bekend 16x+2n+m;
bekender 2x;
bekennen;
bekentenisse;
gekend 5x+5n+3m;
gekent 4x;
kend 7x+2m;
kenden;
kendt m;
kenne 2x;
kennende 2x+6m;
kennis 3x+3m;
kennisse 65x+14n+16m;
kent 2x;
onbekend +m;
Wien zou Hij dan de kennis leren, en wien zou Hij het gehoorde te verstaan geven? Den gespeenden van de melk, den afgetrokkenen van de borsten, Jes.28:9; Aangaande nu de dingen, die den afgoden geofferd zijn, wij weten, dat wij allen te zamen kennis hebben. De kennis maakt opgeblazen, maar de liefde sticht. 2. En zo iemand meent iets te weten, die heeft nog niets gekend, gelijk men behoort te kennen. 3. Maar zo iemand God liefheeft, die is van Hem gekend, 1Cor.8:1-3; vraag uw vader, die zal het u bekend maken, uw ouden, en zij zullen het u zeggen, Deut.32:7; Ick was van aengesichte onbekent den gemeynten in Judea, Gal.1:22;
cognitio* 185xE: idea sive cognitio (8x); vera boni et mali cognitio (11x); adequata cognitio; clara et distincta cognitio; a Dei cognitione; cognitionis genus (37x); cognosc* 35xE: clare et distincte cognoscere; cognoscendi genus; Deum cognoscere; corpus non cognoscere;
Related concepts: waan, geloof, begrip, idea (cf.143 ), denking.
General term for content of consciousness. Epistemologically specified in a spinozistic way in 143 sqq. Technical term in 'klare onderscheiden kennis' (152 sqq.).
019 die geeft hem zelve te kenne door hem zelve;
038 En wat het twede aangaat zeggen wij, dat wij bekennen, Indien God niet alles zoude konnen scheppen wat scheppelijk is, zulks zoude strijden tegen zijn almogentheid;
039 n En argumenteren zij zelve niet aldus off en moeten zij niet aldus argumenteren >Dat is wanneer wij haar uijt deze bekentenisse van dat God alwetende is, doen argumenteren, dan en kunnen zij niet als aldus argumenteren.];
058 hoe dat dezelve, welke ons bekent zijn, maar bestaan in twee;
067 en eijndelijk indien gij 't alwetende noemd, zo is 't noodzaakelijk dat het zig zelfs kenne en met een moet gij verstaan dat de kennisse van zig zelfs alleen minder is als de kennis van zig zelfs te zamen met de kennisse van de andere zelfstandigheeden;
115 niemand alle de oorzaken van de dingen bekend zijn om daar van te konnen oordeelen;
120 [tot nog] toe maar twee door haar zelf wezen ons bekend zijn, is waar;
124 dat zij een zeer kleene en geringe kennisse van God hebben;
128 waarmede zij haar onwetenheid van gods kennis tragten te verschoonen;
129 het welk een oorzaak is van de kennisse aller andere dingen;
130 zo worden zij ook door hun zelfs bekent;
131 zoude konnen worden met een evenmatige kennisse;
143 -6n 4. Een volmaakte denking moet hebben een kennisse, Idea, wijze van denken van alle en een ieder zaak wezentlijk zijnde, zo van zelfstandigheeden als van wijsen, niet uitgezondert. 5. Wij zeggen wezentlijk zijnde, omdat wij hier niet spreeken van een kennisse, Idea etc. die gheel de Natuur van alle wesen geschakeld in haar wezen kend zonder haar bezondere wezentlijkheid, maar alleen van de kennisse, Idea etc. van de besondere dingen, die telkens komen te existeren. 6. Deze kennisse, Idea etc. van ieder bezonder ding 't welk wezentlijk komt te zijn, is zeggen wij, de ziel van dit ieder besonder ding. ... 9. Uijt deze proportie dan van beweginge en stilte komt ook wezentlijk te zijn dit ons licham van't welk dan, niet min als van alle andere dingen, een kennisse, Idea enz. moet zijn in de denkende zaak en zo voort dan ook de ziel van ons. 10. Doch in andere proportie van beweginge en stilte was dit ons lichaam, een ongeboren kind zijnde en in gevolge daarna, en in andere zalt bestaan als wij dood zijn, en niet te min zal dan en was doen, zo wel een Idea, kennisse etc. van ons lichaam in de denkende zaak als nu; maar geenzins de zelve, dewijl het nu andens geproportioneerd is in beweging en stilte. 11. Om dan zo een Idea, Kennisse, wijze van denken in de zelfstandige denking te veroorzaaken als nu deze onze is, wort vereischt niet even eens wat lichaam (dan most het anders gekent woorden alst is), maar ook zulk een lichaam dat zo geproportioneert is van beweging en stilte en geen ander: want zoo 't lichaam is, zoo is de ziel, Idea, kennis etc;
144 van alle wesen geschakeld in haar wezen kend zonder haar bezondere wezentlijkheid;
152 Om dan aantevangen te spreeken van de wijsen uijt de welke de mensch bestaat >De wijzen van de welke de mensch bestaat zijn Begrippen, afgedeeld in waan, waar geloof, en klare onderscheide ken[n]is, veroorzaakt door de voorwerpen ieder na syn aard.], ... zo laat ons beginnen van die die ons het eerste1 bekend zijn: namelijk eenige begrippen of het medegeweten van de kennisse onzes zelfs en van die dingen die buijten ons zijn;
154 en dat zonder eenige kennisse meer van den regul van drien gehad te h[ebben];
156 Doch een (4)vierde, hebbende de alderklaarste kennisse, die heeft niet van doen noch horen zeggen, noch ondervinding, noch kunst van reden dewijle hij door sijne deurzigtigheid terstond de gelijkmatigheid en alle de rekeningen ziet;
157 Wij zullen dan nu komen te verhandelen de uijtwerkingen van de verscheide kennissen waarvan wij in 't voorgaande Capittel gezeid hebben en als in 't voorbijgaan weer zeggen wat Waan, geloof en klaare kennisse is >Nader verklaringe van de waan, 't waare gelove en klaare kennisse en waarom so genoemt];
158 maar alleen aan ons bekend;
159 wat de Waan,' t waare geloof en klaare kennisse zijn; zo volgt nu dan van haar uijtwerk[ingen];
160 Alzo dat wij dan de naaste oorzaak van alle de lijdingen in de Ziele, de Kennisse stellen >Uijt de kennisse, zo de ware als de valsche, ontstaan alle de Lijdingen in de Ziel.]. Want wij t'eenemaal onmogelijk achten dat, zo iemand op de voorgaande wijsen noch begrijpt noch kent, hij tot Liefde ofte Begeerte of eenige andere Wijzen van wille zoude konnen bewogen worden;
162 die de zaake op de eerste wijze kent, want dewijl hij;
163 in' t geheel of ten deel al te vooren bekent;
165 Dat de liefde uijt waan, uijt klare kennis en ook van hooren seggen komt;
166 en om 't goets wille dat hij in't selve aanmerkt, zoo verkiest hij't als 't beste, buijten het welke hij niet beter noch aangenaamer als dan en kend. Doch soo wanneer het komt te gebeuren dat hij (gelijk in deze meest gebeurt) iets beter als dit nu bekende goet komt te kennen, zo keerd terstond sijne liefde van het eene eerste tot het ander tweede >Hoe deze komt te veranderen.], het welk wij alles klaarder sullen doen blijken in de verhandelinge van de vrijheid des menschen;
167 de liefde uijt ware begrippen off klare kennisse word hier niet gehandeld;
168 in iemand die het ware goet kendt.];
168 indien men het ware goet kende;
179 De *derde uijtwerkinge [sc.van't ware geloof] is, datze aan ons verschaft de kennisse van goet en kwaad ... en om dat wij nu te vooren gezeid hebben dat die passien die uijt de Waan voortkoomen, groot kwaad onderworpen zijn, zo is't de pijne waart eens te zien, hoe de selve ook door deze tweede kennisse gezift worden om te zien wat in de zelve goet, wat kwaad is;
186 Om dan nu allengskens ter zaak te komen: wij hebben nu al te vooren aangewezen hoe dat uijt het begrip de beweging, tochten en werkingen van de ziel ontstaan >Dat nu uijt het betoog van tevooren gedaan blijkt hoe al de tochten en beweginge van de ziel ontstaan uijt het begripp] en het zelve begrip hebben wij in vierderlij verdeeld als in horen zeggen alleen, in ervarentheid, in geloov, in klare kennisse. en aangezien wij nu de uijtwerkinge deser aller hebben gezien, zo is daaruijt openbaar, dat de vierde namelijk de klare kennisse, de aldervolmaakste is van alle >En dat uijt alle dit klaar is hoe dat de vierde wijse in de ziel namelijk de klaare kennis, de aldervolmaakste is van alle.];
187 Want de waan brengt ons dikwijls in dooling. Het ware geloof is alleen daarom goet, omdat het de weg is tot ware kennis, ons tot die dingen die waarlijk beminnens waardig zijn, opwekkende. Zodat dan het laatste eijnde dat wij zoeken en het voornaamste dat wij kennen, is de waare kennisse >En ook het laatste eijnde van 't geen wij hebben te zoeken en te kennen.];
188 Doch ook deze ware kennisse is na de voorwerpen die haar voorkomen, ook verscheiden >Is ook verscheiden na de voorwerpen in beter en slechter.]. Soo dat hoe veel beter daar is het voorwerp met het welke het komt te vereenigen, zo veel beter is ook deze kennisse. En daarom dat is de volmaaktste mensch, de welke met God die het aldervolmaaktste wezen is, vereenigt en hem zo geniet >En alder volmaakst als zij God tot een voorwerp heeft];
192 De Liefde dan ontstaat uijt het begrip en kennisse die wij van een zaake hebben ende na dat de zaake zig groter en heerlijker vertoond, daarna is ook de liefde groter en groter in ons >Waar uijt de liefde ontstaat. Namentlijk uijt de kennisse en hoe die zaak die van ons gekend word heerlijker is hoe de liefde grooter wort en moet zijn.];
193 Op twederleij wijzen isser macht om ons van de liefde te ontslaan: of door kennisse van een beter zaak, of door ondervinding dat de beminde zaak die voor wat groots ende heerlijke gehouden is, veel onheil en ramp met zig sleept >Op tweederleij wijse komt de lievde te vergaan of door de kennisse van een beter of door onheil en ramp die se mesleept.];
195 Onmogelijk dan is't omdat het niet van ons afhangd, maar alleen van het goet en nut, dat wij in het voorwerp aanmerken >Onmogelijk omdat het van ons niet afhangt, maar van het goet dat in de zaak gezien word], het welke soo wij't niet en wilden beminnen, noodzaakelijk van ons te vooren niet en most gekend zijn, het welk niet in onse vrijheid bestaat of aan ons hangt, want zo wij niets kenden, voorzeeker wij en waaren ook niet >Dat dan van ons niet most gekend zijn, zo wij niet en zouden beminnen. Nu deze kennisse en hangt van onse vrijheid niet af. Ergo.];
201 sonder God niet en konnen kennen en God kennende onmogelijk die zouden beminnen. Want God kennende konnen wij niet laten hem meteen te bem[innen];
202 >Omdat God alleen wezen heeft en alle andere dingen maar Wijzen zijn: Nu zo veel heerlijker als het wezen zelve is boven de toevallen, so veel te noodzakelijker moet dat wezen bemind worden van die die het kend. Seg boven de toevallen omdat wij een beter kennende, altijd een beter beminnen, als pag.80 van ons getoond is.], een beter zaak als die wij dan beminnen, komen te kennen, wij altijd ter stond op dezelve vallen en de eerste verlaten; zo volgt onwedersprekelijk, dat als wij God komen te kennen, die alle volmaaktheid in hem alleen heeft, wij hem noodzakelijk moeten beminnen;
203 Ten tweeden, als wij ons verstand wel gebruijken inde kennisse van zaken, so moeten wij die dan kennen in haar oorzaaken >...]: Nu dan, aangezien God van alle andere dingen een eerste oorzaak is, soo is dan de kennisse Gods en zij staat voor (ex rerum natura) volgens de natuur van de zaak, voor de kennisse van alle andere dingen >En zoo staat God noodsakelijk voor in kennisse van alle andere dingen, want die sonder hem niet konnen gekend werden.]: dewijl de kennisse van aller andere dingen volgen moet uijt de kennisse van de eerste oorzaak. en de waare liefde komt altijd hervoort uijt kennisse van dat de saake heerlijk is en goet. Wat dan kander anders volgen, als dat ze op niemand geweldelijker zal konnen uijtstorten als op den Here onse God? Want hij is alleen heerlijk en een volmaakt goed.
221 sijne volmaaktheid kend;
225 Dit dan aldus aangemerkt zijnde, zo blijkt dan daar uijt genoegzaam wat voor goet en kwaad ieder van deze passien in zich heeft >Namentlijk een kennisse van volmaaktheid en onvolmaaktheid.]. Want wat belangt de Edelmoedigheid en Nedrigheid, deze geven door hun zelfs haar voortreffelijkheid te kennen. Want wij zeggen dat den bezitter deszelfs sijne volmaaktheid en onvolmaaktheid na waarde kend. Het welk het voornaamste is zo ons de reeden leerd, waardoor wij tot onse volmaaktheid geraaken. Want wij te recht onse macht en volmaaktheid kennende, zo zien wij daardoor klaarlijk wat het is dat ons te doen staat om tot ons goet einde te geraaken. en wederom, als wij ons gebrek en onmacht kennen, zo zien wij wat ons te vermijden staat;
237 Dewijl ons dan nu bekend zijn waaruijt deze togten komen te onts[taan];
291 Zo gij jaa zegt: Hoe, vraag ik, door wat oorzaak? Immers niet door iets dat het beter kend, want dit is het all dat het kend: Niet ook om dat het kwaad bij hem is, want hij kend niets anders. en die aangenaamheid is het alderbeste, dat hem ooijt is voorgekomen;
302 of wij door de kennisse, die wij nu al reeds hebben;
304 want het beste kennende en genietende, heeft het slegtste op on[s geen vat];
316 [ander]zins gewoonlijk zijn ons de redenen wel bekend;
321 als voorwerpen zijnde, daar aan bekend maaken;
323 het eene goet, het ander kwaad te zijn kenne;
348 dat wij hem zo hij is moeten kennen.> Deze kennis en hoeft niet eevenmatig en waarom.];
349 door zich zelfs en door geen ander zaak bekend word;
368 -9 hoe zich dan God aan de mensche kan bekend maaken en of zulks geschied off geschiede zoude konnen door gesprooken woorden off onmiddelijk zonder eenig ander dink te gebruijken door't welke hij het zoude doen? Wij antwoorden >Deze word beantwoord. God en kan zich zelfs niet met woorden aan iemand bekend maaken en waarom], door woorden altijd niet ... en zo achten wij het dan onmogelijk dat God door middel van eenig uijtterlijk teeken zich zelve aan de menschen zoude konnen bekend maaken;
370 dat geene in ons' t welke God moet kennen, het Verstand is en dat dat zelve;
371 dink ons als dan meer zoude moeten bekend zijn als God zelfs;
372 dat wij nooijt door eenig ander dink welkers wezen noodzakelijk bepaald is schoon het ons al bekender was, tot de kennisse Gods konnen geraaken: Want hoe is 't mogelijk dat wij uijt een bepaalde een oneijndelijke en onbepaalde zaak souden konnen besluijten? Want of wij alschoon eenige werkinge of werk in de Natuur bemerkte welkers oorzaak ons onbekend was, zoo is't nochtans onmogelijk om voor ons daar uijt dan te besluijten dat'er om dit gevrochte voort te brengen, een oneijndelijke en onbepaalde zaak in de Natuur moet zijn >Uijt eenige werkinge welkers oorzaak ons onbekend is en kan niet beslooten worden dat het God is en de rede waarom.];
373 dat God, om zich zelfs aan de menschen bekend te maaken noch woorden, noch miraculen;
378 > met die stelling hebben willen te kennen geven.] hebben wij niet alleen willen te kennen geven, dat' er geen Duijvelen zijn;
382 Ja maar wat konnen ons die God niet en kennen dog anders zeggen;
397 en deze dingen ook aan mijn naasten bekend te maaken;
400 deze nieuwigheeden, want zeer wel is u bekend hoe dat een zaake niet daarom en laat.