AFHANGEN

AFHANGEN 13x+4m;

afhangd 4x;

afhangende;

afhangig 3x+n;

afhanginge;

afhangt 6x+n+m;

pend* 33xE: 26x +a(b); depend* 4xE: a cognitione causæ dependet; quod a Deo non dependet; duratio ab ejus essentia non dependet; omnia quæ sunt in Deo sunt et a Deo ita dependent ut sine ipso nec esse nec concipi possint, 1,28s.

Related concepts: scheppen; bepalen; macht; voortbrengen

'Afhangen' is used for hierarchical dependency (cf.069 ). Causality is a specific form of dependency. The Christian term creation (scheppen) is not a technical term. It is used to cover this Spinozistic content (134 ). Power (macht) is the ability to execute any dependency in this sense (200 , 294 ).

014 n Also zie ik dan nu, dat van mij geen waarheid, wesen, of wesentheid van eenige zake afhangt: want als in de tweede soorte van Ideen getoont is, zonder mij zijn zij't geene datze zijn: of na't wesen alleen, of na't wesen en de wesentlijkheid beijde. en zo ook dan, ja veel meer bevinde ik dit waar te zijn in deze derde eenige Idea en dat niet alleen dat het van mij niet af en hangt, maar in tegendeel dat hij alleen moet zijn het subjectum van't geen ik van hem bevestig;

018 die als deze door zig zelf is, hangt van iets buyten hem af;

052 niet de zelfstandigheid van de welke hij afhangt zelve;

053 want de lijder moet noodzakelijk van datgeene afhangen het welke hem van buijten het lijden heeft veroorzaakt: het welk in God die volmaakt is, geen plaats heeft;

061 Z Ik zie, Broeder, dat ten eenemaal mijn wezen en volmaaktheid afhangd van uwe volmaaktheid;

069 Z en bijaldien gij [f.21] dan het lighamelijke en het verstandige wilt noemen zelfstandigheeden in opzigt van de wijzen die daar van afhangig zijn, wel aan, zo moet gij haar dan ook wijzen noemen in opzigt van de zelfstandigheden van de welke zij afhangen: want als door zig zelfs en worden zij van u niet begrepen;

072 Z want gelijk ik zegge, het geheel bestaat alleen van of door sijn deelen en alzo is 't dat gij de denkende kraght verbeeld als zaak van de welke het Verstand, de Liefde, enz. afhangd;

074 Z en daarom word ook het verstand van mij (voor zo veel of in opzigt het van zijne begrippen afhangd) genoemt een oorzaak. en wederom in opzigt het bestaat van sijne begrippen, een geheel;

082 Z Ik heb duijdelijk gezegd, dat alle eijgenschappen die van geen ander oorzaak afhangen en om welke te beschrijven geen geslagt van nooden is, aan het wezen Gods toe behooren;

084 Z maar dat gij God geen innerlijke oorzaak noemd van die gevrogte welkers wezentlijkheid niet onmiddelijk van hem afhangen, maar van eenige andere zaak geworden zijn;

085 Z dingen die onmiddelijk van God afhangen;

088 Z dat het ons niet toelaat eenige zaake te beminnen buijten hem, wij en konnen zeggen waarlijk te zijn met God vereenigd en zo onmiddelijk van hem af te hangen;

094 dingen noodzaakelijk van hare oorzaaken afhangen;

103 maar alleen dat ze niet van iets anders afhangt;

111 dat van een eenige oorzaak alles afhangt;

133 alle die wijzen die van God onmiddelijk afhangen;

134 Wat dan nu aangaat de algemene natura naturata of die wijsen of schepzelen die onmiddelijk van God afhangen ofte geschapen zijn, dezer en kennen wij niet meer als twee namelijk de *beweginge in de Stoffe ende het verstaan inde denkende zaak;

195 Onmogelijk dan is't omdat het niet van ons afhangd, maar alleen van het goet en nut, dat wij in het *voorwerp aanmerken >Onmogelijk omdat het van ons niet afhangt, maar van het goet dat in de zaak gezien word].... Nu deze kennisse en hangt van onse vrijheid niet af. Ergo.];

200 Hier voor hebben wij gezeid dat de dingen die vergankelijk zijn, buijten onze macht zijn >Wat wij verstaan door de dingen die buijten onse macht zijn of van ons niet afhangen. Pag.80.]. Op datmen ons wel verstaa, wij en willen niet zeggen, dat wij eenige vrije oorzaak zouden zijn van niets anders afhangende;

201 Edoch31 een wijnig onderzoek hier maar toe brengende, zo zullen wij terstond gewaar worden, dat deze niet en zijn als maar (*)wijsen alleen, die onmiddelijk van God afhangen;

202 het wezen van' t welke zij onmiddelijk afhangen en wij nu alvooren getoond hebben;

239 dewijle zij dingen vooronderstellen die wij door haar veranderlijke aard (gelijk in de beschrijving van de Liefde is aangemerkt) welke zij onderworpen zijn, niet moeten aanhangen; nog ook van de welke (als in de beschrijvinge van de haat getoond is) wij moeten afkerig zijn: welke afhanginge en afkerigheid nogtans de mensch onderworpen is, die in deze passien staat, tot alle tijd;

245 en datze niet noodzaakelijk (gelijk de andere dingen in de Natuur) van God afhangen;

289 dat de Begeerte van het begrip der zaaken afhangt;

293 deel van geheel de Natuur van welke hij afhangt;

294 Want dog: op ons zelven aangemerkt zijnde en zoo niet van God afhangig, zeer wijnig is't of niet dat wij souden konnen verrigten en met recht daar uijt oorzaak neemen om ons zelfs te bedroeven. Voor al in tegenstellinge van't geene wij nu zien: Dat wij namelijk van dat geene 't welk het aldervolmaakste is, zoodanig afhangen dat wij mede als een deel van't geheel, dat is: van Hem, zijn; en om zo te zeggen, meede het onse toe brengen tot uijtwerkingen van soo veel geschiktelijk geordineerde en volmaakte werken als daarvan afhangig zijn;

308 Soo staat dan nu aan te merken, dat al de uijtwerkingen, die wij zien van de uijtgebreijdheid noodzaakelijk af te hangen, aan deze eigenschap moeten toegeijgent worden: gelijk de Beweginge en Ruste;

360 dat zij niet souden afhangen van een eerste oorzaak het welk wij;

391 inblijvende: Want deze oorzaak daar van hangt het gevrochte zodanig af dat uijt haar;

397 want van dit hangen af zaaken van groot belang nopende;

421 Om nu te verstaan hoedanig deze Wijzing zij die wij ziel noemen en hoe hij zijn oorsprong van het lichaam heeft en ook hoe zijne verandering (alleen) afhangt van het lichaam ('t welk bij mij is de vereeniginge van ziel en lichaam), zo moet aangemerkt worden;