IEMAND

IEMAND 27x+n+2m; iemant 4x; jemand; 025; 031; 110; 118; 160; 162; 166; 168; 168; 176; 210; 210; 212; 218; 222; 223; 224; 236; 236; 238; 240; 250; 250; 260; 266; 266; 266; 268; 279; 323; 369; 380; 408;

Wanneer in yemanden eene sonde sal zijn, die enz., Deut. 21, 22; Jesus seyde, Yemant heeft my aengeraeckt, Luc. 8, 46; Een graf,.. daer noyt yemant in geleght en was, 23, 5;

093 kan zulks nooit gezeid worden: want hij niemand van doen heeft, om uijtwerkzelen voort [te brengen];

115 aangezien dat niemand alle de oorzaken van de dingen bekend z[ijn];

170 't is zeeker datze in niemand en kan gevonden worden gekomen te zijn;

172 Want niemand gehoort hebbende van een dink dat;

203 [wat] dan kander anders volgen, als dat ze op niemand geweldelijker zal konnen uijtstorten al[s op]

248 zeekere droevheid die in jemand ontstaat als hij komt te zien;

266 dat hij waakt, maar nooijt kan iemand die nu waakt, denken dat hij droomt;

210 een ontsteltenisse van de ziel tegen iemand , die ons misdaan heeft met wille ende w[eten];

380 Dats eeven zo veel als of men wilde dat iemand die onweetende is, eerst zijn onweetenh[eid aflegt];

218 Ergo. Zo volgt onwederspreekelijk, dat iemand die sijn verstand wel gebruijkt;

268 Als nu iemand door dien het geheele voorwerp in hem