aanhangen;
affker;
afkeer 4x+2m;
afkeer 4xb;
afkerig;
Daerom sal een mensche sijnen vader ende moeder verlaten, ende sal sijnen wijve aenhangen, Marc.10,7; Maar den HEERE, uw God, zult gij aanhangen, gelijk als gij tot op dezen dag gedaan hebt, Joz.23:8; Of weet gij niet, dat die de hoer aanhangt, een lichaam met haar is? Want die twee, zegt Hij, zullen tot een vlees wezen, 1Cor.6:16; De liefde zij ongeveinsd. Hebt een afkeer van het boze, en hangt het goede aan, Rom.12:9;
aversio 2xE+1x avert*: Aversio est tristitia concomitante idea alicujus rei quæ per accidens causa est tristitiæ, defaff9.
207 en daerom, wat is beter, of dat wij de dingen met afkeer en haat vlieden >Dewijl wij dan nu sonder passien konnen werken, wat sal dan best zijn, of dat wij de geene die ons kwaad veroorsaken met haat vlieden of dat wij hem sonder ontsteltenisse des gemoeds ondergaan?], of dat wij dezelve door kracht van reden zonder ontsteltenisse des gemoeds (want dat achten wij dat wezen kan) ondergaan;
209 Doch offer eenig kwaad in is geleegen de saaken met een haat en affker te vlieden, laat ons het zelve eens bezien... Het komt dan eijndelijk daarop aan, of de haat alleen door waan en ook niet door ware redenering in ons ontstaat. Doch om dit wel te ondervinden, dunkt ons goet duijdelijk te verklaren, wat de haat is en die wel van de afkerigheijd te onderscheiden >Maar staat te ondersoeken of sij ook niet ontstaat door ware redenering. Hier toe sal nodig zijn, dat de haat van ons wel verklaart en van de afkerigheid wel word onderscheiden.];
210 De Haat dan zeg ik te zijn een ontsteltenisse van de ziel tegen iemand, die ons misdaan heeft met wille ende weten >De haat is een ontstelling in de ziel tegens die ons willens en wetens misdaan heeft en de afkerigheid is een ontsteltenisse in ons tegen een zaak die uijt haar natuur ons of in waan of waarlijk heeft beledight.]. Maar de afkerigheid is die ontsteltenisse, die in ons is tegen een saak ontstaande uijt ongemak of leed, het welk wij of verstaan of waanen van natuure in de zelve te zijn. Ik zeg van natuuren, want als wij het zo niet en waanen, zo zijn wij alschoon wij eenig hinder of leed daarvan ontfangen hebben, van de zelve niet afkeerig, omdat wij integendeel eenig nut van de zelve hebben te verwagten, gelijk iemand van een steen of mes gekwest zijnde daarom van't zelve geen afkerigheid heeft;
211 Maar van de afkeerigheid komt eenige droefheid, omdat wij ons trachten te beroven van iets 't welk wezentlijk zijnde >Ook de Nijt, Maar uijt afkeer eenige droeffheid, om dat wij meteen ons berowen van de volmaaktheid die noch anderszins in de zaak is.], zo ook altijd zijne wezentheid en volmaaktheid hebben moet;
212 dat wij onse redenen wel gebruijkende, geen haat of afkeer tot eenige zaake en konnen hebben,. >Hieruijt volgt dan dat wij ons reden wel gebruijkende geen haat of afkeer tegen eenige zaak konnen hebben:.];
214 een besluijt zeggen wij, dat de Haat en afkeer in haar hebben zo veel onvolmaaktheeden als in het tegendeel deel de Lievde volmaaktheeden heeft;
239 die wij door haar veranderlijke aard... niet moeten aanhangen; nog ook van de welke (...) wij moeten afkerig zijn: welke afhanginge en afkerigheid nogtans de mensch onderworpen is;