Vocabulaire A B C D E F G H I K L M N O P R S T U V W Z
TALLOOS: ontallijk (countless);
1xB: Daarom zijn ook van een, en dat een verstorvene, zovelen in menigte geboren, als de sterren des hemels, en als het zand, dat aan den oever der zee is, hetwelk ontallijk is, Hebr.11:12;
numero carens ~E; innumerabil* ~E;
141 doch niet van alle [=bijzondere bepaalde dingen], dewijle die ontallijk zijn;
TASTBAAR (genuine): tastelijke 2x;
1xB: Want gij zijt niet gekomen tot den tastelijken berg, en het brandende vuur, en donkerheid, en duisternis, en onweder, Hebr.12:18;
genuin* ~E; manifest* 7xE; tactabil* ~E;
053 is een tastelijke onvolmaaktheid, want de lijder moet;
102 Al het welke als dingen zijnde, die tastelijke ongerijmtheeden in zig besluijten;
TE 641x+62n+82m; ten 54x+3n +superl; opzicht, aanzien, 1'etc.; ter 5x; in/ zonder/ met/ om/ komen/ zijn te +inf.;
10xB; En deze twee liepen tegelijk; en de andere discipel liep vooruit, sneller dan Petrus, en kwam eerst tot het graf, Joh.20:4;
simul 91xE;
109 ende gebeurlijke ende noodzaakelijke tegelijk zoude zijn is strijdig. Ergo;
TEGEN 34x+5n+6m; teegen 2x; tegens +m; hiertegen; daarentegen;
TEGENDEEL 19+n+m; teegendeel 2x; tegendelig; integendeel 4x+n;
TEGENSTAAN (notwithstanding) 3x+2m;
nihilominus 21xE;
114 toelaat, dat des niet tegenstaande allomme zulk een verwarringe word gezien;
118 zo niet, zegtmen het kwaat te zijn, niet tegenstaande het dan zelfs ook goet zoude konnen wezen;
253 deze togten goet te zijn, doch niet tegenstaande dat, zo derf ik zeggen datze in een vol[maak]t mensch geen plaatse konnen hebben >Niet tegenstaande dit zo konnen zij in geen volmaakt mens.];
311 Wat wij niet tegenstaande dit in ons gewaar worden te konnen gesc[hieden];
*TEGENSTRIJDIG 2x;
*TEGENSTRIJDIGHEID 2x+n;
TEKEN; aantekenen: aangetekend m; beduidteken; betekenen; teeken; teijken m;
1xB: En het geschiedde, telkens als de kudde der vroegelingen verhit werd, zo stelde Jakob de roeden voor de ogen der kudde in de goten, opdat zij hittig werden bij de roeden. Gen.30:41;
semper 45xE;
144 Idea etc. van de besondere dingen, die telkens komen te existeren;
146 zo veel verandert ook telkens de ziel;
327 na de gedaante van kennisse die zij telkens van de zaake komt te hebben;
30xB: En onttreckt u malkanderen niet, het en zy dan met beyder toestemming voor eenen tijt, op dat gy u tot vasten ende bidden mooght verledigen, 1Cor.7:5;
nisi 173xE;
007 Dat een eijndig verstand door zigzelfs ten zij het van iet van buijten bepaald word;
138 want nooijt zeid' men dat iets goet is, ten zij in opzigt van iet anders, dat zo go[ed niet en is];
201 zijn zij voor ons niet om te begrijpen, tenzij wij met eenen een begrip van God hebben;
238 >...de verzekertheijd en de wanhoop komt], ten zij zij als vooren;
409 konnen geen twee zelfstandigheeden zijn tenzij zij dadelijk onderscheiden werden;
TERSTOND (immediately) 8x; 106xB(NT);
statim 21xE;
068 anders als datgene uijt het welke terstond mijn verderf gevloeijd is;
156 dewijle hij door sijne deurzigtigheid terstond de gelijkmatigheid en alle de rekeninge;
166 nu bekende goet komt te kennen, zo keerd terstond sijne liefde van het eene eerste tot;
172 zo een remedie voor zijn kwaale goet is, terstond tot dezelve geneegen wordt;
201 hier maar toe brengende, zo zullen wij terstond gewaar worden, dats;
202 komen te kennen, wij altijd ter stond op dezelve vallen en de eerste verlaten;
256 dat wij haar maar beschouwende de zelve terstond kwaad keuren;
352 dat(na voorgaande kennisse) door liefde terstond vereenigt;
376 en zo doende zullen wij terstond ondervinden van neen;
51xB: Soeckt den Heere terwijle hy te vinden is, Jes.55:6;
dum 31xE;
276 n want aangezien ze geen kragt heeft om zig te behouden terwijl ze is, veel min dan zal zij door zig zelfs iets konnen voortbrengen;
content* 4xE;
156 Een derde dan noch met het hooren zeggen omdat het bedriegen kan, noch met de ondervinding van eenige bezondere om dat die onmogelijk een regul is, te vreden zijnde;
075 Z ER: Ik heb u, Theophile, hooren zeggen, dat God een oorzaak is;
303 seer *ligtelijk >Vide thes. 3, pag. 2.] konnen doen,;
019 en van niet veel belang is het zegge van Thomas Aquina, namentlijk dat God a priori;
133 het welk God is. Gelijk ook de Thomisten bij het zelve God verstaan hebben;
TIEN (ten) m;
230 ons't gelove aanwijst in deze volgende tien, die namelijk ontstaan uijt de begrippen;
*TIJD16x+16n; tijde; tijden; tijds; tijdelijk 2x;
faber ~E;
300 E.g. als een Timmerman in het maaken van eenig stuk werks;
*TOCHT: tog(h)ten. 4x+m; tochten 6x; ~hartstocht;
TOE 32x+5n+5m;
*TOEBEHOREN 3n; toebehooren; toebehoort 5x;
*TOEDICHTEN: toedigten;
*TOEEIGENEN: toegeijgent +2n;
tum 48xE;
101 en ander wille en een ander verstand als doen gehad heeft;
102 en zo is men dan genoodzaakt te achten, dat God nu anders gesteld is als doen en doe anders gesteld was als nu; also dat indien wij stellen, hij nu de aldervolmaakste is, genoodzaakt zijn te zeggen, hij het alsdoen niet en was, zo wanneer hij alles anders schiep;
145 niet te min zal dan en was doen, zo wel een Idea, kennisse etc;
215 in geheugenisse brengen't geen wij als doen maal zeijden;
335 Namelijk doen zeiden wij dat schoon de Natuur versche[ide];
354 Want onse eerste geboorte was doen als wij vereenigde met het lichaam.
357 haar zelve heeft konnen beginnen te zijn doen zij niet en was, alzo wijnig kan zij ook;
369 stemme, donder en blixem wisten zij als doen wel dat God niet was;
*TOEPASSEN 2x; toegepast 13x+m; toepast;
*TOESCHRIJVEN 5x; toeschrijft 2x; toegeschreven n;
*TOEVAL 5x+5m;
*TOEVALLIG 3x;
*TONEN;
*TOORNIGHEID 2x+m;
TOT 129x+18n+11m;
filum ~E; line* 7xE;
046 Als bij Exempel in een uurwerk, dat van veele verscheide raderen en touwen en anders is te zaamen gezet: daar in kan zeg ik, een ijder rad, touw, etc. bezonder bevat en verstaan worden zonder dat het geheel zo als 't samengezet is daar toe van nooden is;
TRACHTEN 9x+m; betrachte m; tracht +m; trachte; tragt; tragten 2x;
(=handeling, Meyer; ~KV);
400 de vrunden tot de welke ik dit schrijve te zeggen >Verzoek van den autheur aan die geene tot de welke hij dit tractaat op haar verzoek heeft gedicteert.];
18xB: Toen haastten zij zich, en een iegelijk nam zijn kleed, en leide het onder hem, op den hoogsten trap; en zij bliezen met de bazuin, en zeiden: Jehu is koning geworden! 2Kon.9:13;
227 Want geene [sc.de ware nederigheid] en steld niet alleen den bezitter in een zeer goede stant, maar ook daar bij is zij de rechte trap door de welke wij opklimmen tot ons opperste heijl;
385 Eijndelijk dan zo zien wij ook hoe dat de redenering in ons niet en is het voornaamste, maar alleen gelijk een trap langs de welke wij na de gewenste plaats opklimmen.
TREDEN (tread); overgetreden 2x; overtreden 2x; overtreeden m; toetreden;
216 xB: Waerom overtredet gy alsoo het bevel des Heeren, Num.14:41;
Geen man, uit het zaad van Aaron, den priester, in wien een gebrek is, zal toetreden om de vuurofferen des HEEREN te offeren; een gebrek is in hem, hij zal niet toetreden, om de spijs zijns Gods te offeren, Lev.21:21;
accing* ~E;
121 Dog aleer wij tot dit onderzoek toetreden, laat eens vooraf gezien worden, wat;
250 ziet verachten en met de voet treden, omdat hij een slecht kleed an heeft;
362 Off om klaarder te seggen dat Gods wetten niet en zijn van zo een natuur, dat ze zoude konnen worden overgetreden. Want de reguls van God in de natuur gesteld volgens welke alle dingen hervoort komen en duuren, indien wij die wetten willen noemen, die zijn sodanig dat zij nooijt en konnen overgetreden worden >Zoo en stelt God ook een wette den mensch voor om hem als hij die gedaan heeft te belonen. Want de wetten Gods en konnen niet werden overtreeden, zo men de reguls die in de natuur zijn met die benaming zoude willen noemen.];
363 alle wetten die niet en konnen overtreden werden, zijn goddelijke wetten, reeden, omdat alles watter geschied, niet en is tegen maar volgens sijn eigen besluijt. Alle wetten die overtreden konnen worden zijn menschelijke wetten;
TREKKEN (drag); opzicht; abstract; afgetrokken; aftreksel; betrekken; betrekkinge 2x; betrokken n; getrokke; trek 4x;
trah* 5xE;
011 n Het is wel waar, dat wij van een Idea die ons eenmaal eerst van de zaake zelfs is hergekomen, en so in abstracto algemeen van ons gemaakt sijnde, dat daarna van die zelve in ons verstand veel besondere worden versiert, die wij dan ook veel andere en van andere saaken afgetrokkene eijgenschappen konnen toedigten. Maar dit is onmogelijk te konnen doen zonder alvorens de zaake zelfs van de welke zij aftreksels zijn, gekend te hebben;
043 n Dat is, zo verscheijde selfstandigheden waren die niet tot een eenig wesen betrokken wierden: zo dan war de vereeninge onmogelijk;
137 Eenige dingen zijn in ons verstand en niet in de Natuur en zo zijn dan deze ook alleen maar ons eigen werk en zij dienen om de zaaken onderscheidelijk te verstaan; onder welke wij begrijpen alle betrekkingen, die opzigt op verscheide zaaken hebben en deze noemen wij Entia Rationis;
138 Maar aangezien dat goet en kwaad niet anders is als betrekkinge, zo ist buijten twijffel datze onder de ENTIA Rationis moeten geplaatst worde; want nooijt zeid'men dat iets goet is, ten zij in opzigt van iet anders;
170 in de lust of trek van't geene men ontbreekt te bekomen;
172 een dink dat het goet is, krijgt lust en trek tot het selve;
288 hij zeit de Wille te zijn die lust of trek, die men heeft onder schijn van goet;
290 Veele menschen schoon zij wel zien, dat de kennisse die de mensch van verscheide zaaken heeft, een middel is waar door sijn lust of trek van het eene tot het ander overgaat, zoo en aanmerken zij nogtans niet, wat het mag zijn, dat de lust zoo van het eene tot het ander komt te trekken >Wat het mag zijn dat de lust zoo van't een tot het ander beweegt over te gaan.]. Maar wij dan om te betonen dat deze neiginge bij ons niet vrijwillig is, zoo zullen wij (om ons eens leevendig voor oogen te stellen wat het zij van het eene tot het ander over te gaan, en getrokke te worden) ons verbeelden een kind dat voor de eerste maal tot het gewaar worden van zeeker ding komt. ex.g >Woord in een voorbeeld aangewezen.]. Ik houde het een Belletie voor het welke in sijn ooren een aangenaam geluijd maakende, daar door lust tot hetzelve krijgt: Ziet nu eens of het wel soude konnen laaten deze lust off begeerte te krijgen >Dat de lust noodzakelijk is.];
345 omdat wij daar onder geenzins wilden betrekken de begeerten die uijt de redenering voortkomt >en hier om is zo dikwijls gezeid dat de eene liefde door de andere liefde word vernietigt, daar door uijtsluijtende de begeerte om datze niet gelijk de liefde, uijt ware kennisse maar uijt redenering herkomt.];
TURK 3x; jood 3x; Christen 3x;
169 De haat dan eijndelijk komt ook voort uijt hooren zeggen alleen, gelijk wij dat zien in de Turken tegen Joden en Christenen, Inde Joden tegen de Turken en Christenen, inde Christenen tegen de Joden en Turken etc. Want wat is den hoop van alle deze onwetend d'een van d'anders godsdienst en zeden;
TUSSEN (between) 8x+6n+6m; 418xB;
inter 58xE;
005 also dat tusschen de Idea en het Ideatum een groot;
028 en hier in is't onderscheid tusschen scheppen en genereren;
029 en is maar om aan te wijzen, wat wij tussehen scheppen en genereren on derscheid;
049 vraag ik: wat iss'er tusschen dit afgesneede deel en de rest?;
208 en also tusschen goet en kwaad geen midde is, zo zien wij, dat zoo't kwaad is met passie te werken, dat het dan goet moet zijn zonder die te werken >Als wij iet zonder passie doen, daar uijt en kan dan geen kwaad voortkomen. Nu tusschen goet en kwaad is geen derde, ergo is't kwaad met passie te werken. Is dan goet zonder.];
264 Doch dit zo zijnde, zal het schijnen datter geen onderscheid is tusschen de valsche en ware Idea >Dat uijt de beschrijving van waarheid en valsheid scheijnt te volgen datter geen onderscheid is tusschen ware en valsche Ideen.];
266 Onderdschijt tusschen een die in waarheid en een die in;
287 Dewijl het dan nu kennelijk is, dat wij tot bevestigen of ontkennen geene wille en hebben, laat ons dan nu eens zien het rechte en ware onderscheid tusschen de Wille en Begeerte >Wat ons 't gelove van het onderscheid tusschen wil en begeerte geeft volgens de vierde uijtwerkinge.];
329 Waar op diend dat onderscheid gemaakt moet worden, tusschen de gewaarwordinge van de ziele als zij eerst het lichaam gewaar word en tusschen het oordeel het welk zij aanstonts komt te maaken van dat het haar goet of kwaad is >Dat is tusschen verstaan algemeen genomen en tusschen verstaan als opzigt hebbende op het goet of kwaad van de zaak.];
334 tusschen welke een groot onderscheid is;
349 en hier om dan dewijl tusschen God en ons een zo naauwen vereeniginge;
368 wij dan een zoodanig een gemeenschap tusschen God en de menschen stellen;
412 want het verschil tusschen hun is dadelijk en gevolglijk zo en kan;
TWEE 26x+14n+m; twe 4x;
TWEEDE 22x+3n+m; twede 11x+2m;
TWEEDERLEI 2x+2m; twederleij +m.
TWIJFEL 3x; ontwijfellijk; twijfelaars; twijfelachtig; twijfelen 3x; twijffeld 2x;
24xB: Maar dat hij ze begere in geloof, niet twijfelende; want die twijfelt, is een baar der zee gelijk, die van den wind gedreven en op geworpen en nedergeworpen wordt. Jac.1:6;
Wy en willen niet, broeders, dat ghy onwetende zijt van onse verdruckinge, die ons in Asia overgecomen is, dat wy uytnemende seer beswaert zijn geweest boven [onse] macht, alsoo dat wy seer in twijfel waren oock van het leven, 2Cor.1:8;
dubit* 36xE;
062 en gij zo[gij] daar aan twijffeld, vraagd het de Reeden;
063 Reeden: De waarheid hiervan is mij ontwijffelijk : Want zo wij de Natuur willen bepaalen;
077 Neemt mij, ik bidde u, deze twijffel weg;
095 Want het is buijten alle twijffel waar, dat God alles eeven zo volmaakt;
138 zo ist buijten twijffel datze onder de ENTIA Rationis moeten;
177 n Een krachtig betuijg van Redenen zeg ik: om het daar door te onderscheiden, en van de waan die altijd twijffelachtig en doling onderworpen is en van 't weeten dat niet bestaat in overtuijging van Redenen, maar in een onmiddelijke vereeniginge met de zaak zelve;
228 gelijk wij dat zien inde Twijffelaars (Scepticis) die door dien zij loochenen;
242 dat wij iets doen van't welk wij dan twijffelen of het goet is of het kwaad is;
266 en kan niet twijffelen dat hij ze heeft;
293 en dat te meer daarom omdat wij niet en twijffelen, of zij zullen eenige niet wijnig;