LIJDEN

LIJDEN 5x+m;

leeden;

leijd;

leijder;

leijt;

lijd 2x;

lijdende 2x;

lijder 3x;

lijding 13x+2m;

lijdt;

onlijdelijk;

act* 61xE; passio* 63xE: affectus seu passiones;

Related concepts: doen, passie.

As a technical term 'lijden' is used for affections of which the affected subject is not the cause.

045 Daar en boven, als de uijtgebreijdheid word gedeelt, zo isse lijdende, dat ook geenzins in God (die onlijdelijk is en van geen ander kan lijden, nadien hij van alles de eerste werkende oorzaak is) plaats kan hebben;

052 De deeling dan of lijding geschied altijd in de wijs;

053 en dat hij [sc.God] een inblijvende oorzaak is, dog de lijdinge, zo wanneer de doender en de lijder verscheijden zijn, is een tastelijke onvolmaaktheid, want de lijder moet noodzakelijk van datgeene afhangen het welke hem van buijten het lijden heeft veroorzaakt: het welk in God die volmaakt is, geen plaats heeft;

054 Voorder van zo een werker de welke in sig zelfs werkt, en kan men nooijt zeggen dat hij die onvolmaakt[heid] heeft van een lijder, dewijl hij niet van een ander lijd, gelijk als daar is het verstand, het welke, zo ook de Philosophen zeggen, een oorzaak is van zijn begrippen: Maar aangezien het een inblijvende oorzaak is, wie zoude dorven zeggen dat het onvolmaakt is zo dikwijls het van zig zelven lijd;

055 met veel grooter regt een doender als een leijder genoemt worden;

159 uijt de eerste hervoorkomt alle de lijdinge (passien) die daar streijdig zijn tegen;

160 dat wij dan de naaste oorzaak van alle de lijdingen in de Ziele, de Kennisse stellen;

161 Hoedanig de lijdinge uijt de waan komen te ontstaan;

189 Om dan te ondervinden wat in de lijdingen of passien goet en kwaad is;

198 zo is't onmogelijk dat als die [sc.vergankelijke] komen (*)te lijden, hij daarvan soude konnen bevrijd zijn >Dewijl wij met haar vereenigt zijnde ook met haar noodzakelijk komen te lijden.];

269 aangedaan worden of eenige veranderinge lijden;

315 Zo wanneer nu dan deze eigenschappen de eene in de andere komt te werken, zoo ontstaat daar uijt lijdinge de eene van de ander, namelijk door de bepalinge van beweeginge die wij alsoo werwaart wij willen, vermogen hebben te doen gaan. De werkingen dan waardoor de eene van de ander komt te lijden, die is aldus: te weete de ziele in het lichaam gelijk nu al gezeid is >Verstaat ijder bijzonder of ook de ziel in't lichaam werkende kan wel maaken etc.], kan wel maaken dat de geesten die anderzins na de eene, nu nochtans na de ander zijde haar bewegen;

387 Voor zo veel te meer als een zaake wezen heeft voor zoo veel te meer heeft zij ook van de doening en te min van de lijding. Want't is zeeker dat de doenende werkt door 't geen hij heeft en dat de lijdende lijdt door 't geen hij niet en heeft;

388 Alle lijding de welke is van niet zijn tot zijn;

393 Aangezien het wezen Gods oneijndig is, zo heeft het en een oneijndige doening en een oneijndige ontkenning van de lijding, volgens de 1e stelling en volgende dien dan de dingen voor zoo veel te meer als zij door haar meer wezentheid met God zijn vereenigt, voor zo veel te meer hebben zij ook van de doening en te min van de lijding: en voor zo veel te meer ook ] vrij van verandering en verderving;