AF

AF 20x+10n+7m; cf. afnemen, -hangen, daar-, hier-, waar-, -weren, -scheiden; 195; 295; 176; 316; 216; 391; 135; 014; 018; 281; 310; 283; 363; 274; 358; 177; 176; 194; 347; 308; 088; 273; 380; 380; 321; 321; 199; 206; 244; 206; 167; 347; 100; 323; 286; 397; 136; 180 .

135 maar alleenlijk zeggen wij er dit af, dat ze is een Zone, maaksel;

180 laat ons eens kort voor af zeggen wat daar is het Kwaad des mensch[en];

281 anders zouden gevoelen als wij er af gevoelen.