INBLIJVEN

INBLIJVENDE 10x;

INNERLIJKE 10x;

Only used in technical sense in the context of`causality. The terms are complete synonymes (390) and occur in two parts in KV: 390-395 and in the second dialogue, where the text might have made nesessary the addition of chapter 3 on causality.

053 wij hebben alreeds gelijk wij ook nog hier na zullen zeggen gesteld, datter buijten God niets niet en is en dat hij een inblijvende oorzaak is, dog de lijdinge, zo wanneer de doender en de lijder verscheijden zijn, is een tastelijke onvolmaaktheid;

054 het verstand, het welke, zo ook de Philosophen zeggen, een oorzaak is van zijn begrippen: Maar aangezien het een inblijvende oorzaak is, wie zoude dorven zeggen dat het onvolmaakt is zo dikwijls het van zig zelven lijd;

074 Z en dit zegd gij daarom dewijl gij maar alleen en weet van de oovergaande en niet van de inblijvende oorzaak dewelke geenzins iets buijten zig zelve voortbrengd. ... Alzo ook God en is met zijne uijtwerkzelen of schepzelen geen Ander als een Inblijvende oorzaak, en ook een geheel in opzigt van de tweede aanmerkinge;

075 Z Ik heb u, ô Theophile, hooren zeggen, dat God een oorzaak is van alle dingen en daarbij dat hij geen andere oorzaak kan zijn, als een inblijvende. Indien hij dan een inblijvende oorzaak is van alle dingen, hoe dan kond gij hem een verder oorzaak noemen? Want dat is in een Inblijvende oorzaak onmogelijk;

077 Z maar ik merke ook aan dat gij gezegd hebt, dat het gevrogte van de innerlijke oorzaak op zodanig een wijze met sijn oorzaak vereenigt blijft, dat het met dezelve te zamen een geheel maakt. en indien dit zo is, zo en kan dunkt mij, God geen inblijvende oorzaak zijn. Want zo hij en 't geene van hem is voortgebragt te zamen een geheel maaken, zoo schrijft gij God op de eene tijd meer wezen toe als op de andere tijd;

080 Z welke uijtgestrekte of uijtstrekkende hoek noodzakelijk gelijk is met de twee teegengestelde innerlijke, en zo voort;

084 Z Maar boven dit hebt gij nog gezegd, dat het gevrogte van de innerlijke oorzaak niet en kan vergaan zo lang zijn oorzaak duurd; hetwelk ik wel zie zeeker waar te zijn, maar dit zo zijnde, hoe kan God dan nog zijn een innerlijke oorzaak van alle dingen, daar nogtans veel dingen te niet gaan? Dog gij zult volgens uw voorige onderscheid zeggen, dat God eigentlijk een oorzaak is van die gevrogte, die hij onmiddelijke zonder eenige meer omstandigheeden als alleen sijne eijgenschappen, heeft voortgebragt en dat deze dan zo lang haar oorzaak duurt, niet en konnen te niet gaan; maar dat gij God geen innerlijke oorzaak noemd van die gevrogte welkers wezentlijkheid niet onmiddelijk van hem afhangen, maar van eenige andere zaak geworden zijn als alleen voor zo veel haare oorzaaken zonder God niet werken nog konnen werken nog ook buijten hem en hierom dan ook, aangezien zij niet onmiddelijk van God zijn voortgebragt, te niet konnen gaan;

091 2. Ten anderen is Hij een inblijvende en geen overgaande oorzaake, aangezien hij alles in zig zelfs en niet buijten zig en werkt omdat buijten hem niets niet en is;

390 4. Al het gevrogte van een inblijvende off innerlijke oorzaak ('t welk bij mij een is) en is niet mogelijk te konnen vergaan noch te veranderen zo lang deze sijne oorzaak blijft. Want een sodanig gevrocht gelijk het niet en is voortgebragt van uijtterlijke oorzaaken, zo en kan het selve niet verandert worden volgens de 3e stelling. en dewijl heel geen zaake als door uijtterlijke oorzaaken en kan komen te vernietigen, zo en is niet mogelijk dat dit gevrogte soude konnen komen te vergaan zo lange sijne oorzaak duurd volgens de 2e stelling;

391 5. De aldervrijste oorzaak en die God het alderbeste past, is de inblijvende: Want deze oorzaak daar van hangt het gevrochte zodanig af dat uijt haar voortkomt, dat het sonder dezelve noch bestaan noch verstaan kan worden, noch ook aan eenige andere oorzaak onderworpen is: Daar bij ook is het met dezelve zodanig vereenight dat het met dezelve te zamen een geheel maakt;

394 en aangezien dat God het onmiddelijk heeft voortgebracht en hij niet alleen is een innerlijke oorzaak, so volgt nootzakelijk dat het niet en kan vergaan so lang deze zijne oorzaak blijft volgens de 4e stelling;

395 Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zijn, zijn de aldervoortreffelijkste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want dewijle zij innerlijke gevrochte zijn, zo zijn zij de aldervoortreffelijkste volgens de 5e stelling en daar en boven zijn zij ook noodzakelijk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak;

396 Want op deze wijze zijn zij de innerlijke gevrochte aldernaast, als bij voorbeeld, zo ik mijne naaste leer beminnen de wellusten, de eere, de gierigheid en ik zelve of ik bemin die ook of ik bemin die niet. Hoe't zij of niet zij, ik ben gehouwen of geslaagen. Dit's klaar.