KLAAR

KLAAR 33x+9n+4m;

duijdelijk 3x;

klaarder 6x;

klaare(n) 4x+4m;

klaarheid 3x+m;

klaarlijk 14x+n+m;

klaarste;

klare 3x+2m;

klarheid;

klaar* 13xB (6x klaarlijk; duidelijk 4xB);

clare 43xE (20x clare et distincte ostendere, - explicuisse, - intelligere, - apparere, - constare);

To understand clearly and distinctly (klaar / duidelijk en onderscheiden verstaan) functions as the Cartesian criterium for selfevident knowledge in KV: clare et distincte intelligere.

0011. 1Alles wat wij klaar en onderscheiden verstaan aan de *Natuur van een zaak te behooren, dat konnen wij ook met waarheid van die zaak bevestigen: [2] 2Maar dat de wezentheid aan de Natuur Gods toebehoort, konnen wij klaar en onderscheidentlijk verstaan. Ergo;

005 al dat wij klaar en onderscheide zien tot de natuur;

010 zo is het klaar dat God formelijk moet zijn;

014 en dan dat uijt het tot noch toe geseide klaar blijkt dat de Idea van oneijndige eigen[schap];

016 zulks is klaar, dewijl hij sijne *eijgenschappen verst[aat];

019 Uijt dit alles dan volgt klarlijk, datmen en(a Priori) van vooren.

022 Om dan onze meeninge in dezen klaar uijt te drukken zullen wij deze;

023 is hier uijt klaar, omdat ze alsdan noodzaakelijk iet zoude;

032 en twee gelijke zelfstandigheden klaarlijk strijdende met ons voorige bewijs;

041 en d' ander zonder de ander klaar en onderscheijden konnen verstaan;

043 onmogelijk, omdat wij klaarlijk zien dat zij al heel geen gemeenschap;

050 een zaak de welke klaarlijk tegenstrijdig is in zo iets, het welke;

056 en aangezien het klaarlijk blijkt, datter in de Natuur ruste;

069 dat is zeg ik u, valsch: Want klaarlijk zie ik dat' er maar een Eenige is;

076 : hetwelk gij ook uijt mijne woorden klaar hebt konnen afneemen;

080 Tot meerder klaarheid zal ik u een ander voorbeeld st[ellen];

082 Z Maar waar toe zoveel voorbeelden opgehoopt? Daar gij zelve in het voorgebeelde waaraf wij nu spreeken, dit klaarlijk kond zien. Ik heb duijdelijk gezegd, dat alle eijgenschappen die van geen ander oorzaak afhangen en om welke te beschrijven geen geslagt van nooden is, aan het wezen Gods toe behooren;

088 wij van God niet en hebben een zoo klaaren denkbeeld het welk ons in diervoegen;

090 alwaar uijt klaarlijk volgd, dat alle andere dingen geenzins;

091 geen Natuurlijke gelijk wij dat heel klaar zullen toonen en doen blijken;

097 Dits in zig zelfs klaar ;

098 niet alleen uijt het geene nu gezeid is klaar, maar ook hierdoor;

115 aangezien zij klaarlijk gezeijd hebben dat sijne voorzorge zig;

120 daarvan overtuygt ons de klare en onderscheidelyke reeden ;

127 hier na handelen, nog klaarder blijken;

133 klaar ende onderscheidelijk begrijpen;

136 deze sijne eigenschap is maar een, namenlijk: alles klaar en onderscheiden in alle tijden te verstaan, uijt het welke spruijt een oneindelijk of aldervolmaakst genoegen onveranderlijk, niet konnende nalaten te doen 't geen het doet, het welke alhoewel genoegsaam door zig zelfs klaar zijnde 't geen wij hier nu geseijd hebben, zo zullen wij het nogtans hierna in de verhandelinge vande Aandoeningen van de Ziele klaarder bewijsen ende daarom hier niet meer daar af zeggen;

140 de zaake is bij ons klaar ;

149 dewijl het klaar is dat in die tijd als de mensch niet e[n was];

152 afgedeeld in waan, waar geloof, en klare onderscheide ken[n] is ;

153 ten derden wij hebben het door klare en onderscheide bevatting ;

154 Doch om dit alles wat duijdelijker te verstaan, zo zullen wij;

157 Wij zullen dan nu komen te verhandelen de uijtwerkingen van de verscheide kennissen waarvan wij in 't voorgaande Capittel gezeid hebben en als in 't voorbijgaan weer zeggen wat Waan, geloof en klaare kennisse is >Nader verklaringe van de waan, 't waare gelove en klaare kennisse en waarom so genoemt]. De eerste (1) dan word bij ons genoemt Waan, de tweede 2. geloof maar de 3. die is't die wij een waare Kennisse noemen;

158 Maar klaare Kennisse noemen wij dat,' t welk;

159 van wat de Waan,' t waare geloof en klaare kennisse zijn;

165 Dat de liefde uijt waan, uijt klare kennis en ook van hooren seggen komt;

167 Van de liefde uijt ware begrippen off klare kennisse word hier niet gehandeld;

166 het welk wij alles klaarder sullen doen blijken in de verhandelinge;

199 Doch noch onvergelijkelijk klaarder zien wij dit als wij aanmerken;

172 Alsoo dan is' t klaar, dat Begeerte gelijk ook de Liefde;

173 gelijk dat voor ieder een klaar is;

178 De tweede uijtwerkinge van't ware geloof is, dat ze ons13 brengt tot een klaar verstand door 't welk wij God liefhebben en ons alsoo verstandelijk doet gewaar worden die dingen die niet in ons maar buijten ons zijn >De 2.uijtwerkinge, dat ze ons verstandelijke doet genieten de zake die zij buijten ons aanwijst en vertoond; dat is klaar en onderscheide kennen, niet de zake zelve, maar wat ze moet zijn.];

186 en het zelve begrip hebben wij in vierderlij verdeeld als in horen zeggen alleen, in ervarentheid, in geloov, in klare kennisse . en aangezien wij nu de uijtwerkinge deser aller hebben gezien, zo is daaruijt openbaar, dat de vierde namelijk de klare kennisse , de aldervolmaakste is van alle >En dat uijt alle dit klaar is hoe dat de vierde wijse in de ziel namelijk de klaare kennis , de aldervolmaakste is van alle.];

199 woort ons klaar aangewezen het vergif en het kwaad;

202 De Reedenen waarom zijn klaar :(1) *vooreerst omdat wij ondervinden;

207 zo achten wij dat het klaar is dat sulke dingen die ons hinderen of;

209 om dit wel te ondervinden, dunkt ons goet duijdelijk te verklaren, wat de haat is;

225 zo zien wij daardoor klaarlijk wat het is dat ons te doen staat;

257 is de Kennisse, zo zal klaarlijk blijken, dat wij ons verstand en Reeden;

259 Om dan noch meer klaarheid in alle deze te geven diend aangemerkt >Watt tot meerder klaarheid van al het gezeide aangemerkt dient te [worden]];

265 Waar op vooreerst tot antwoord diend >Op welke schijn word geantwoord.], dat de alder klaarste dingen en zig zelfs en ook de valsheijd te kennen geven in zulker voegen, dat het een groote dwaasheid zoude zijn te vraagen hoe men van haar bewust zoude wezen >Dat het sotheid is te vragen hoe men weet dat men weet.]: Want dewijle zij gezeid worden de alderklaarste te zijn, zo en kanner immers geen andere klaarheid wezen door de welke zij zouden konnen verklaart werden, zodat dan volgt, dat de waarheid en zig zelfs en ook de valsheid openbaard >De waarheid openbaart zichzelfs en ook de valscheid.]. Want de waarheid word door de waarheid, dat is door zig zelfs klaar , gelijk ook de valsheid door de zelve klaar is: maar nooijt woord de Valsheid door zig zelfs geopenbaard of aangewezen >Maar de valscheid geen valscheid.];

268 of wijzen van denken krijgt, zoo is het klaar, dat die een geheel ander;

272 het overtuijg niet zodanig is, dat het klaar gezien wort niet anders te konnen zijn;

273 zo verward dat het onmogelijk is een klaar en onderscheiden begrip daar af te hebb[en];

280 zal dit klaar blijkelijk zijn;

281 Dats onmogelijk en klaar aan alle die welke ten eenenmaale;

307 zoo is dan klaar blijkelijk dat deze uijtwerking van;

309 Om dan eens klaar de werkingen van deze beijde te verstaan, zoo zullen wij een ijder deszelfs, eerst op zig zelfs alleen en daar naa beijde te zaamen, voorneemen >Om de werkingen van deze beijde klaar te verstaan worden die bijzonder voorgenomen.]; als mede de uijtwerkinge zoo van de eene als van de ander;

319 en dewijle wij klaar en onderscheiden zien dat de eene liefde;

320 Zo volgt daaruijt klaarlijk , indien wij eens God komen te kennen ten minsten met een zoo klaar een kennisse als daar wij ons lichaam mede kennen, dat wij als dan ook nauwer met hem als met ons lichaam moeten vereenigt worden en als van het lichaam ontslagen zijn > Uijt het geene wij nu al te vooren gezeit hebben volgt dat zoo wij God kennen met soo klaaren kennis als wij 't lichaam kennen wij als dan met hem veel nauwer als met het lichaam moeten vereenigt worden.];

336 en hierom dan is' t niet min klaar dat het onmogelijk is, dat een lichaam;

337 t Is klaar dat in de mensch aangezien hij begonnen;

338 Wij schijnen klaarlijk te konnen zien dat wij nochtans;

343 en zo is' t klaar waarom wij die, die door ondervinding;

345 spreekende van de redenering en van het klaar verstand;

362 Off om klaarder te seggen dat Gods wetten niet en zijn;

371 [str]ijd tegen alles' t geen wij tot hier toe klaarlijk getoond hebben;

376 De reeden waarom is klaar ;

380 Desgelijks is ook uijt het voorige klaar af te neemen hoe dat zonder Deught;

392 >

.nu al uijt deze voorige waare stellinge klaarlijk zal komen te volgen.];

396 ik ben gehouwen of geslaagen. Dit' s klaar ;

424 Waar uijt klaarlijk besloten word, dat de natuurlijke liefd;

427 t geene wij daar na gezeid hebben, noch klaarder gezien word;

437 Eijndelijk dan dewijle wij nu verklaart hebben wat het gevoel is, zo konnen wij lichtelijk zien, hoe hier uijt komt te ontstaan een weerkeerige Idea off de kennisse sijns zelfs, de ervaring en redenering. en ook uijt alle deze (gelijk ook omdat onse ziel vereenigt is met God en een deel is van de oneijndige Idea, van God onmiddelijk ontstaande) kan klaarlijk gezien worden den oorspronk van de klaare kennisse en de onsterfelijkheid der ziele. Doch voor tegenwoordig zal het gezeide ons genoegh zijn.