ALLEEN

ALLEEN (only, alone) 178x;

361xB alleen(lijk); Gy sult alleenlick boven zijn, ende niet onder zijn, Deut.28:13;

solum 15xE; solummodo 10xE; solo 49xE; Deus enim solus ex sola suæ naturæ necessitate existit;

008 Indien de verzieringe van de mensch alleen oorzaak was van zijn Idea, zo zoude hij;

013 en niet als de voorgaande alleen datze kan zijn: want die haar wesen was;

014 't geene datze zijn: of na' t wesen alleen , of na' t wesen en de wesentlijkheid;

014 in deze derde eenige Idea en dat niet alleen dat het van mij niet af en hangt, maar in tegendeel dat hij alleen moet zijn het subjectum van' t geen ik;

015n zo en hebben wij in deselve tot nog toe niet meer konnen vinden als alleen twee eijgenschappen die aan dit al volmaakte wezen toebehoren. en deze en geven ons geen vergenoeginge door dewelke wij onszelve konnen voldoen: Want dat deze het al soude zijn, van de welke dit volmaakte wezen zoude bestaan, ja maar integendeel bevinden wij in ons zulks iets het welk ons opentlijk aanzeid van niet alleen nog meer, maar ook van nog oneijndige volmaakte eigentschappen, die dit volmaakte wezen eigen zijn;

017 zelfstandigs te kennen geven, maar sijn alleen als adjectiva die substantiva vereische;

019 niet en konnen te kennen geven, maar alleen door uijtterlijke oorzaaken;

029 nu in de Natuur geen scheppen, maar alleen genereren;

044 zijn van een ander: namentlijk het een, alleenig en alwezen. ... ( ten anzien van de uijtgebreijdheid alleen ) uijt de wijsen die nootzaakelijk dit;

046 en waare of daadelijke wezens zijn, maar alleen Wezens van reeden en dien volgende;

048 t' eenmaal vernietigt, als die alleen bestaat in oneijndige uijtgebreijdheid;

048 Antwoord: daar is geen beweging alleen , maar beweging en stilte zamen;

051 en gescheid in de zelfstandigheijd, maar altijd en alleen in de wijzen van de zelfstandigheijd. Ik dan, willende water deelen, deel alleen maar de wijse van de zelfstandigheijd en niet de zelfstandigheijd zelve;

052 vergaat of vernietigt word, zo word dat alleen verstaan van de mensch ten aanzien hij;

058 want hier spreeken wij maar alleen van eijgenschappen die[men] zoude;

067 verstaan dat de kennisse van zig zelfs alleen minder is als de kennis;

072 want gelijk ik zegge, het geheel bestaat alleen van of door sijn deelen en alzo is' t;

074 en dit zegd gij daarom dewijl gij maar alleen en weet van de oovergaande en niet van;

076 God( zonder eenige omstandigheeden als alleen zijne wezentlijkheid) onmiddelijk heeft;

083 en niet en verschild van' t algemeen als alleen hier in, dat het algemeen gemaakt word;

084 zonder eenige meer omstandigheeden als alleen sijne eijgenschappen, heeft voortgebragt ... niet onmiddelijk van hem afhangen, maar van eenige andere zaak geworden zijn als alleen voor zo veel haare oorzaaken zonder God niet werken nog konnen werken nog ook buijten hem;

085 zodanig verstand voort te brengen als alleen de eigenschappen Gods; want om te zijn;

087 maar alleen een zodanig in de Natuur, welkers denkbeeld noodzakelijk zij om God onmiddelijk te vertoonen. 't Geen gij ook uijt mijne woorden hebt konnen afneemen. Want God, heb ik gezeid, word alleen door zig zelfs en niet door wat anders gekend;

090 >.. zij niet zelfstandigs door welke God alleen bestaat, te kennen geven.];

093 Ten zesden. God is alleen de eerste ofte Beginnende oorzaak gelijk blijkt bij onze voorgaande betooging. 7. Ten zevende. God is ook een Algemeene oorzaak, dog alleen in opzigt dat bij verscheide werken voortbrengt;

098 maar de ware vrijheid is alleen of niet anders als de eerste oorzaak, dewelke geen zins van iets anders geprangt of genoodzaakt wordt en alleen door zijne volmaaktheid oorzaak is van alle volmaaktheid... Dat God alleen de enigste vrije oorzaak is, is niet alleen uijt het geene nu gezeid is klaar, maar ook hierdoor namentlijk dat'er buijten hem geene uijtwendige oorzaak is, die hem soude dwingen of noodzaaken; al het welk in de geschapen dingen geen plaats heeft;

099 Het goet is daarom alleen goet, om dat God het wil en dit zo zijn;

103 en is iets te konnen doen of laten, maar alleen dat ze niet van iets anders afhangt;

112 Maar nademaal het eerste alleen aan God toebehoort, zo word daar door betoond (gelijk wij zulks nu ook al te vooren gedaan hebben) dat God namentlijk alleen de oorzaak van alles is;

115 zig niet over de bezondere, maar alleen over de geslagte uijtstrekt;

116 Dog wij hebben dit met regt in haar voor een onwetenheid aangemerkt, want eerst de bijzondere alle alleen hebben oorzaak en niet de algemeene, dewijle die niets zijn. God dan is alleen een oorzaak en voorzorger van de bezondere dingen;

117 had geschapen, zo hadde hij dan ook alleen Adam, en geen Petrus nog Paulus;

118 van de zonde ook gezeid word, zulks alleen maar gezeid word in opzigt van ons;

120 en zijn geen eijgenschappen, maar alleen zeekere wijzen, de welke hem toegeeigen;

121 maar wij zullen alleen kortelijk onderzoeken wat de Philosophi;

123 van God niet bevestigende[f. 48] maar alleen ontkennender wijse weten. Ergo. Zo en k;

124 omdat hij geen oorzaak heeft, maar alleen waarscheijnlijk of;

125 Eerstelijk wij en zien niet, dat zij ons hier eenige attributa of eigenschappen geven, door de welke de zaak (God) gekend word wat ze is: maar alleen eenige propria of eigenen, ... aan God alleen eigen zijn, zo en konnen wij nogtans door die eijgenheeden niet weten;

130 die die niet door hun zelfs bestaan maar alleen door de eigenschappen, van dewelke zij;

135 maer alleen door middel van de Uijtgebreidheid, van deze alle zeg ik, en zullen wij hier niet handelen, maar alleenlijk zeggen wij er dit af, dat ze is een Zone, maaksel, of uijtwerksel onmiddelijk van God geschapen;

137 in de Natuur en zo zijn dan deze ook alleen maar ons eigen werk en zij dienen om de;

140 wezentheid Judae en Petri, want die is alleen in de natuur en zijn niet buijten;

141 die ontallijk zijn, maar wij zullen alleenlijk handelen van die de mensch aangaan;

144 n Wij zeggen wezentlijk zijnde, omdat wij hier niet spreeken van een kennisse, Idea etc. die gheel de Natuur van alle wesen geschakeld in haar wezen kend zonder haar bezondere wezentlijkheid, maar alleen van de kennisse, Idea etc. van de besondere dingen, die telkens komen te existeren... 8. De verscheidenheid der zelver ontstaat alleen door andere en andere proportie van beweginge en stilte, waar door Dit zo en niet zo, dit dit en niet dat is;

147 een vernietiging der Ziele, zo ze maar alleen is een Idea, kennisse etc. van dit;

148 t geene hij van denken heeft, zijn alleen maar Wijzen van die denkende eigenschap;

151 verstaan kan worden; doch dit niet zo alleen , maar op zoodanig een wijze dat de;

154 (1)Iemand heeft alleenlijk horen zeggen >Deze waant alleen, of zo men gemeenlijk zijt, gelooft alleen van horen zeggen.] dat als men in de Regul van drien;

156 vreden zijnde Deze waant of gelooft niet alleen door horen zeggen, maar door ondervindi;

158 (1)Iemand heeft alleenlijk horen zeggen >Deze waant alleen, of zo men gemeenlijk zijt, gelooft alleen van horen zeggen.];

165 of ook eindelijk uijt hooren zeggen alleen Dat de liefde uijt waan, uijt klare ken[nis];

167 en derde, namelijk van de Liefde die alleen van hooren zeggen komt;

169 ook voort uijt hooren[f. 72] zeggen alleen , gelijk wij dat.... zien in de Turken;

170 De Begeerte: het zij datze bestaat of alleen zo een[ige] willen, in de lust of trek;

172 gelijk gezien word in een zieke die alleen door hooren zeggen van den Doctor, dat;

175 Ik zeg dan, dat zij ons leert alleen wat de zaake behoort te zijn, en niet;

177 de waan; sodanig, want het kan mij maar alleen aanzeggen wat de zaake behoort te zijn;

183 Rationis) verwarren zoude Deze Idea moet alleen een Ens rationis en geen Ens reale zijn;

186 vierderlij verdeeld als in horen zeggen alleen , in ervarentheid, in geloov, in klare;

187 dikwijls in dooling. Het ware geloof is alleen daarom goet, omdat het de weg is tot;

191 Doch een derde isser alleen door zijn eigen kracht en mogentheid eeuwig en onvergankelijk >En verschieden naar de hoedanigheid van 't voorwerp. en van welke voorwerpen eenige door haar zelfs natuur vergankelijk zijn; andere alleen door haar oorsaak onvergankelijk, maar een derde alleen door sijn eigen kracht eeuwig en onvergankelijk.]... De andere dat zij[n] alle die wijzen die wij gezeid hebben, oorzaak te zijn van de bezondere wijsen >Welke alleen door haar oorzaak onvergankelijk: siet pag.53 et seq.];

195 ' t omdat het niet van ons afhangd, maar alleen van het goet en kwaad nut, dat wij in;

197 aangezien zij zelve swak zijn en d'eene kreupele d'ander niet kan draagen: en niet alleen dat ze ons niet en vorderen, maar sijn ook zelfs ons29 schadelijk >dat nochtans het oogmerk is en niet alleen dit, maar sij zijn ons ook schadelijk.];

201 dat deze niet en zijn als maar (*)wijsen alleen, die onmiddelijk van God afhangen. ..., wij zouden konnen nalaten God te beminnen >Omdat het maar alleen zijn wijsen die onmiddelijk van God afhangen en met haar niet en konnen vereenigen, dewijl wij die sonder God niet en konnen kennen en God kennende onmogelijk die zouden beminnen. Want God kennende konnen wij niet laten hem meteen te beminnen.];

202 Wat dan kander anders volgen, als dat ze op niemand geweldelijker zal konnen uijtstorten als op den Here onse32 God? Want hij is alleen heerlijk en een volmaakt goed;

205 krachtig maaken en ook, hoe de zelve alleen in God moet rusten.( *) Het gene wij;

209 dan eijndelijk daarop aan, of de haat alleen door waan en ook niet door ware redener[ing];

211 Toornigheid.], de welke niet alleen als de haat tracht te vlieden van' t;

216 Bij deze zullen wij voegen de Droevheid, vande welke wij derven seggen dat ze ontstaat alleen uijt de opinien en waan uijt de zelve >Van de droefheid. Ontstaat alleen uijt de waan en is nodig daar af bevrijd te zijn omdat ze ons hindert;

221 zig niet uijt buijten ons en werd alleen toegepast zo eenen, die na de regte;

227 Want geene en steld niet alleen den bezitter in een zeer goede stant, maar ook daar bij is zij de rechte trap door de welke wij opklimmen tot ons opperste heijl. Maar deze en belet ons niet alleen om tot onse volmaaktheid te geraaken, maar brengt ons ook geheel tot ons verderf;

236 men heeft, om iets dat nu verkregen is, alleen te mogen genieten en behouden;

242 door verrassing; want de knaging komt alleen hier uijt: dat wij iets doen van' t;

243 wij zullen bevinden dat ze niet alleen niet goet en zijn, 39nemaar in het;

246 opzigt het heeft en wat het is.], maar alleen op die mensch, die eenig goet in zig ze;

249 Want de Eere en Schaamte en zijn niet alleen niet vorderlijk volgens het geene wij;

250 tegendeel staa ik toe dat ons die niet alleen vrijstaan te gebruijken, als wij die;

251 Wat voorder de onbeschaamtheid belangt deze die toont zich zelvs aan ons zodanig, dat wij om haare mismaaktheid te zien, alleen maar haare beschrijving van noden hebben en't zal ons genoeg zijn >Onbeschaamtheid is alleen door 't aanschouwen verfoeilijk.];

253 Want een volmaakt mensch woord maar alleen door de noodzakelijkheid zonder eenige;

254 en dat alleen zonder eenig opzicht van reeden, maar alleen voortkomende door of gierigheid of een al te groote liefde tot zich zelfs;

257 dat alleenlijk het *Waare Geloov of de reeden dat geene is, het welk ons tot de kennisse van't goede en kwaade brengt ... Ik zeg ons Verstand, want ik niet en meijne, dat de reeden alleen >Door de reeden verstaan wij het verstand dat wat meerder is als de reeden. Ziet Cap.21.] maghtig is ons van alle deze te bevrijden;

258 zijn; aangezien wij zonder de selve niet alleen zeer wel konnen zijn, maar ook dan;

259 men niet en bemind het voorwerp het welk alleen waardig is bemind te worden, namenlijk;

261 Zoo komt mede in aanmerkinge, dat alleen de Liefde, enz. onbepaald zijn: namentlijk hoe die meer en meer toeneemt, hoe die ook alsdan voortreffelijker word, aangezien die is vallende op een voorwerp dat oneijndig is; waarom ze dan alle tijd kan toeneemen, het welk in geene andere zaake als alleen in deze en kan plaatze grijpen;

274 van ziel en lichaam was. Maar alleen zal ik toonen kortelijk, dat de;

276 anders als te besluijten, dat God dan alleen is en moet zijn de uijwerkende oorzaak;

279 de wille geen zaak is in de Natuur, maar alleen een verzieringe, men niet en behoeft te;

281 van woorden of andere beduijdtekenen alleen op haar verstand acht neemen;

282 Indien niet wij maar alleen de zaake het is, die van zig in ons;

284 de Wil bij die, die de Wille stellen, is alleen dat werk van het verstand daardoor wij;

286 Alle de werkinge dan, waar af wij hier boven gezeit hebben (aangezien zij gedaan worden door reden onder schijn van goet of belet worden door reeden onder schijn van kwaad) konnen alleenlijk onder die neiginge die men Begeerte noemt en geenzins als heel oneijgentlijk onder de benaming van Wille begreepen worden >Alzoo dat alle werkingen waar van boven gezeit is alleen onder de begeerte en niet als heel oneigen onder de wille behore.];

288 zijn: Doch als de neiginge alleen tot het goede is of dat de mensch die zulke neiginge heeft, de zelve onder schijn van goet heeft, zo noemt hij die voluntas of goede wille; ... Zo dat de neiginge van de ziel niet iets is om te bevestigen oft'ontkennen, maar alleen een neiginge om iets te bekomen onder scheijn van goet en te vlieden onder scheijn van kwaad;

292 dadelijk in de Natuur is, maar zij is alleen van dit of dat bezonder te begeren;

295 de toe eigenen, die daar is de eerste en alleene oorzaak van alles wat wij verrigten en;

300 om aan God alles toe te eigenen.], hem alleen beminnen, omdat hij de heerlijkste;

309 een ijder deszelfs, eerst op zig zelfs alleen en daar naa bij beijde te zaamen;

310 Zoo wanneer wij dan aanschouwen de uitgebreidheid alleen, zoo is't dat wij in de zelve niet anders gewaar worden als Beweeging en ruste... en die zoodanig dat geen ander zaak als zij zelve alleen haar kan veranderen]. en 71zoodanig zijn deze twe (*)wijzen >Twee wijsen: omdat de ruste geen Niet is.] in het lichaam, dat geen ander zaak en kan zijn die haar veranderen kan als alleen zij zelve;

313 de zelve niet toegepast worden zonder alleen aan de denkinge Waarom zij geen;

314 geenzins in de uijtgebreidheid, maar alleen in de denkende zaake gezogt worden;

316 De geesten konnen ook van' t lichaam alleenig bepaald of beweegt worden en wat alsdan;

318 Beweginge en Ruste te zaame Geschied alleen door beweging en ruste en wat buijten;

319 moet gezogt worden in het lichaam maar alleen in de ziele( want alle werkingen van;

320 het zoo met alle andere dingen is, maar alleen door hem zelfs kennen en moeten kennen;

325 Waar uijt dan volgt niet dat het lichaam alleen de voornaamste oorzaak is van de passie;

326 lichaam is niet noodig gesteld te worden alleen te zijn de voornaamste oorzaak van de;

331 zijn van de wijn op de ziel, maar alleen van de wijn op de geesten;

339 in de beweginge niet onmiddelijk, maar alleen door andere lichaamen de welke zij dede;

340 n 9. Deze Idea dan alleen buijten alle andere Ideas aangemerkt, kan niet meer zijn als maar een Idea van zo een zaak en niet dat zij een Idea heeft van zo een zaak. Daarbij dat zo een Idea zo aangemerkt om datze maar een deel is, zo kan zij van haar zelfs en haar voorwerp geen alderklaarst en onderscheidenst begrijp hebben; doch dit kan de denkende zaak alleen, die alleen geheel de Natuur is: want een deel buijten zijn geheel aangemerkt, kan niet enz;

342 van vernietinge van die opinien die wij alleen van hooren seggen hebben: en dat omdat;

346 kennisse te spreeken en zoo voort. Is alleen overig dat ons de ware kennisse tot;

347 ijde is magtig ons daar af te bevrijden. alleen dan de derde manier is' t, namelijk de;

348 ware kennisse voortkomt.]. In het welke alleen gelijk wij nu al gezeit hebben;

349 zijn de oorzaak van alle kennisse, die alleen door zich zelfs en door geen ander zaak;

356 dat bij aldien zij met het lichaam alleen vereenigt word Zo met het lichaam];

357 gaan. Alzo dan dat dit geene, het welke alleen de oorzaak is van haare wezentheid ook;

361 alsof hij de mensch( om zoo te zeggen) zo alleen liet heen loopen, maar om dat[de] mens;

370 En dat het door eenig ander ding als alleen door Gods wezentheid en het verstand de;

371 en dat alle bezondere dingen niet alleen zonder hem niet en konnen bestaan, maar;

373 ding kan of behoeft te gebruijken, maar alleen zich zelve;

376 van de denkende zaake maar en ontstaat alleen door vereeniginge die zoodanige wijze;

378 willen te kennen geven.] hebben wij niet alleen willen te kennen geven, dat' er geen;

380 Maar alzoo dat alleen de kennisse oorzaak is van de vernietiginge der zelver >Maar alleen door de ware kennisse.], gelijk dat over al uijt het geene wij gezegt hebben blijkt;

381 geen eeuwig leven op te volgen.], maar alleen een tijdelijke, zo is' t onze plicht;

383 andere beginzelen van noden hebben als alleen dit, namelijk ons eijgen voordeel te;

385 in ons niet en is het voornaamste, maar alleen gelijk een trap langs de welke wij na;

394 heeft voortgebracht en hij niet alleen is een innerlijke oorzaak, so volgt;

400 Soo is mij dan alleen noch overig om een eind van alles te ma[ken];

408 maar alleen zo gij ooijt aanvangt die aan iemand gemeen te maaken, dat u geen ander oogmerk en drijve als alleen het heijl uwen naasten met eenen door baarblijkelijkheid van hem verzekerd zijnde dat beloninge uwen arbeijd niet en zal bedriegen;

416 en zal konnen dit wezen dadelijk maar alleen wijzelijk (modaliter) onderscheiden, hoedanig zijn alle de wezens van dingen die wij zien, de welke te vooren niet wezentlijk zijnde, in de uijtgebreidheid, beweging en ruste begrepen waren: en wanneer zij wezentlijk zijn niet en worden onderscheiden van de uijtgebreidheid dadelijk, maar alleen wijzelijk;

418 overeenkomt met het wezen van de alleen heerlijke en gezegende God;

421 en ook hoe zijne verandering( alleen ) afhangt van het lichaam(' t welk;

425 de ziel eenes[ij] gelijken dings als alleen de Idea welke noodzakelijk van zulk een;

428 Ergo dan zo bestaat het wezen van ziel alleen hierin namelijk in het zijn van een Idea of voorwerpelijk wezen inde denkende eigenschap, ontstaande van het wezen eenes voorwerps 't welk inderdaad in de Natuur wezentlijk is. Ik zeg van een voorwerp dat dadelijk wezentlijk is enz. zonder meer bezonderheid. Om dan hieronder te begrijpen niet alleen de wijzingen van de uijtgebreidheid, maar ook de wijzingen van alle de oneijndige eijgenschappen de welke mede zo wel als de uitgebreidheid een ziele hebben;

430 eijgenschappen, het wezen zijn van een alleen oneijndig wezen;

432 verstaande onder het gezeide niet alleen de Ideen welke ontstaan uijt de lichaam;

434 niet anders was als alleen beweging of alleen stilte, soo en zoude in de geheele.