; dat in de Waan die van gisse en meijne bestaat, geen plaats heeft;
~B (294x *geboren*);
innat* 2xE;
145 n Doch in andere proportie van beweginge en stilte was dit ons lichaam, een ongeboren kind zijnde en in gevolge daarna, en in andere zalt bestaan als wij dood zijn;
1xB: Als sy,.. sagen dat geen ongemack over hem en quam,,.. seyden (sy) dat hy een Godt was, Hand.28:6;
impediment* 2xE;
210 Maar de afkerigheid is die ontsteltenisse, die in ons is tegen een saak ontstaande uijt ongemak of leed, het welk wij of verstaan of waanen van natuure in de zelve te zijn;
*ONGERIJMD 3x;
*ONGERIJMDHEID 5x+2m;
9xB (onheilig);
mal* 53xE;
calamitas ~E;
193 Op twederleij wijzen isser macht om ons van de liefde te ontslaan: of door kennisse van een beter zaak, of door ondervinding dat de beminde zaak die voor wat groots ende heerlijke gehouden is, veel onheil en ramp met zig sleept >Op tweederleij wijse komt de lievde te vergaan of door de kennisse van een beter of door onheil en ramp die se mesleept.];
*ONLICHAAMELIJK 4x+m;
3xB(Klaagl.2): Als zij tot hun moeders zeggen: Waar is koren en wijn, als zij op de straten der stad in onmacht zinken, als de verslagenen; als zich hun ziel uitschudt in den schoot hunner moeders. Klaagl.2:12;
impotent* 40xE;
indig* 21xE;
225 en wederom, als wij ons gebrek en onmacht kennen, zo zien wij wat ons te vermijden staat;
ONMIDDELLIJK 28x+4n+4m; alderonmiddelijkste 2x+n +God; ~B; mediate; immediate;
ONMOGELIJK 31x+9n+4m;
2xB: Soodanigh een Hoogepriester betaemde ons, heyligh, onnoosel, onbesmet, afgescheyden van de sondaren, Hebr.7:26; Want uw gehoorzaamheid is tot kennis van allen gekomen. Ik verblijde mij dan uwenthalve; en ik wil, dat gij wijs zijt in het goede, doch onnozel in het kwade. Rom.16:19;
innocens ~E; simpl* 12xE;
382 Dit is alzo onnozel als of een vis woude zeggen (voor welke doch buijten het water geen leven is) bij aldien mij op dit leven in het water geen eeuwig leven en zoude komen te volgen, zo wil ik uijt het water na het land toe;
*ONSTERFELIJKHEID 2x+4m;
ONTBEREN (miss): ontbeeren; ontberende; ontbeering; ~B;
carere 3xE; defic*6xE; egere 4xE;
248 is niet anders als een ontbeering of uijtschudding van schaamte;
339 zo veel stilte hebben moeten ontbeeren als zij aan de geesten hadden mede gede[elt];
356 Want het lichaam zijnde het fondament van haar liefde ontberende, moet zij mede te niet gaan;
ONTBREKEN (lack): ont/gebreeken 2x; ontbreekt 2x; ontbrak n; gebrek 2x;
13xB (ontbreken);
63xB (gebrek): maer dese heeft van haer gebreck alle den leeftocht die sy hadde, daer in geworpen, Luc.21:4; De Heere is mijn Herder, my en sal niets ontbreken, Ps. 23, 1; Een dingh ontbreeckt u: verkoopt alles wat gy hebt enz., Luc. 18, 22;
defic* 6xE;
023 omdat het hem aan de magt of aan de wil ontbrak;
057 en dit zo zijnde, zo en kan haar niets ontbreeken om voort te brengen alles wat;
065 zo ontbreeken hem dan alle de eigenschappen die;
098 Want het goet doen of volmaaktheid te konnen laten in het geene hij uijtwerkt, en kan in hem [=God] geen plaats hebben als door gebrek;
170 in de lust of trek van't geene men ontbreekt te bekomen;
225 en wederom, als wij ons gebrek en onmacht kennen, zo zien wij;
240 en nogtans door sijn wankelmoedigheid of flaaumoedigheid de moed die tot de uijtvoeringe vereischt komt te gebreeken;
243 om het verstand altijd wel te gebruijken ontbreekt ) afdwaalen;
256 dat het kwaad is zig zelve te verbinden en vast te maaken aan dingen die ons lichtelijk of ooijt konnen komen te gebreeken;
*ONTKENNEN 15x+n;
*ONTKENNING 7x;
ONTKNOPEN (unravel): ontknoopen; ~B;
exsolv* ~E;
128 Nodig zal het dan nu zijn, dat wij haar schijnredenen waarmede zij haar onwetenheid van gods kennis tragten te verschoonen, ontknoopen;
6xB: En gelijk het volk, alzo zal de priester wezen; gelijk de knecht, alzo zijn heer; gelijk de dienstmaagd, alzo haar vrouw; gelijk de koper, alzo de verkoper; gelijk de lener, alzo de ontlener; gelijk de woekeraar, alzo die, van welken hij woeker ontv[angt] Jes.24:2;
sum* 2xE;
095 Ten anderen als wij besluijten, dat God niet heeft konnen nalaten te doen 't geen hij gedaan heeft, zo ontleenen wij dat van sijne volmaaktheid, dewijle het in God te konnen nalaten 't geen hij doet, een onvolmaaktheid zoude zijn;
54xB: Ick,.. reyse na Jerusalem, niet wetende wat my daer ontmoeten sal, Hand.20:22;
obviis 1xE; occurr* 5xE;
408 Eijndelijk zo u in het doorleezen dezes eenige swaarigheid tegen 't geene ik voor vast stelle moght ontmoeten;
17xB; Om drie dingen ontroert zich de aarde, ja, om vier, die zij niet dragen kan: Spr.30:21; Mijn Liefste trok Zijn hand van het gat der deur; en mijn ingewand werd ontroerd om Zijnentwil. Hgl.5:4; Ik vertrouw van u in den Heere, dat gij niet anders zult gevoelen; maar die u ontroert, zal het oordeel dragen, wie hij ook zij. Gal.5:10;
4xE; commotio* 4xE;
189 en onvolmaaktheid in den mensch die deze ontroering onderworpen is;
327 en bij gevolg zoo zij ook het alder heerlijkste eens kan komen te kennen, het als dan onmogelijk zoude zijn dat enige van deze Passien in haar de minste ontroeringe zouden konnen veroorzaaken;
*ONTSTAAN 15x+7n+8m; ontstaat 8x; ontstaat 17x+6m;
*ONTSTELLEN; ontstelling m; ontsteltenisse 4x+3m;
*ONVERANDERLIJK 9x+2n;
ONVERBREKELIJK (inseparable) 2x;
30xB (verbreken: kruik, verbond);
insep* ~E; insolv* ~E;
237 de Verzekerdheid en Wanhoop in die onverbrekelijke ordre en gevolg van oorzaaken (dewijle daar alles onverbrekelijk en onvrikbaar is);
*ONVERGANKELIJK 5x+6m;
1xB: Want van binnen uyt het herte der menschen komen voort,.. Dieverijen, gierigheden,.., hoovaerdije, onverstant, Marc.7:22;
stultit* 2xE;
218 Uijt waan dan of onverstand komt de droevheid als gezeid is, voort ;
*ONVOLMAAKT 4x+2n+2m;
*ONVOLMAAKTHEID 21x+5m;
*ONWEDERSPREEKELIJK 4x;
ONWETEND (unknowing) 6x; onwetendheid;
21xB: Want alzo is het de wil van God, dat gij, weldoende, den mond stopt aan de onwetendheid der dwaze mensen, 1Petr.2:15; Ick en wil niet, broeders, dat gy onwetende zijt, dat onse vaders alle onder de wolcke waren, 1Cor.10:1;
inscien* ~E;
116 wij hebben dit met regt in haar voor een onwetenheid aangemerkt;
128 wij haar schijnredenen waarmede zij haar onwetenheid van gods kennis tragten te verschoonen;
169 Want wat is den hoop van alle deze onwetend d'een van d'anders godsdienst en zede;
189 Deze dan, dewijl die off uijt onwetenheid of vooroordeel komt te ontstaan;
380 als of men wilde dat iemand die onweetende is, eerst zijn onweetenheid soude moeten verlaten, aleer hij tot kennisse zoude konnen komen;
ONWRIKBAAR (unshakable): onvrikbare 2x+m; ~B;
stabil* ~E; immot*
237 En alhoewel de Verzekerdheid en Wanhoop in die onverbrekelijke ordre en gevolg van oorzaaken (dewijle daar alles onverbrekelijk en onvrikbaar is) plaatse scheijnd te hebben;
260 en daar om zo stellen wij voor een vaste en onvrikbare regul >Uijt de welke een vaste en onvrikbare regul komt te volgen en welke die is.], dat God is de eerste en eenige oorzaak van al ons goet en een vrijmaaker van al ons kwaad;
ocul* 7xE;
213 dat wij tegen woordig of voor onse oogen hebbende kennen;
290 (om ons eens leevendig voor oogen te stellen wat het zij van het eene tot;
367 en met God moet leeven, voor oogen hebben;
436 als ons met een stokje in de oogen of op de handen geslagen word);
*OOGMERK;
OOIT (ever): ooijt 5x+3n; 14xB;
umquam 4xE;
013 schoon ik of geen mensch ooijt om haar gedagt hadde;
029 en kan eigentlijk niet gezeid worden ooijt geschied te zijn en is maar om aan;
068 Want zo ik mij ooit met datgene't welk gij mij hebt aange[wezen];
212 dat wij heel geen haat ooijt tegen iemand en konnen hebben;
256 dingen die ons lichtelijk of ooijt konnen komen te gebreeken;
291 het alderbeste, dat hem ooijt is voorgekomen;
347 onder de welke het onmogelijk is dat wij ooijt hier af vrij gemaakt konnen worden;
408 maar alleen zo gij ooijt aanvangt die aan iemand gemeen te maaken;
OOK 222x+34n+32m;
aures 1xE: Et quae denique aures movent , strepitum , sonum vel harmoniam edere dicuntur quorum postremum homines adeo dementavit ut Deum etiam harmonia delectari crederent 1app;
290 een Belletie voor het welke in sijn ooren een aangenaam geluijd maakende;
OORDELEN n; geoordeeld; oordeel; ordeeld; ordeelen 2x; vooroordeel;
OORLOVEN (allow): geoorlofde; ~B;
licit* ~E;
250 maar ook hetzelve mogen doen met verkortinge van onse (anderzins volkomen en geoorlofde) eigen vrijheid;
2xB: Daer de wateren haren oorspronck nemen, bobbelen, wellen, ende sich ommewentelen, Job 8, Kantt. 28;
6xE (originem trahere, ducere 5x1app);
421 en hoe hij zijn oorsprong van het lichaam heeft;
423 als Lievde, Begeerte, Blijdschap haaren oorspronk van deze eerste onmiddelijke wijzing;
424 niet en kan eenige andere oorspronk hebben als van de Idea of het voorwerpe;
437 kan klaarlijk gezien worden den oorspronk van de klaare kennisse;
*OORZAAK 176 x+9n+9m; oorsaak 3m; oorzaake 4x; oorzaaken 23x+4m; oorzake; oorzaken 3x;
OP 88x+12n+14m;
OPEN (public); openbaar 7x; openbaren: geopenbaard; openbaard; opening 2x; opentlijk+n;
Het is openbaer, dat onse Heere uyt Juda gesproten is, Hebr.7:14; De Heere heeft sijn heyl bekent gemaeckt, hy heeft sijne gerechtigheyt geopenbaert voor de oogen der Heydenen, Ps.98:2; De opening Uwer woorden geeft licht, de slechten verstandig makende. Ps.119:130; Ende dan (t. w. bij het laatste oordeel) sal ik haer opentlick aenseggen, Ick en hebbe u noyt gekent. Gaet wech van my gy die de ongerechtigheyt werckt, Matth.7:23 (=KV015);
apert* 4xE; coram 1xE;
015 ja maar integendeel bevinden wij in ons zulks iets het welk ons opentlijk aanzeid van niet alleen nog meer;
019 het welke in haar is een openbaare onvolmaaktheid;
060 tot een beter verstand dezes en nader opening hebben wij goet gedagt, deze volgende;
065 ziet zo wikkeld gij U zelven in openbaare strijdigheeden;
067 All het welk openbaare tegenstrijdigheden zijn;
087 oft'ik doe een venster open, welke opening wel niet zelfs het ligt;
087 oft'ik doe een venster open, welke opening wel niet zelfs het ligt maakt;
106 Want het is openbaar, dat geen ding door zijn eige natuur zoude konnen tragten tot sijn selfs vernietinge;
111 zo zoude dan die oorzaak ook gebeurlijk moeten zijn:'t welk openbaar valsch is;
186 zo is daaruijt openbaar, dat de vierde namelijk de klare kenni[s];
244 Want het is openbaar, dat wij altijd meer door de Reeden;
265 waarheid en zig zelfs en ook de valsheid openbaard >De waarheid openbaart zichzelfs en ook de valscheid.];
371 het welk opentlijk strijd tegen alles't geen wij tot hier;
OPHOPEN (cumulate): opgehoopt;
2xB: En door het geblaas van Uw neus zijn de wateren opgehoopt geworden; de stromen hebben overeind gestaan, als een hoop; de afgronden zijn stijf geworden in het hart der zee. Ex.15:8; Soo hy silver opgehoopt sal hebben, als stof:,.. de onschuldige sal het silver deelen, Job 27:16;
accumular* ~E;
082 Maar waar toe zoveel voorbeelden opgehoopt ?;
*OPINIE 2x+n; opinien 7x+m;
21xB: Wie sal in den hemel opklimmen? Rom.10:6; Gij zult ook niet met trappen tot Mijn altaar opklimmen, opdat uw schaamte voor hetzelve niet ontdekt worde. Ex.20:26; En Hij zeide tot hem: Voorwaar, voorwaar zeg Ik ulieden: Van nu aan zult gij den hemel zien geopend, en de engelen Gods opklimmende en nederdalende op den Zoon des mensen. Joh.1:51;
ascendamus 1xE;
227 Want geene [sc.edelmoedigheid] en steld niet alleen den bezitter in een zeer goede stant, maar ook daar bij is zij de rechte trap door de welke wij opklimmen tot ons opperste heijl;
385 Eijndelijk dan zo zien wij ook hoe dat de redenering in ons niet en is het voornaamste, maar alleen gelijk een trap langs de welke wij na de gewenste plaats opklimmen;
Het bloet harer sonen,.., die sy den afgoden,.. hebben opgeoffert, Ps.106:38;
sacrific* ~E;
300 Ook brengt ons deze kennisse daar toe dat wij alles aan God toe eigenen, hem alleen beminnen,,..en ons zelven alsoo hem geheel opofferen: Want hierin bestaat eigentlijk en de waare godsdienst en ons eeuwig heil en gelukzaligheid;
OPPERSTE (highest) 11x+m; oppersten 4x; 14xB;
summ* 57xE (summe perfectum, summum bonum etc.);
061 zulk een wezen begreepen hebt, dat ten oppersten volmaakt is, niet konnende door iets;
062 als in sijn geheel oneijndelijk en ten oppersten volmaakt;
121 machtig, eeuwig, eenvoudig, oneindig,'t opperste goet, van oneindige barmhertigheid enz;
125 oorzaak te zijn van alle dingen, opperste goedt, Eeuwig en onveranderlijk enz;
127 Eijndelijk noemen zij Hem het opperste goed;
128 wij dan nooijt volmaakt kennen het opperste geslagt, het welk geen geslagt boven;
129 Nu dan: Indien dan het opperste geslagt het welk een oorzaak is van de;
165 en de tweede tot ons opperste heijl, en dan van het laatste;
218 Nu God als wij bewezen hebben, is het opperste goet en alle goet. 227 door de welke wij opklimmen tot ons opperste heijl;
299 dog zouden wij God konnen vrezen die het opperste goet zelve is van de welke;
302 Of wij door't ware geloof tot ons opperste heijl konnen geraaken;
385 buijten alle valsheijd en bedrog van het opperste goedt boodschapt om ons daar door;
385 welke vereeniginge ons opperste heijl is en gelukzaligheid;
413 is door haar natuur oneijndig en ten oppersten volmaakt in zijn geslacht;
417 niet konnen zijn oneijndig en ten oppersten volmaakt in haar geslacht;
27xB: Zijt dan,.. oprecht gelijck de duyven, Matth.10:16;
simplic* 12xE: atque adeo videmus devotionis affectum facile in simplicem amorem degenerare, defaff10expl;
159 en uijt de derde [=soort kennis] de waare en oprechte Liefde met alle haar uijtspruijtzels;
*OPZICHT 5x; opzigten; opzigt 13x+6m; opzigtig;
ORDE (order): ordre 3x; onderordenen; geordent; geordineerde; geordonneert; ordinaar;
14xB: Ende hy schickte daer op het broot in ordre, voor het aengesichte des Heeren, Exod.40:23;
ordin* 69xE; ordin* 15xE;
200 zulke die wij uijtwerken door ordre of te zamen met de Natuur waar van wij;
237 in die onverbrekelijke ordre en gevolg van oorzaaken;
294 Dat wij namelijk van dat geene 't welk het aldervolmaakste is, zoodanig afhangen dat wij mede als een deel van't geheel, dat is: van Hem, zijn; en om zo te zeggen, meede het onse toe brengen tot uijtwerkingen van soo veel geschiktelijk geordineerde en volmaakte werken als daarvan afhangig zijn;
101 Nu valt dan voorder het geschil namelijk of God, schoon alle dingen van hem op een andere wijze waren geschapen van eeuwigheid of geordonneert en voorbepaald als die nu zijn, of hij dan zeg ik, eeven volmaakt zoude zijn;
337 n om dat dit lichaam een beweginge heeft en stilte (die geproportioneert is en ordinaar gealtereert word door de uijtterlijke voorwerpen) en om datter geen alteratie in 't voorwerp kan geschieden zonder dat ons datelijk in de Idea het zelve geschied, hier uijt komt hervoort dat de menschen gevoelen (idea reflexiva);
362 maar alles onder dezelve geschikt en geordent is;
365 beoogen met al dien arbeijd en geschikte ordre die zij onder een onderhouden;
sub 58xE;
115 dat sijne voorzorge zig niet over de bezondere, maar alleen over de geslagte uijtstrekt;
116 Noijt heeft God zijne voorzorge gehad over Bucephalum maar wel over het geheele geslagte van Paard;
162 zig verwonderd over de schapen van Marocquen dieze lang heb[ben];
206 met gelijk een meerder over sijn minder gemeenlijk doet;
21xB; Maar de HEERE zeide tot mij: Zeg niet: Ik ben jong; want overal, waarhenen Ik u zenden zal, zult gij gaan, en alles, wat Ik u gebieden zal, zult gij spreken. Jer.1:7;
ubique 5xE;
120 en weder dat hij is overal, alles vervult, enz;
248 nu overal zonder omzien heen stapt;
OVEREENKOMEN (concur) 4x+2n; overeenkomt 11x; overeenkomende 2x;
*OVERGAAN +n; overgaat 2x; overgaande;
OVERIG (remaining) 8x+m (+zijn); rest (remain): rest n; resten n; resteren: resteert; resteerende m;
~B (resteren); 22xB (overig): Maar zo hij zijn akker na het jubeljaar geheiligd zal hebben, dan zal hem de priester het geld rekenen, naar de jaren, die nog overig zijn tot het jubeljaar; en het zal van uw schatting afgetrokken worden. Lev.27:18; Al die steden waren van de kinderen van Merari, naar hun huisgezinnen, die nog overig waren van de huisgezinnen der Levieten; en hun lot was twaalf steden. Jos.21:40; Dat overigh was van 't Koninckrijcke Sihons, Jos.13:27;
rest* 5xE;
049 dat dan gedaan zijnde, vraag ik: wat iss'er tusschen dit afgesneede deel en de rest;
240 >... Van de resterende siet pag. 79 et seq. Pag.86 et seq.];
276 zo rest niet anders als te besluijten, dat God;
289 Zoo is dan nu overig te onderzoeken of deze Begeerte vrij of niet vrij is,.. zo is dan nog overig te betoonen;
346 zo blijft dan overig dat wij onderzoeken of wij door de vierde en leste manier van kennisse daar toe konnen geraaken >Nu word eerst aangevangen van de ware kennisse te spreeken en zoo voort. Is alleen overig dat ons de ware kennisse tot heil en welstand brengt.];
359 So zal dan nog overig zijn eens te zien;
386 So resteert nu nogh om van dit werk een eijnde te maaken;
400 Soo is mij dan alleen noch overig om een eind van alles te maaken;
OVERTUIGEN (persuade): betuiging n; betuijg n; overtuijg 2n; overtuijging 2x+n;overtuijgt +3n;
63xB: Ende die gekomen zijnde, sal de werelt overtuygen van sonde, ende van gerechtigheyt, ende van oordeel, Joh.16:8;
persua* 8xE;
158 Geloof dan noemen wij de tweede, om dat die dingen die wij alleen door de rede vatten, van ons niet en worden gezien, maar alleen aan ons bekend [zijn] door overtuijginge in't verstand dat het soo en niet anders moet zijn. Maar klaare Kennisse noemen wij dat, 't welk niet en is door overtuijging van reden, maar door een gevoelen en genieten van de zaake zelve en gaat de andere verre te boven;
177 n Het gelove is een krachtige betuijginge van Redenen door welke ik in mijn Verstand overtuijgt ben dat de zaak waarlijk en zodanig is buijten mijn Verstand als ik in mijn Verstand daar af overtuijgt ben. Een krachtig betuijg van Redenen zeg ik: om het daar door te onderscheiden, en van de waan die altijd twijffelachtig en doling onderworpen is en van 't weeten dat niet bestaat in overtuijging van Redenen, maar in een onmiddelijke vereeniginge met de zaak zelve;
272 n De Wille dan genomen voor de Bevestiging of het Besluijt, die verschilt hier in van het Waare Geloove datze zig uijtstrekt ook tot het geen niet waarlijk goet is en dat daarom om dat het overtuijg niet zodanig is, dat het klaar gezien wort niet anders te konnen zijn;