Chapter 19. VOCABULARY

Table of Contents

AAN
ACHTEN
ACHTING
AF
AFHANGEN
AFKEER
AL
ALDER
ALDUS
ALLEEN
ALMACHT
ALS
ALTIJD
ALZO
ANDER
ANTWOORDEN
BEGEERTE
BEGINNEN
BEGRIJPEN
BEHOREN
BEKLAG
BELGZUCHT
BEMINNEN
BEPALEN
BEROUW
BESCHAAMDHEID
BESCHRIJVEN
BESLUIT
BESPOTTING
BESTAAN
BETOGEN
BEVESTIGEN
BEWIJS
BIJ
BIJZONDER
BLIJDSCHAP
BLIJKEN
BLIJVEN
BOVEN
BRENGEN
BUITEN
CAUSE
DAAR
DADELIJK
DAN
DAT
DEEL
DENKEN
DERDE
DEWELKE
DEZE
DIE
DING
DIT
DOCH
DOEN
DOOR
DROEFHEID
DUREN
EDELMOEDIGHEID
EER
EERST
EER
EEUWIG
EIGEN
EIJGENSCHAP
EINDELIJK
EN
ENIG
ER
ERGO
ETC
EUVELNEMING
EVEN
FLAUWMOEDIGHEID
GAAN
GEBRUIKEN
GEDAANTE
GEEN
GEEST
GEHEEL
GELIJK
GELOOF
GEMEEN
GENIETEN
GEVEN
GEVOEL
GEWAARWORDEN
GIJ
GOD
GOED
GRAMSCHAP
GROOT
GUNST
HAAT
HEERLIJK
HIER
HOE
HOOP
HOREN
HOUDEN
IDEE
IEDER
IEMAND
IETS
IK
IMMEDIATE
IMPULSUS
INBLIJVEN
KENNEN
KLAAR
KNAGING
KOMEN
KUNNEN
KWAAD
LAATST
LATEN
LIJDEN
LUST
MAAL
MAAR
MACHT
MAKEN
MEE
MEN
MERKEN
MENS
MET
MIN
MOED
MOETEN
NU
NA
NAMELIJK
NATUUR
NEDRIGHEID
NEIGEN
NEMEN
NIET
NIJD
NOG
NOCHTANS
NODIG
NOEMEN
NOODZAAK
NOOIT
OF
OM
ONDANKBAARHEID
ONDER
ONDERSCHEID
ONDERWERP
ONEINDELIJK
ONGERIJMD
ONLICHAMELIJK
ONMIDDELLIJK
ONMOGELIJK
ONTSTAAN
ONVOLMAAKT
OOGMERK
OOK
OORZAAK
OP
OPPERSTE
OPZICHT
OVEREENKOMEN
OVERGAAN
PASSIE
PLAATS
POGEN
PROPORTIE
RECHT
REDE
REFLEXIVA
RUST
SCHEPPEN
SCHIJNEN
SCHOON
SPREKEN
STAAN
STELLEN
STOF
TE
TEGEN
TEKEN
TOE
TOEDICHTEN
TOEVAL
TOT
TRACHTEN
TWEE
UIT
UITERLIJK
UITGEBREID
VAN
VEEL
VERANDEREN
VERDER
VERENIGEN
VERNIETIGEN
VERSCHEIDEN
VERSIEREN
VERSTAAN
VERWAANDHEID
VERWONDERING
VERZEKERDHEID
VINDEN
VOLGEN
VOLGENS
VOOR
VOORDEEL
VOORNAAM
VOORTBRENGEN
VOORWERP
VOORZIEN
VORDEREN
VORM
VRAGEN
VREES
VRIJ
WAAN
WAAR
WAARD
WAAROM
WANHOOP
WAT
WEDEROM
WEL
WELK
WERKEN
WERPEN
WET
WETEN
WEZEN
WIJ
WIJZING
WILLEN
WOORD
WORDEN
ZAAK
ZEGGEN
ZEKER
ZELF
ZELFSTANDIGHEID
ZICH
ZIEL
ZIEN
ZIJ
ZIJN
ZO
ZODANIG
ZOEKEN
ZONDER
ZULK
ZULLEN

AAN 98x+11n+11m; an 2x+m; 001; 005; 014; 015; 017; 023; 023; 023; 029; 041; 042; 042; 044; 045; 059; 059; 062; 068; 069; 077; 082; 086; 100; 102; 109; 112; 112; 113; 118; 119; 119; 120; 125; 125; 125; 126; 126; 129; 148; 149; 149; 150; 151; 151; 151; 155; 155; 156; 158; 179; 195; 205; 206; 209; 223; 224; 226; 226; 250; 250; 251; 252; 253; 256; 258; 258; 258; 277; 277; 281; 281; 295; 297; 300; 300; 308; 308; 309; 309; 313; 313; 313; 317; 318; 318; 318; 321; 321; 322; 322; 325; 334; 339; 346; 359; 366; 368; 369; 369; 369; 371; 373; 385; 386; 391; 397; 397; 398; 398; 398; 399; 399; 400; 400; 403; 408; 409; 418; 423; 427; 431;

014 dat de Idea van oneijndige eigenschappen aan het volmaakte wezen geen verzierzel is;

023 of omdat het hem aan de magt of aan de wil ontbrak;

062 en gij zo gij daar aan twijffeld, vraagd het de Reeden;

068 en dat hij maar voortgaa en aan deze vijanden den mond stoppe;

069 wel aan, zo moet gij haar dan ook wijzen noemen;

100 iets stellen te zijn aan het welk hij verpligt of verbonde zoude zijn;

129 en geenzins en achte verbonden aan haare stellingen te zijn;

156 die ondervraagt het aan de waare Reeden;

158 maar alleen aan ons bekend door overtuijginge;

179 De derde uijtwerkinge is, datze aan ons verschaft de kennisse van goet en [kwaad];

195 welk niet in onse vrijheid bestaat of aan ons hangt. > en hangt van onse vrijheid niet af. Ergo.];

206 Met passien, gelijk men gemeen ziet aan de Heeren tegen haare knechten;

250 maar zo iemand sijn wijsheid (daar door hij aan zijn eeven naasten konde vorderlijk zijn) ziet verachten en met de voet treden, omdat hij een slecht kleed an heeft, deze doet wel dat hij (uijt beweging om haar te helpen) zich met een kleed daar aan zij haar niet en stooten, verziet, wordende also om sijn even mensch te winnen, sijn even mensch gelijk;

251 belangt deze die toont zich zelvs aan ons zodanig;

252 als aan hem die eenig goet gedaan heeft, weder goed gedaan wordt;

253 en daarom vind hij zig om te helpen aan den aldergodlooste zo veel te meer verp[licht];

277 Zoo komt het nu dan daarop aan, of deze Bevestiging van ons vrijwillig;

281 Dats onmogelijk en klaar aan alle die welke;

295 strijdende regelregt aan tegen onse volmaaktheid;

297 tot bevordering van't gemeen Best >Is zij voordeelig aan het gemeene best.];

300 dat wij alles aan God toe eigenen >Ook aangepord om aan God alles toe te eigenen.];

318 De voornaamste van deze stellen wij te zijn datze haar zelfs aan de ziel doet gewaar woorden ... zo dat alles dan wat buijten deze gewaarwordinge meer aan de ziele geschied, en kan niet door het lichaam veroorzaakt worden;

339 zo veel stilte hebben moeten ontbeeren als zij aan de geesten hadden mede gedeeld;

369 Zoude God aan de Israeliten gezeid hebben Ik ben Jehova;

391 noch ook aan eenige andere oorzaak onderworpen is;

397 konnen wij alle deelachtig zijn aan dit heijl;

400 Verzoek van den autheur aan die geene tot de welke hij dit tractaat;

408 maar alleen zo gij ooijt aanvangt die aan iemand gemeen te maaken.

427 indien wij zouden willen voortgaan en aan het wezen van de ziel toeschrijven dat;