laaten 4x+m;
laat 25x;
latende;
liet;
nalaten 12x;
nalaaten;
nalaat 2x;
overlaten;
toelaat 2x;
verlaten;
laten 177xB; nalaten 22xB; overlaten 42xB; toelaten 17xB; verlaten 188xB;
035 omdat hij't geen goet is, niet kan nalaten te doen;
040 zo laat ons dan eens zien of wij niet tegen;
085 Z zult gij dit zonder zwarigheid over te laaten, rondschieten?;
086 Z dat daarom even wel God niet nalaat een zaak onmiddelijk te konnen voort br[engen];
088 Z Dog dit zeg ik u dat zo lange wij van God niet en hebben een zoo klaaren denkbeeld het welk ons in diervoegen met hem vereenigd, dat het ons niet toelaat eenige zaake te beminnen buijten hem, wij en konnen zeggen waarlijk te zijn met God vereenigd en zo onmiddelijk van hem af te hangen. en 't geene gij nog zout mogen hebben te vraagen, laat dat op een ander tijd zijn;
091 Aangezien men dan gewoon is de werkende oorzaak in agt deelen te verdeelen, zoo laat ons dan eens onderzoeken, hoe en op wat wijze God een oorzaak is? ... 3. Ten derden. God is een vrije oorzaak en geen Natuurlijke gelijk wij dat heel klaar zullen toonen en doen blijken, wanneer wij zullen handelen van of God kan nalaaten te doen hetgene hij doet;
094 Dat God het geene hij doet zoude konnen laten te doen, ontkennen wij;
095 Ten anderen als wij besluijten, dat God niet heeft konnen nalaten te doen 't geen hij gedaan heeft, zo ontleenen wij dat van sijne volmaaktheid, dewijle het in God te konnen nalaten 't geen hij doet, een onvolmaaktheid zoude zijn;
096 of hij dat seg ik, zoude konnen nalaten te doen? en of zulk nalaten in hem een volmaaktheid is;
097 Voorder, als God iets zoude nalaten te doen, zo most dat voortkomen uijt een oorzaak in hem, of uijt geen. Ja, dan is't noodzaakelijk dat hij het moet nalaten te doen. Zo neen, zo is 't noodzakelijk dat hij het niet moet nalaten. ... Alzoo dat wij dan ontkennen, dat God kan nalaten te doen het geene hij doet;
098 dewelke geenzins en is zo zij waanen, namentlijk in iets goets of kwaats te konnen doen of laten, maar de ware vrijheid is alleen of niet anders als de eerste oorzaak, dewelke geen zins van iets anders geprangt of genoodzaakt wordt en alleen door zijne volmaaktheid oorzaak is van alle volmaaktheid: en dat dien volgende, zo God dit konde laten te doen, hij niet volmaakt zoude wezen: Want het goet doen of volmaaktheid te konnen laten in het geene hij uijtwerkt, en kan in hem geen plaats hebben als door gebrek;
100 de Rechtvaardigheid, denk ik, wel konnen nalaten rechtvaardig te zijn? Geenzins;
103 de welke niet en is iets te konnen doen of laten, maar alleen dat ze niet van iets anders afhangt. Alzo dat alles wat God doet, dat word van hem als van de allervrijste oorzaak gedaan en uijtgewerkt. Indien hij dan de dingen te vooren anders als die nu zijn, gemaakt hadde, zo moet immers volgen, dat hij t'eeniger tijd onvolmaakt geweest is. 't Welk dan valsch is. Want aangezien God de eerste oorzaak is van alle dingen, zo moet dan in hem iets zijn, door het welke hij doet dat geene het welke hij doet en niet nalaat te doen.;
108 bewezen dat God niet en kan laten te doen het geene hij doet namelijk;
111 Aangaande het twede dan: bij aldien die oorzaak niet meer bepaald en was om het eene of om het ander voort te brengen, dat is om deze iets voort te brengen of na te laten voort te brengen, zo waar't t'eenemaal onmogelijk en dat hij het zoude voortbrengen, en dat hij het zoude laten voort te brengen, 't welk regt streidig is;
114 Tegen dit alle word van andere tegengeworpen: Hoe is't mogelijk dat God, die gezeid word ten hoogsten volmaakt en de eenigste oorzaak, beschikker en voorzorger van alles te zijn, toelaat, dat des niet tegenstaande allomme zulk een verwarringe word gezien inde Natuur: en ook, waarom bij den mensch niet heeft geschapen dat hij niet en konde zondigen;
121 laat eens vooraf gezien worden, wat zij ons;
136 onveranderlijk, niet konnende nalaten te doen't geen het doet;
152 Belangende het eerste zo laat ons beginnen van die die ons het eerste;
155 die en laat zich soo niet pajen met hooren zeggen;
159 Dit dan vooraf zo laat ons nu koomen tot haare uijtwerkingen;
161 Alhier dan laat ons nu eens zien hoe dat gelijk wij;
167 voor't Vaderland uijt liefde haar leven laten;
173 zo zullen wij het dan hier bij latende, niet meer daar toe zeggen;
174 soo laat ons dan hier eens zien de uijtwerkingen;
180 Om dit dan mede bekwamelijk te doen, so laat ons de zelve maniere als vooren gebruijkende, de selve eens van nabij bezien om daardoor te konnen kennen, welke het zijn die van ons verkooren, welke verworpen moeten worden. Doch eer wij daar toe komen, laat ons eens kort voor af zeggen wat daar is het Kwaad des menschen;
189 zo laat ons die als gezeid is, bezonder voorneemen;
201 en om met een woort te seggen, het zal ons onmogelijk zijn dat als wij ons verstand wel gebruijken, wij zouden konnen nalaten God te beminnen >Omdat het maar alleen zijn wijsen die onmiddelijk van God afhangen en met haar niet en konnen vereenigen, dewijl wij die sonder God niet en konnen kennen en God kennende onmogelijk die zouden beminnen. Want God kennende konnen wij niet laten hem meteen te beminnen.];
202 ter stond op dezelve vallen en de eerste verlaten; zo volgt onwedersprekelijk;
209 laat ons het zelve eens bezien;
211 Dit dan aldus aangemerkt, soo laat ons eens kortelijk zien;
215 waar bij wij het hier dan laten;
263 Nu dan laat ons eens zien van het Waare en Valsche;
287 laat ons dan nu eens zien het rechte en ware;
290 Ziet nu eens of het wel soude konnen laaten deze lust off begeerte te krijgen;
293 Zo laat ons dan eens zien wat nuttigheeden uijt;
300 daarom wil ik hem rusten laaten en geen dienst meer van hem neemen;
341 nochtans geen magt in ons bevinden om of de goede te doen of de kwade te laaten en somtijds nochtans wel >Waar door het komt dat wij gezien hebben de zaake goet, somtijds magt hebben die uijt te werken en somtijds weder niet, als ook om het kwaad te laaten].;
367 dewijle hij nooijt en kan laten, maar altijd noodzakelijk met hem;
376 Doch laat ons eens zien off ook zo een ellendig;
380 eerst zijn onweetenheid soude moeten verlaten, aleer hij tot kennisse zoude konnen ko[men].
392 So laat ons dan nu eens zien, wat wij al uijt;
400 hoe dat een zaake niet daarom en laat waarheid te zijn om dat zij niet;
433 zo laat ons eens zien of wij oogmerk neemende.