ACHTING

ACHTING 4x+2m;

veracht;

verachten;

verachting 2x+m;

verachting;

versmaadheden;

versmading 2x+m;

11xB: Wentel van mij versmaadheid en verachting, want ik heb Uw getuigenissen onderhouden Ps.119:22; Ick ... stelde haer het Euangelium voor, ... ende in het bysonder den genen die in achtinge waren, Galat.2:2; En van de anderen durfde niemand zich bij hen voegen; maar het volk hield hen in grote achting Hand.5:13; Zebulon, 't is een volck, [dat] sijne ziele versmaedt heeft ter doot (Kantt. D. sijn leven, hare persoonen, also ter doot gewaegt hebben, datse het leven schenen te verachten), insgelijcx Naphtali: op de hooghten des velts, Statenb., Richt.5:18; Versmaet [ons] niet, om uwes naems wille ...: gedenckt, en vernietight niet u verbont met ons, Statenb., Jer.14:21;Wanneer een man door byligginge des zaets by eene vrouwe sal gelegen hebben, die eene dienstmaeght is by den man versmaet, ende geensins gelost en is, nochte haer geene vryheyt en is gegeven: die sullen gegeesselt worden, sy en sullen niet gedoodet worden; want sy en was niet vry gemaeckt, Statenb., Lev.19:20; Nu spreeckt de Heere, Dat zy verre van my, want die my eeren, sal ick eeren, maer die my versmaden, sullen licht geachtt worden, Statenb., 1Sam.2:30; Men doet eenen dief geene verachtinge aen, als hy steelt om sijne ziele te vullen, dewijle hy honger heeft, Statenb., Spr.6:30; Oock seyden de lieden van dier plaetse, Hier en is geene hoere geweest. Doe seyde Juda; Sy neme het voor haer, op dat wy misschien niet tot verachtinge en worden: siet, ick hebbe desen bock gesonden; maer gy en hebt haer niet gevonden, Statenb., Gen.38:23;

Contemptus est rei alicujus imaginatio quæ mentem adeo parum tangit ut ipsa mens ex rei præsentia magis moveatur ad ea imaginandum quæ in ipsa re non sunt quam quæ in ipsa sunt; despectus, defaff5; Despectus est de aliquo præ odio minus justo sentire, defaff22; existimatio 6xE: existimatio 6xE: quod homo de alio plus justo sentit, existimatio vocatur; Est itaque existimatio amoris et despectus odii effectus; atque adeo potest existimatio etiam definiri quod sit amor; Affectus existimationis et despectus semper mali sunt.

219 van de achting en versmading, van de Edelmoedigheid en Nedrigheid;

220 De Achting en Versmading >Van de Achting en Versmading.] dan zijn maar in opzicht van iets groots off kleins als dat wij eenige zaake kennen, het zij dit groots of kleins in ons of buijten ons is;

221 zonder passien noch gemerk op de achting sijn zelvs te hebben;

222 zonder gemerk te hebben op de verachting sijns zelfs;

229 De Achting belangende en Verachting. Van deze is niet meer te zeggen als ons wel indachtig te maaken het geene wij hier te vooren van de Liefde gezeid hebben >Wat in de achting en in de verachting ziet pag.93.].Achting;

248 Beschaamtheid is >Wat beschaamtheid is.] zeekere droevheid die in jemand ontstaat als hij komt te zien, dat zijn doen bij andere veracht word zonder opzigt van eenig ander nadeel of schaade dat zij beoogen. De Onbeschaamtheid >Wat onbeschaamtheid is.] is niet anders als een ontbeering of uijtschudding van schaamte, niet door de Reeden; maar of door onkunde van schaamte gelijk in de kinderen, wilde menschen etc. of doordien men in groote versmaadheden geweest zijnde, nu overal zonder omzien heen stapt;

250 zo iemand zig kostelijk kleed om daardoor geacht te zijn, deze zoekt een Eere die uijt de liefde sijns zelfs hervoorkomt zonder enige opzigt op zijn even mensch te hebben; maar zo iemand sijn wijsheid (daar door hij aan zijn eeven naasten konde vorderlijk zijn) ziet verachten en met de voet treden, omdat hij een slecht kleed an heeft, deze doet wel dat hij (uijt beweging om haar te helpen) zich met een kleed daar aan zij haar niet en stooten, verziet, wordende also om sijn even mensch te winnen, sijn even mensch gelijk;

254 De ondankbaarheid is een verachtinge van de dankbaarheid;